Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BG8310

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2008
Datum publicatie
24-12-2008
Zaaknummer
200705288/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 juni 2007, kenmerk 2007/0409486, heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Steenwijkerland (hierna: de raad) bij besluit van 23 januari 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Steenwijk De Schans".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2008/2396
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200705288/1.

Datum uitspraak: 24 december 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats], gemeente Steenwijkerland,

2. [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats], gemeente Steenwijkerland,

3. de stichting Stichting Behoud de Kamp, gevestigd te Zuidveen, gemeente Steenwijkerland, en anderen,

4. [appellanten sub 4], wonend te [woonplaats], gemeente Steenwijkerland,

5. [appellant sub 5], wonend te [woonplaats], gemeente Steenwijkerland,

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2007, kenmerk 2007/0409486, heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Steenwijkerland (hierna: de raad) bij besluit van 23 januari 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Steenwijk De Schans".

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 juli 2007, [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 augustus 2007, Stichting Behoud de Kamp en anderen (hierna: de Stichting en anderen) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 augustus 2007, [appellanten sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 augustus 2007, en [appellant sub 5] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 augustus 2007, beroep ingesteld.

[appellant sub 5] heeft zijn beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 september 2007.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 21 februari 2008. [appellant sub 1], [appellanten sub 2], de Stichting en anderen, [appellanten sub 4], [appellant sub 5] en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

Het college en de Stichting en anderen hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 augustus 2008, waar [appellant sub 1], [appellanten sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde], de Stichting en anderen, vertegenwoordigd door de [voorzitter] van de Stichting, en door [gemachtigden], [appellanten sub 4], vertegenwoordigd door [gemachtigde], [appellant sub 5] en het college, vertegenwoordigd door T. Drint, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de raad, vertegenwoordigd door N.A. van de Nadort, wethouder, J. Esenkbrink, ambtenaar in dienst van het waterschap Reest en Wieden, en door A. Dragt en J. Mulder, ambtenaren in dienst van de gemeente.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend met het oog op het uitbrengen van een nader deskundigenbericht door de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening, dat is uitgebracht op 17 september 2008. [appellanten sub 2], de Stichting en anderen en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Stichting en anderen hebben een nader stuk ingediend. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak op een tweede zitting behandeld op 8 december 2008, waar [appellanten sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde], de Stichting en anderen, vertegenwoordigd door [voorzitter], [appellant sub 5] en het college, vertegenwoordigd door T. Drint, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de raad, vertegenwoordigd door N.A. van de Nadort, wethouder, J. Esenkbrink, ambtenaar in dienst van het waterschap Reest en Wieden, en door A. Dragt en J. Mulder, ambtenaren in dienst van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 54, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen een besluit omtrent goedkeuring van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.1.1. Het beroep van de Stichting en anderen is mede ingesteld door [partijen]. Ten tijde van het instellen van beroep woonden zij op een afstand van onderscheidenlijk ongeveer 800 meter, 2000 meter en 1600 meter van het plangebied en hadden zij vanuit hun woningen geen zicht op het plangebied. Gelet hierop zijn deze afstanden naar het oordeel van de Afdeling te groot om te kunnen spreken van een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang. Voorts hebben zij geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat, ondanks deze afstanden, een objectief en persoonlijk belang van hun rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. Een gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat ook is, is daarvoor niet voldoende.

2.1.2. De conclusie is dat [partijen] geen belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, zodat dat zij daartegen ingevolge artikel 54, tweede lid, aanhef en onder d, van de WRO, geen beroep kunnen instellen. Voor zover het beroep van de Stichting en anderen door hen is ingesteld, is het beroep niet-ontvankelijk.

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.3. Het plan voorziet in een woningbouwlocatie voor ongeveer 480 woningen ten zuiden van Steenwijk en ten oosten van de kern Zuidveen. Het plangebied heeft in de huidige situatie een overwegend agrarische functie als weide- en bouwland en ligt in een groter, relatief open gebied, de Steenwijker Kamp. Het college heeft het plan goedgekeurd.

