Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BG8302

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2008
Datum publicatie
24-12-2008
Zaaknummer
200803125/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 april 2008, nummer 1335938, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Werkendam (hierna: de raad) bij besluit van 25 september 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Partiële herziening centrum Werkendam, locatie Amerscamp 10-12".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803125/1.

Datum uitspraak: 24 december 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 april 2008, nummer 1335938, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Werkendam (hierna: de raad) bij besluit van 25 september 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Partiële herziening centrum Werkendam, locatie Amerscamp 10-12".

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 april 2008, en [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 mei 2008, beroep ingesteld. [appellanten sub 2] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 25 juni 2008.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de stichting Stichting Vermogensbeheer Hersteld Hervormde Gemeente te Werkendam (hierna: de Stichting) een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Deze is aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 oktober 2008, waar [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2], bijgestaan door mr. P.S. Jonkers, advocaat te Breda, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting de raad, vertegenwoordigd door J. van den Berg, ambtenaar in dienst van de gemeente, als partij, en de Stichting, vertegenwoordigd door mr. L. Alberts, advocaat te Dordrecht, als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in de realisatie van een kerkgebouw op de locatie Amerscamp 10-12 te Werkendam. [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] wonen in de directe omgeving van deze locatie.

2.2. De raad heeft erop gewezen dat het beroep van [appellanten sub 2] niet-ontvankelijk moet worden verklaard voor zover zij in hun beroepschrift betogen dat de noodzaak van het voorziene kerkgebouw niet is aangetoond en dat de kerk mogelijk geluidsoverlast zal veroorzaken, omdat zij dit niet eerder hebben aangevoerd. In dit verband overweegt de Afdeling het volgende.

[appellanten sub 2] hebben zienswijzen en bedenkingen ingebracht ten aanzien van het plandeel met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden (M)" en de aanduiding 'kerk (k)' dat betrekking heeft op de gronden aan de Amerscamp 10-12 te Werkendam. Het beroep van [appellanten sub 2] heeft geheel betrekking op dit plandeel. Nadere argumenten ter onderbouwing van wat in de zienswijzen en bedenkingen naar voren is gebracht inzake de bestreden plandelen, voorschriften of aanduidingen kunnen in iedere fase van de procedure naar voren worden gebracht. In de fase van beroep bij de Afdeling kunnen derhalve argumenten worden aangevoerd die nieuw zijn ten opzichte van die in de zienswijze- en bedenkingenfase, tenzij een goede procesorde met zich brengt dat deze buiten beschouwing moeten worden gelaten. Voor dit laatste ziet de Afdeling in dit concrete geval geen aanleiding. Het beroep is dan ook geheel ontvankelijk.

2.3. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.4. Ter zitting hebben [appellanten sub 2] de beroepsgrond over de te kleine afstand van de kerk tot de perceelsgrens en de woning aan de [locatie 1] waardoor met name geen onderhoud aan de zijgevel van die woning zou kunnen worden verricht, ingetrokken.

2.5. De beroepen richten zich voor het overige tegen de goedkeuring van het plan dat de bouw en ingebruikname van het kerkgebouw mogelijk maakt. [appellanten sub 2] voeren onder meer aan dat niet voldoende is onderbouwd dat behoefte bestaat aan het kerkgebouw. Zij wijzen hierbij op de omstandigheid dat kerkbezoek in het algemeen terugloopt. Voorts is het tijdelijke onderkomen van de Hersteld Hervormde Gemeente Werkendam (hierna: HHG Werkendam) een modern kerkgebouw met voldoende ruimte, aldus [appellanten sub 2].

2.5.1. In haar nadere uiteenzetting heeft de Stichting toegelicht dat de HHG Werkendam gebruik zal gaan maken van het kerkgebouw. De HHG Werkendam houdt haar diensten in de huidige situatie op een tijdelijke locatie, in het kerkgebouw van een andere kerkelijke gemeente. Volgens de Stichting is het logistiek niet goed mogelijk om gezamenlijk van één kerkgebouw gebruik te maken omdat er voortdurend ruimtegebrek is. Voorts is het aantal leden van de HHG Werkendam sinds 1 mei 2004 met ruim 30% gegroeid, aldus de Stichting.

2.5.2. Tussen partijen is niet in geschil dat het kerkgebouw zal worden gebruikt door de HHG Werkendam. De Stichting is namens de HHG Werkendam uitgebreid ingegaan op de behoefte aan het kerkgebouw. Gelet op deze toelichting, zoals hiervoor onder 2.5.1. samengevat weergegeven, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de behoefte aan het kerkgebouw voldoende is aangetoond.

2.6. [appellanten sub 2] voeren voorts aan dat het uitzicht vanuit de dakkapel van de woning aan de [locatie 1] zal worden beperkt door de voor het kerkgebouw toegestane bouwhoogten.

