Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BG8297

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2008
Datum publicatie
24-12-2008
Zaaknummer
200803245/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juli 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Delft (hierna: het college) het door [appellante] gemaakte bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar verzoek van 10 mei 1998 om wijziging van de op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) rustende bestemming, niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803245/1.

Datum uitspraak: 24 december 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/6166 van de rechtbank 's-Gravenhage van 17 maart 2008 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Delft.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 juli 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Delft (hierna: het college) het door [appellante] gemaakte bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar verzoek van 10 mei 1998 om wijziging van de op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) rustende bestemming, niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 17 maart 2008, verzonden op 18 maart 2008, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellante] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 20 juli 2006 vernietigd, het bezwaar van [appellante] tegen de weigering te beslissen op haar verzoek van 10 mei 1998 niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 april 2008, hoger beroep ingesteld.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 november 2008, waar [appellante] en het college, vertegenwoordigd door W.M. van den Berg en M.G.O. de Lange, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het hoger beroep beperkt zich tot de vraag of de rechtbank het bezwaar van [appellante] tegen het niet tijdig nemen door het college van een besluit op haar verzoek van 10 mei 1998, terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. [appellante] betoogt dat de rechtbank dat ten onrechte heeft gedaan. Daartoe voert zij aan dat zij niet onredelijk laat bezwaar heeft gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar verzoek om wijziging van de op het perceel rustende bestemming, gelet op de omstandigheid dat zij sinds 1998 met de gemeente Delft overleg heeft gevoerd over het perceel en gelet op de omstandigheid dat haar vader in augustus 2005 in Iran is overleden en de periode daarvoor ernstig ziek is geweest.

2.1.1. Bij brief van 10 mei 1998 heeft [appellante] het college verzocht om gebruik te maken van zijn in de voorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan neergelegde bevoegdheid tot wijziging van de op het perceel rustende bestemming. Ter zitting is gebleken dat [appellante] een tot 1 december 1998 geldend recht van eerste koop had op het perceel, zodat zij belang had bij een spoedig besluit van het college op haar verzoek. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, heeft [appellante] eerst bij brief van 25 augustus 2005 bij het college bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een besluit op dit verzoek. Eerder, bij brief van 21 maart 2005, heeft [appellante] bij het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een besluit op dit verzoek. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij ook voor laatstgenoemde datum reeds bezwaar heeft gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar verzoek. Hoewel [appellante] met recht betoogt dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland haar bezwaar van 21 maart 2005 had behoren door te sturen naar het college, kan dit haar niet baten. Naar het oordeel van de Afdeling is [appellante] door eerst in 2005 bezwaar te maken tegen het uitblijven van een besluit, onredelijk laat opgekomen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat [appellante] de Commissie voor de beroep- en bezwaarschriften van de gemeente Delft bij brief van 25 november 2003 als volgt heeft bericht: "Wij vroegen eveneens een bestemmingsplanwijziging aan. Het antwoord van de gemeente was dat het niet paste in het bestemmingsplan en dat wij mede daarom geen vergunning zouden krijgen. Dat kan toch niet. De gemeente behoort uitleg te geven wat haar beweegredenen geweest zijn om ons verzoek niet te honoreren." Uit dit citaat blijkt dat [appellante] er op het moment van het schrijven van deze brief reeds vanuit ging dat het college haar verzoek om wijziging van de bestemming onbeantwoord zou laten. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [appellante] in de maanden na 25 november 2003 veelvuldig heeft gecorrespondeerd met het college. Niet valt in te zien dat zij in die periode geen bezwaar heeft kunnen maken tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar verzoek.

Nu [appellante] eerst in 2005 bezwaar heeft gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar verzoek, is dit bezwaar onredelijk laat ingediend. De rechtbank heeft het bezwaar van [appellante] van 25 augustus 2005 dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat in de omstandigheid dat de vader van [appellante] in augustus 2005 in Iran is overleden en de periode daarvoor ernstig ziek is geweest, geen grond kan worden gevonden voor het oordeel dat de onredelijk late indiening van het bezwaar verschoonbaar moet worden geacht. Op het moment waarop die omstandigheid zich voordeed, was de termijn waarbinnen [appellante] nog ontvankelijk kon opkomen tegen het uitblijven van een besluit reeds verstreken.

2.2. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. D. Roemers, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Soede

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2008

270-531.