2.4. [appellant sub 1], [appellanten sub 2] en de Stichting en anderen wijzen erop dat het plangebied is gelegen nabij het gebied De Wieden, dat is aangewezen als speciale beschermingszone (hierna: SBZ) op basis van richtlijn 79/409/EEG inzake het behoud van de vogelstand (hierna: Vogelrichtlijn) en het gebied Wieden, dat is opgenomen op de lijst van gebieden van communautair belang als bedoeld in artikel 4, tweede lid, derde alinea van de richtlijn 92/43/EG inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (hierna: Habitatrichtlijn). Zij betogen dat het college, door het plan goed te keuren, heeft miskend dat niet is uitgesloten dat het plan significante gevolgen heeft voor deze gebieden. Volgens hen is ten onrechte geen passende beoordeling gemaakt van de gevolgen van het plan voor deze gebieden.

[appellanten sub 2] en de Stichting en anderen stellen dat het plan leidt tot een veranderde waterhuishouding in deze gebieden. Zij voeren daartoe aan dat de mogelijkheden voor directe inzijging van hemelwater ten gevolge van het plan aanzienlijk zullen verminderen. De Stichting en anderen voeren aan dat het thans inzijgende hemelwater van belang is voor het ontstaan van kwel in de aangrenzende polder Zuidveen. Zij wijzen erop dat dit kwelwater rechtstreeks wordt gemalen op de hoogwaterbufferzone in het noorden van de natuurgebieden. Voorts stellen zij dat het plan leidt tot een verslechtering van de kwaliteit van het inzijgende hemelwater. Verder voeren zij aan dat de Langeslootslanden, gelegen tussen het plangebied en de natuurgebieden, een belangrijk foerageergebied is voor de kolgans, kleine zwaan en grauwe gans, waarvoor De Wieden mede als SBZ is aangewezen. Ook voeren zij aan dat de purperreiger niet in het onderzoek is betrokken.

2.5. Ingevolge artikel 10a, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998), voor zover hier van belang, wijst de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: minister van LNV) gebieden aan ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn.

2.6. Bij besluit van 24 maart 2000 heeft de staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij het op de bij dit besluit behorende kaart aangegeven gebied, bekend onder de naam De Wieden, aangewezen als SBZ in de zin van artikel 4, eerste lid, van de Vogelrichtlijn.

Volgens de Nota van toelichting die ingevolge artikel 1, tweede lid, van het aanwijzingsbesluit daarvan onderdeel uitmaakt, is De Wieden aangewezen als SBZ vanwege de aanwezigheid van plassen, uitgestrekte moerassen en omringende graslanden die als geheel het leefgebied vormen van een aantal in artikel 4 van de Vogelrichtlijn bedoelde vogelsoorten. Het is een watergebied dat het leefgebied vormt van soorten in Bijlage 1 bij de Vogelrichtlijn als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Vogelrichtlijn en tevens fungeert als broedgebied, overwinteringsgebied en rustplaats in de trekzone van andere trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Vogelrichtlijn, aldus paragraaf 3 van de Nota van toelichting, voor zover hier van belang.

De Wieden kwalificeert als SBZ onder de Vogelrichtlijn vanwege het voorkomen van belangrijke aantallen van diverse soorten broedende en niet-broedende vogels. In de eerste plaats behoort het gebied tot één van de vijf belangrijkste broedgebieden of pleisterplaatsen voor roerdomp, nonnetje en zwarte stern in Nederland, die zijn opgenomen in Bijlage 1 bij de Vogelrichtlijn. Ten tweede herbergt het gebied een drempeloverschrijdende broedkolonie van de aalscholver en drempeloverschrijdende aantallen van de kleine zwaan, die is opgenomen in Bijlage 1 bij de Vogelrichtlijn, kolgans, grauwe gans en nonnetje. Andere soorten van Bijlage 1 waarvoor het gebied van betekenis is, zijn de broedvogels purperreiger, bruine kiekendief en porseleinhoen. Purperreiger, bruine kiekendief en zwarte stern, die nestelen in de moerassen en oevers van SBZ De Wieden, zoeken hun voedsel in het moerasgebied en wijde omgeving, waaronder de graslandpolders, aldus paragraaf 4 van de Nota van toelichting, voor zover hier van belang.