2.6.1. Het plan voorziet voor de gronden aan de Amerscamp 10-12 in de bestemming "Maatschappelijke doeleinden (M)" en de aanduiding 'kerk (k)'. Het voorziene gebouw is georiënteerd op de Amerscamp. Aan de achterzijde van het perceel ligt de Keizerstraat.

[appellanten sub 1] wonen aan de [locatie 2]. De woningen van [appellanten sub 2] liggen aan de [locatie 1] en de [locatie 3].

2.6.2. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften, zijn de gronden die op de plankaart zijn aangewezen voor "Maatschappelijke doeleinden (M)" met de aanduiding 'kerk (k)', bestemd voor een kerk overeenkomstig de op de plankaart opgenomen aanduiding.

Ingevolge artikel 4, derde lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, gelden voor het bouwen van gebouwen de aanduidingen op de plankaart, alsmede de bepaling dat geen bebouwing is toegestaan ter plaatse van de op de plankaart opgenomen aanduiding 'zone onbebouwd'.

2.6.3. Voor het voorste gedeelte van het bouwvlak, tot aan de hoogtescheidingslijn, is een maximale goothoogte van 5,5 meter en een maximale bouwhoogte van 12 meter voorzien. Voor het achterste gedeelte van het bouwvlak voorziet het plan in een maximale goot- en bouwhoogte van 3,5 meter.

Ingevolge het vorige plan was voor het voorste gedeelte van het perceel een maximale goothoogte van 10 meter toegestaan. Hierbij voorzag het plan in een maximale dakhelling. Voor het achterste gedeelte gold in het vorige plan een maximale goothoogte van 3,5 meter en een maximale bouwhoogte van 7 meter.

2.6.4. De Afdeling stelt vast dat de in het plan voorziene bebouwingsmogelijkheden geen hogere bebouwing toelaten dan het vorige plan. Gelet hierop en op het feit dat het perceel waarop het kerkgebouw is voorzien in het centrum van Werkendam ligt, heeft het college in hetgeen [appellanten sub 2] over het uitzicht hebben aangevoerd in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om aan het plan goedkeuring te onthouden.

2.7. [appellanten sub 2] voeren verder aan dat de aanwezige parkeergelegenheid al bijna volledig wordt benut, dat kerkbezoekers in Werkendam vaker dan gemiddeld met de auto naar de kerk gaan en dat de doorgaande route door het autoverkeer te zwaar zal worden belast.

[appellanten sub 1] stellen in dit verband dat hun rust en privacy zullen worden verstoord door het fietsverkeer van en naar de kerk en dat zij overlast zullen ondervinden van fout geparkeerde fietsen. Hierbij wijzen zij erop dat ook op andere dagen dan zondag diverse soorten bijeenkomsten in de kerk zullen worden gehouden.

2.7.1. Het college heeft geconstateerd dat het plangebied voorheen in gebruik was voor een school, winkels en woondoeleinden. Het stelt zich op het standpunt dat voor zover sprake zal zijn van enige overlast door verkeer, dit onvermijdelijk is in het centrum van een kern. In het centrum zijn in het algemeen juist maatschappelijke voorzieningen gevestigd. Dit brengt verkeers- en parkeerbewegingen met zich, aldus het college.

2.7.2. In paragraaf 3.1.1 van de plantoelichting is vermeld dat in de voorziene situatie een etmaalintensiteit van 168 motorvoertuigbewegingen (hierna: m.v.t.) te verwachten is. Hierbij zijn verschillende factoren in aanmerking genomen, waaronder het gemiddelde aantal kerkgangers, het percentage kerkgangers dat met de auto komt, het aantal erediensten per dag en het maximaal aantal zitplaatsen in het gebouw.

De Afdeling stelt vast dat er twee aanvoerroutes zijn richting de parkeergelegenheid op het Plein. Op pagina 13 van de plantoelichting is vermeld dat deze routes zijn ingericht om een etmaalintensiteit van meer dan 5000 m.v.t. te kunnen verwerken.

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat door de voorziene toename van de etmaalintensiteit geen verkeersonveilige situaties zullen ontstaan.

2.7.3. In paragraaf 3.1.2 van de plantoelichting is vermeld dat bij het bepalen van de parkeerbehoefte de parkeernormen van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (hierna: CROW) zijn gebruikt. Voorts is daarin vermeld dat uit de CROW-normen blijkt dat, uitgaande van een maximaal aantal zitplaatsen van 275, voor de onderhavige ontwikkeling 55 parkeerplaatsen nodig zijn. De nabijgelegen parkeerplaats op het Plein heeft een capaciteit van 84 plaatsen. Uit het Parkeeronderzoek Werkendam uit 2005 blijkt dat de parkeerplaats op donderdag een gemiddelde bezetting heeft van 34%, hierbij zijn 55 parkeerplaatsen beschikbaar, en dat de parkeerplaats op zaterdag maximaal wordt gebruikt. Op zondag is het gebruik minimaal. De winkels zijn dan niet geopend en de parkeerplaats wordt dan gebruikt door bewoners en hun bezoekers. Op zondagen staan gemiddeld 20 auto's geparkeerd op het Plein.