Beleid en beheer van de SBZ De Wieden zijn in het algemeen gericht op de instandhouding en ontwikkeling van de vogelkundige waarden van het gebied zoals beschreven in paragraaf 3 en 4, aldus de Nota van toelichting.

2.6.1. Gelet op artikel V van de Wet van 20 januari 2005 tot wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 in verband met Europeesrechtelijke verplichtingen geldt het aanwijzingsbesluit van De Wieden als SBZ in de zin van de Vogelrichtlijn als besluit in de zin van artikel 10a van de Nbw 1998.

Ingevolge artikel 19j, eerste en tweede lid, van de Nbw 1998, voor zover hier van belang, behoeft een besluit tot het vaststellen van een plan dat gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor een op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in het aangewezen gebied kan verslechteren of een verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, de goedkeuring van gedeputeerde staten. Ingevolge artikel 2, eerste lid, voor zover hier van belang, wordt onder gedeputeerde staten verstaan gedeputeerde staten van de provincie waarin gebieden als bedoeld in artikel 10a geheel of grotendeels zijn gelegen.

Ingevolge artikel 19j, derde lid, voor zover hier van belang, zijn bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan als bedoeld in het eerste lid de artikelen 19e, 19f, 19g en 19h van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 19f, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 19j, derde lid, wordt bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan als bedoeld in artikel 19j, eerste lid, dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied, maar dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen, projecten of handelingen, significante gevolgen kan hebben voor het desbetreffende gebied, een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied, alvorens het besluit tot vaststelling wordt genomen.

2.7. Het gebied Wieden is door de Europese Commissie geplaatst op de lijst van gebieden van communautair belang als bedoeld in artikel 4, tweede lid, derde alinea, van de Habitatrichtlijn, die op 7 december 2004 is vastgesteld. Uit artikel 4, vijfde lid, van de Habitatrichtlijn vloeit voort dat het beschermingsregime van artikel 6, derde lid, voor het gebied geldt.

Ingevolge artikel 6, derde lid, voor zover hier van belang, wordt voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied.

2.7.1. Het Habitatrichtlijngebied Wieden is vooralsnog niet aangewezen in de zin van artikel 10a van de Nbw 1998. Evenmin is het gebied op grond van artikel 12 van deze wet aangewezen. Hieruit volgt dat artikel 19j van de Nbw 1998 in zoverre niet voor het Habitatrichtlijngebied geldt. Niet gebleken is dat op het vaststellen van een plan als bedoeld in artikel 19j van de Nbw 1998 anderszins algemeen verbindende voorschriften van toepassing zijn die bedoeld zijn als implementatie van de uit artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn voortvloeiende verplichtingen. Nu het beroep mede betrekking heeft op de mogelijke aantasting van de door de Habitatrichtlijn beschermde habitats en soorten, dient te worden bezien op welke wijze artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn in deze zaak kan worden toegepast.

Zoals de Afdeling op grond van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 31 maart 2000, in zaak nr. E01.97.0178 (AB 2000, 302), moet, alvorens wordt toegekomen aan de vraag of een artikel van de Habitatrichtlijn rechtstreekse werking heeft, worden nagegaan of het van toepassing zijnde nationale recht richtlijnconform kan worden geïnterpreteerd. In dit geval gaat het om een gebied dat niet alleen op de lijst van gebieden van communautair belang is opgenomen, maar tevens is aangewezen als speciale beschermingszone op basis van de Vogelrichtlijn. Deze aanwijzing geldt als een aanwijzing in de zin van artikel 10a van de Nbw 1998, zodat artikel 19j van toepassing is op het Vogelrichtlijngebied De Wieden. De Afdeling ziet geen beletsel artikel 19j van de Nbw 1998 richtlijnconform uit te leggen in die zin dat dit voorschrift tevens het uit artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn voortvloeiende beschermingsregime voor het Habitatrichtlijngebied omvat.

2.8. Uit het bovengenoemde toetsingskader volgt dat, indien het plan de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in SBZ De Wieden en Habitatrichtlijngebied Wieden kan verslechteren of een verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor deze gebieden zijn aangewezen, ingevolge artikel 19j, derde lid, van de Nbw 1998 bij de vaststelling van het plan de artikelen 19e, 19f, 19g en 19h van overeenkomstige toepassing zijn, zodat de zogenoemde habitattoets vóór de vaststelling van het plan moet worden uitgevoerd. In het kader van het besluit omtrent goedkeuring op grond van de WRO dient het college vervolgens te bezien of bij de vaststelling van het plan artikel 19j, derde lid, in acht is genomen. Daarnaast dient het college, nu SBZ De Wieden en Habitatrichtlijngebied Wieden grotendeels in de provincie Overijssel zijn gelegen, op grond van artikel 2, eerste lid, in samenhang met artikel 19j, eerste en tweede lid, van de Nbw 1998 te beslissen omtrent de goedkeuring van het plan. Daarbij diende het college tevens te bezien of bij de totstandkoming van het plan artikel 19j, derde lid, van de Nbw 1998 in acht is genomen.

De artikelen 19e, 19f, 19g en 19h van de Nbw 1998 vormen onder meer een implementatie van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Mede gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, zoals verwoord in zijn arrest van 7 september 2004 in zaak C-127/02 (AB 2004, 365), houdt toepassing van artikel 19j, derde lid, van de Nbw 1998 derhalve in dit geval in dat de raad het plan zonder passende beoordeling heeft kunnen vaststellen als op grond van objectieve gegevens is uitgesloten dat het plan significante gevolgen heeft voor SBZ De Wieden en Habitatrichtlijngebied Wieden. In dat geval heeft het college goedkeuring aan het bestemmingsplan kunnen verlenen.

2.9. Nu ten behoeve van het plan de rapporten "Quickscan natuurwaarden De Schans, Steenwijk" van Oranjewoud van 21 maart 2005 en "Aanvullend ecologisch onderzoek De Schans, Steenwijk" van Ecogroen Advies van 23 oktober 2006 zijn uitgebracht, gaat de Afdeling ervan uit dat het college en de raad zich op het standpunt hebben gesteld dat het plan, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor SBZ De Wieden en Habitatrichtlijngebied Wieden, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de aangewezen gebieden kan verslechteren of een verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen als bedoeld in artikel 19j, eerste lid, van de Nbw 1998. Dit brengt mee dat ingevolge artikel 19j, derde lid, vóór de vaststelling van het plan de zogeheten habitattoets diende te worden uitgevoerd en dat het college tevens diende te besluiten omtrent goedkeuring van het plan in de zin van artikel 19j, eerste lid. In een geval als het onderhavige, waarbij het plan zowel goedkeuring op grond van de WRO als op grond van de Nbw 1998 behoeft van hetzelfde bestuursorgaan, is de Afdeling, gezien de verknochtheid tussen beide goedkeuringsvereisten, van oordeel dat het goedkeuringsvereiste op grond van de Nbw 1998 opgaat in het voorliggende besluit omtrent goedkeuring op grond van de WRO.

2.10. In het rapport "Quickscan natuurwaarden De Schans, Steenwijk" is het volgende opgenomen:

"De nieuwbouwlocatie heeft geen of een zeer beperkte ecologische relatie met het Habitat- en Vogelrichtlijngebied 'De Wieden'. De nieuwbouwlocatie bestaat uit een deel van een heuvel. De hoogte van het projectgebied varieert van N.A.P. 2,5-7,5 m, terwijl het richtlijngebied zich in een laagte bevindt (nabij projectgebied N.A.P. -0,3m). Het projectgebied en de directe omgeving zal naar verwachting een deel van het infiltratiegebied zijn voor het kwelgebied 'De Wieden'. In verhouding met het totale laagveengebied 'De Wieden' en de hoogte van het projectgebied vormt de nieuwbouwlocatie slechts een klein deel van het inzijggebied. Indien in de nieuwbouwwijk het gebiedseigen water wordt vastgehouden, zal er geen negatief effect zijn op de kenmerkende waarden van SBZ De Wieden.