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in de directe omgeving voldoende parkeergelegenheid beschikbaar is.

2.7.4. In paragraaf 3.1.2 is voorts vermeld dat voor het kerkgebouw op grond van de CROW-normen 28 fietsparkeerplaatsen nodig zijn. Deze plaatsen moeten binnen het plangebied gerealiseerd worden. In de plantoelichting is vermeld dat daarom zowel aan de voor- als aan de achterzijde rekening is gehouden met stallingruimte voor de fiets.

De Afdeling stelt vast dat aan de Keizerstraat een ingang voor de kerk zal worden gerealiseerd. De hoofdingang zal worden gerealiseerd aan de Amerscamp. In haar nadere uiteenzetting heeft de Stichting naar voren gebracht dat uit tellingen blijkt dat gemiddeld 16 personen met de fiets komen. In het geval van doordeweekse bijeenkomsten zal het gaan om groepen met een maximale omvang van 15 personen, aldus de Stichting. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het gebruik van het kerkgebouw de rust en privacy van [appellanten sub 1] niet onevenredig zal aantasten. Voorts overweegt de Afdeling dat uit de plantoelichting naar voren komt dat de voorziene fietsenstallingen ruimschoots in de behoefte zullen voorzien. [appellanten sub 1] hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze voorzieningen niet zullen voldoen. Het college heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan geen onevenredige fietsparkeeroverlast tot gevolg zal hebben.

2.8. Voorts brengen [appellanten sub 1] naar voren dat door de ontwikkeling van de kerk hun huis in waarde zal dalen.

De Afdeling overweegt hierover dat geen grond bestaat voor de verwachting dat een eventuele waardevermindering zodanig zal zijn dat het college bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

2.9. [appellanten sub 2] brengen ten slotte naar voren dat uit het plan niet blijkt of voldoende maatregelen zullen worden getroffen om geluidsoverlast te voorkomen. Hierbij wijzen zij op het door hen naar voren gebrachte geluidsonderzoek.

2.9.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het gemeentebestuur aan het aspect geluid voldoende aandacht heeft besteed.

2.9.2. De Afdeling stelt voorop dat ingevolge artikel 2.18, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, voor zover hier van belang, het geluid in verband met het houden van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten bij het bepalen van de geluidsniveaus buiten beschouwing blijft.

In paragraaf 3.3 van de plantoelichting is vermeld dat het college van burgemeester en wethouders en de Stichting gezamenlijk een verklaring hebben opgesteld ter voorkoming van eventuele geluidhinder als gevolg van de activiteiten in de kerk. Deze verklaring houdt in dat indien uit de resultaten van een akoestisch rekenmodel blijkt dat de maximale geluidswaarden op de gevels van de belendende woningen dreigen te worden overschreden, de Stichting (bouwkundige) aanpassingen zal treffen zodat de maximale geluidswaarden niet zullen worden overschreden. In zijn schriftelijke uiteenzetting heeft de raad nog toegelicht dat deze afspraak op 25 juni 2007 schriftelijk is vastgelegd en dat de toetsing zal plaatsvinden bij de beoordeling van de aanvraag voor een bouwvergunning voor het kerkgebouw.

In haar nadere uiteenzetting heeft de Stichting nog verwezen naar het akoestisch onderzoek van Raadgevend ingenieursbureau Metz B.V. van 11 januari 2008. Uit dit onderzoek blijkt dat wanneer het dak en de dakvensters van het kerkgebouw met de aanbevolen isolerende materialen worden uitgevoerd, de geluidsbelasting op de gevels van de belendende woningen ten hoogste 34 dB(A) in de dagperiode en 38 dB(A) in de nachtperiode bedraagt. In haar nadere uiteenzetting heeft de Stichting vermeld dat zij de aanbevolen bouwkundige maatregelen zal overnemen. Mede gelet op het verhandelde ter zitting, waar deze toezeggingen door de vertegenwoordigers van de raad en de Stichting uitdrukkelijk zijn bevestigd, acht de Afdeling geen grond aanwezig om hieraan te twijfelen.

De Afdeling is van oordeel dat het college in hetgeen [appellanten sub 2] op dit punt naar voren hebben gebracht in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven zien om aan het plan goedkeuring te onthouden.

2.10. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen zijn ongegrond.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Broodman, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Broodman

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2008

204-545.