Circa 1.000 m ten zuidwesten van de beoogde nieuwbouwlocatie begint het richtlijngebied. Dit betrekkelijk dichtbij gelegen deel van het gebied is slecht toegankelijk. Het is een rustig gebied dat waardevol is voor verschillende moerasvogels, waarvoor het gebied o.a. is aangewezen. De slechte toegankelijkheid blijft gehandhaafd. Door de afstand zijn geen verstoringen door geluid of licht te verwachten. Door de ontwikkeling van de nieuwbouwwijk zijn daarom geen (significant) negatieve effecten op het richtlijngebied te verwachten.

[…]

De nieuwbouwlocatie bevindt zich minimaal 1.000 m vanaf de grenzen van het richtlijngebied. Mogelijk dat er op beperkte schaal een hydrologische relatie bestaat tussen het projectgebied en het richtlijngebied. De invloed van de (verharding van de) nieuwbouwlocatie is echter te beperkt van omvang om significant te zijn voor de waarden waarvoor het gebied is aangewezen. De invloed zal tot nihil gereduceerd worden als in de nieuwe woonwijk het gebiedseigen water zoveel mogelijk wordt vastgehouden. […]

In dit geval is geen 'passende beoordeling' in het kader van de Habitat- en Vogelrichtlijn nodig."

2.11. In het rapport "Aanvullend ecologisch onderzoek De Schans, Steenwijk" is het volgende opgenomen:

"Gezien de afstand van het plangebied tot het habitatrichtlijngebied en de aard van de ingreep, kan gesteld worden dat als gevolg van de plannen geen effecten op de kwalificerende habitats zullen optreden. Op basis van de terreingesteldheid en het uitgevoerde veldonderzoek in het plangebied (waarbij geen kwalificerende soorten zijn aangetroffen), worden eveneens geen effecten op kwalificerende soorten verondersteld.

[…]

De omliggende gronden rond het Vogelrichtlijngebied worden door Kolgans, Kleine zwaan en Grauwe gans gebruikt als foerageergebied. Als een belangrijk foerageergebied voor kwalificerende vogelsoorten wordt aangetast - ook al ligt dit buiten de grenzen van het Natura 2000-gebied - kan er sprake zijn van een externe werking met negatieve effecten. Gezien de terreingesteldheid is het plangebied echter niet geschikt als broed- en/of foerageergebied voor genoemde vogelsoorten - mede gezien de ligging in de nabijheid van infrastructuur, bebouwing en opgaande groenstructuren. Ook worden geen uitstralende effecten verwacht gezien de afstand van 900 meter."

2.12. In reactie op de naar voren gebrachte zienswijzen over het ontwerpplan heeft de raad gesteld dat de toekomstige situatie wat betreft de afwatering van hemelwater niet veel zal veranderen ten opzichte van de bestaande situatie. Het hemelwater dat op tuinen, infrastructuur en groenzones valt, zal op natuurlijke wijze infiltreren in de bodem, terwijl de neerslag die op dakvlakken valt naar de in het plan voorziene groenzones zal worden gebracht om ter plaatse te infiltreren. Vanwege de samenstelling van de bodem is de huidige doorlatendheid ervan niet zeer groot. Wanneer in korte tijd veel neerslag valt, infiltreert het water niet, maar stroomt het af. Dit zal in de toekomst niet anders zijn. Via de groenzones zal het water naar de lagere zone langs de Schansweg worden gebracht, aldus de raad in het besluit tot vaststelling van het plan.

2.13. Op basis van de voornoemde rapporten heeft het college zich met de raad op het standpunt gesteld dat geen passende beoordeling behoefde te worden gemaakt, omdat het plan naar verwachting geen significante negatieve gevolgen heeft voor SBZ De Wieden en Habitatrichtlijngebied Wieden. Wat betreft de waterhuishouding komt dit door de afstand van deze gebieden tot het plangebied en door de toepassing van een zogeheten verbeterd gescheiden rioolstelsel, waarbij schoon hemelwater via infiltratie wordt teruggebracht in de bodem. Door de aanwezigheid van een ondoorlaatbare leemlaag in de bodem zijn de mogelijkheden om te infiltreren beperkt. Het water dat niet geïnfiltreerd kan worden, zal via watergangen worden afgevoerd als stedelijk water richting de zuivering. Met het verbeterd gescheiden rioolstelsel wordt voldoende gewaarborgd dat geen vervuild water uit het plangebied in het watersysteem van SBZ De Wieden en Habitatrichtlijngebied Wieden komt, aldus het college in het goedkeuringsbesluit.

2.14. Volgens het deskundigenbericht van 21 februari 2008 ontbreken in het rapport "Quickscan natuurwaarden De Schans, Steenwijk" enkele gegevens die de conclusies ervan moeten onderbouwen. Zo is niet duidelijk hoe groot het totale infiltratiegebied voor SBZ De Wieden en Habitatrichtlijngebied Wieden is en welke functie het plangebied daarbij heeft. Verder is niet duidelijk gemaakt hoe de waterstromen vanuit het plangebied lopen in de richting van (delen van) SBZ De Wieden en Habitatrichtlijngebied Wieden en hoe deze van invloed zijn op de waterstand aldaar. Volgens de deskundige kan daarom niet zonder meer gesteld worden dat als in het plangebied het gebiedseigen water wordt vastgehouden, geen negatief effect op de waarden van SBZ De Wieden en Habitatrichtlijngebied Wieden is te verwachten.

2.15. In zijn zienswijze op het deskundigenbericht van 21 februari 2008 verwijst de raad naar een notitie vanwege het waterschap Reest en Wieden. Daarin wordt opgemerkt dat de hoogwaterbufferzone in het noorden van SBZ De Wieden en Habitatrichtlijngebied Wieden via een gemaal permanent wordt gevoed door kwelwater uit de polder Zuidveen, dat afkomstig is van het regionale grondwatersysteem. Volgens het waterschap is er geen hydrologische grondwaterrelatie met het plangebied.

2.16. Het college heeft in reactie op het deskundigenbericht van 21 februari 2008 het rapport "Hydrologische Systeemanalyse Noordwest Overijssel" van het Instituut voor Grondwater en Geo-energie TNO van februari 1994 (hierna: TNO-rapport) ingebracht. Niet in geschil is dat dit rapport niet kan worden aangemerkt als een passende beoordeling van de gevolgen van het plan voor SBZ De Wieden en Habitatrichtlijngebied Wieden.

2.17. In het deskundigenbericht van 17 september 2008 wordt aan de hand van het TNO-rapport vastgesteld dat het plangebied en de aangrenzende polder Zuidveen op regionale schaal deel uitmaken van hetzelfde geohydrologische systeem, het zogeheten Uffelte-systeem. De polder Zuidveen is een permanent kwelgebied. De kwel in dit gebied is afkomstig van de wegzijgingsgebieden in de tak Steenwijker Aa binnen het Uffelte-systeem, waarvan het plangebied deel uitmaakt. De kwel die in het oppervlaktewater in de polder Zuidveen terecht komt, wordt via een gemaal uitgeslagen in de hoogwaterbufferzone in het noorden van SBZ De Wieden en Habitatrichtlijngebied Wieden.

De neerslag in het plangebied die niet door de maaiveldgradiënt in noordelijke richting wordt afgevoerd, alwaar deze aan de noordzijde van het plangebied kan infiltreren, wordt in de huidige situatie, voor zover de deels aanwezige keileemlaag in de bodem ondoorlaatbaar is, via de toplaag als bodemwater in de richting van de polder Zuidveen afgevoerd. Volgens het deskundigenbericht is het aannemelijk dat een deel van het bodemwater in de polder Zuidveen als kwelwater terecht komt in het oppervlaktewater.

Samenvattend stelt de deskundige aan de hand van het TNO-rapport vast dat het plangebied een directe geohydrologische relatie heeft met de polder Zuidveen en een indirecte relatie heeft met SBZ De Wieden en Habitatrichtlijngebied Wieden.

2.18. Niet in geschil is dat de waterhuishouding van wezenlijk belang is voor de habitattypen waarvoor het gebied Wieden kwalificeert als speciale beschermingszone in de zin van de Habitatrichtlijn. Vanwege de aanwezigheid van plassen, uitgestrekte moerassen en omringende graslanden, die als geheel het leefgebied vormen van een aantal in artikel 4 van de Vogelrichtlijn bedoelde vogelsoorten, is dit gebied tevens aangewezen als SBZ in de zin van de Vogelrichtlijn.

Uit het op dit punt niet weersproken deskundigenbericht van 17 september 2008 kan worden afgeleid dat de vorenbedoelde geohydrologische relatie tussen het plangebied en de polder Zuidveen ten gevolge van het plan nagenoeg wordt doorbroken, doordat het water dat in de huidige situatie via de toplaag van de bodem in de richting van de polder Zuidveen wordt afgevoerd, in de nieuwe situatie zal worden afgevangen door de sloot die aan de zuidzijde van het plangebied is voorzien. Voorts worden de huidige mogelijkheden voor infiltratie van hemelwater ten gevolge van het plan beperkt tot de gebieden waar zogeheten wadi's zijn voorzien. In het licht van deze omstandigheden lag het op de weg van de raad om inzicht te verschaffen in de huidige mogelijkheden tot infiltratie van hemelwater in de bodem van het plangebied, waaronder inzicht in de locaties waar keileemlagen in de bodem aanwezig zijn, de lokale geohydrologische relatie tussen het plangebied en de polder Zuidveen en de indirecte relatie tussen het plangebied en SBZ De Wieden en Habitatrichtlijngebied Wieden, alsmede de ontwikkelingen binnen het Uffelte-systeem die zich na het uitbrengen van het TNO-rapport hebben voorgedaan en die van invloed zijn geweest op de waterhuishouding. Gelet hierop heeft de raad zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat op grond van objectieve gegevens is uitgesloten dat het plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen, projecten of handelingen, significante gevolgen heeft voor SBZ De Wieden en Habitatrichtlijngebied Wieden. Onder deze omstandigheden was de raad gehouden een passende beoordeling te maken van de gevolgen van het plan voor deze gebieden. Nu de raad dit heeft nagelaten, is het plan vastgesteld in strijd met artikel 19j, derde lid, van de Nbw 1998. Door het plan niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel en met artikel 19j, eerste lid, van de Nbw 1998 in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. De beroepen zijn gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Uit het voorgaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan het plan. Gelet op de aard van het gebrek behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.

2.19. Ten aanzien van [appellant sub 1] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Wat betreft [appellanten sub 2], de Stichting en anderen, [appellanten sub 4] en [appellant sub 5] dient het college op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van Stichting Behoud De Kamp en anderen niet-ontvankelijk, voor zover het is ingesteld door [partijen];

II. verklaart de beroepen, voor zover ontvankelijk, gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Overijssel van 19 juni 2007, kenmerk 2007/0409486;

IV. onthoudt goedkeuring aan het bestemmingsplan "Steenwijk De Schans", zoals dat bij besluit van 23 januari 2007 is vastgesteld door de raad van de gemeente Steenwijkerland;

V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 19 juni 2007, kenmerk 2007/0409486;

VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Overijssel tot vergoeding van bij [appellanten sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 83,76 (zegge: drieëntachtig euro en zesenzeventig cent); het dient door de provincie Overijssel aan [appellanten sub 2] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Overijssel tot vergoeding van bij Stichting Behoud De Kamp en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 96,96 (zegge: zesennegentig euro en zesennegentig cent); het dient door de provincie Overijssel aan Stichting Behoud De Kamp en anderen onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Overijssel tot vergoeding van bij [appellanten sub 4] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 41,88 (zegge: eenenveertig euro en achtentachtig cent); het dient door de provincie Overijssel aan [appellanten sub 4] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Overijssel tot vergoeding van bij [appellant sub 5] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 83,76 (zegge: drieëntachtig euro en zesenzeventig cent); het dient door de provincie Overijssel aan [appellant sub 5] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VII. gelast dat de provincie Overijssel aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:

- € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) voor [appellant sub 1];

- € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) voor [appellanten sub 2], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

- € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) voor Stichting Behoud De Kamp en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

- € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) voor [appellanten sub 4], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

- € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) voor [appellant sub 5].

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.M. van der Heijden, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Van der Heijden

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2008

516.