Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BG8273

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2008
Datum publicatie
24-12-2008
Zaaknummer
200801411/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 januari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: het college) aan de gemeente Utrecht (hierna: de gemeente) vrijstelling verleend voor het reconstrueren van aan het verkeersknooppunt Majella gelegen gedeelten van de Vleutenseweg, de Thomas à Kempisweg en de Spinozaweg te Utrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200801411/1.

Datum uitspraak: 24 december 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellanten sub 1], beide gevestigd te [plaats],

2. de naamloze vennootschap Achmea Pensioen- en Levensverzekeringen N.V., gevestigd te Apeldoorn,

appellanten,

tegen de uitspraak in zaken nrs. 06/3040 en 06/3146 van de rechtbank Utrecht van 23 januari 2008 in het geding tussen:

[appellanten sub 1] en de naamloze vennootschap Achmea Pensioen- en Levensverzekeringen N.V.

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 januari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: het college) aan de gemeente Utrecht (hierna: de gemeente) vrijstelling verleend voor het reconstrueren van aan het verkeersknooppunt Majella gelegen gedeelten van de Vleutenseweg, de Thomas à Kempisweg en de Spinozaweg te Utrecht.

Bij besluit van 14 juli 2006 heeft het college de door onder meer [appellanten sub 1] en de naamloze vennootschap Achmea Pensioen- en Levensverzekeringen N.V. (hierna: Achmea) daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 januari 2008, verzonden op 25 januari 2008, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het door [appellanten sub 1] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard, het door Achmea daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 14 juli 2006 in zoverre vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 februari 2008, en Achmea bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 maart 2008, hoger beroep ingesteld.

[appellanten sub 1] en het college hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 november 2008, waar [appellanten sub 1], vertegenwoordigd door mr. P.H. Revermann en L. de Groot, en Achmea, vertegenwoordigd door mr. P.A.J.N. Damen, en het college en de gemeente, vertegenwoordigd door mr. R.J.G. Bäcker en mr. V.N. Mantel, beiden advocaat te Rotterdam, en A.H. Keyzer, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het project voorziet in de ontwikkeling van het gebied rond het verkeersknooppunt Majella en betreft een reconstructie van het wegprofiel waarbij een nieuwe verbindingsweg, een zogenoemde bypass, wordt aangelegd tussen de Vleutenseweg en de Thomas à Kempisweg. Ook wordt in dit gebied een nieuwe vrije busbaan aangelegd voor openbaar vervoer van en naar de wijk "Leidsche Rijn".

2.2. De reconstructie van het verkeersknooppunt Majella is in strijd met de ter plaatse geldende bestemmingsplannen. Om het project mogelijk te maken heeft het college krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling verleend.

2.3. [appellanten sub 1] en Achmea betogen dat de rechtbank ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling. Zij voeren daartoe in de eerste plaats aan dat als gevolg van het project in de omgeving van de door [appellanten sub 1] geëxploiteerde bouwmarkt een aanzienlijk aantal parkeerplaatsen zal verdwijnen.

2.3.1. Het college heeft zich in zijn besluit op bezwaar op het standpunt gesteld dat verwezenlijking van het project tot een optimale verbetering van de verkeersdoorstroming en de bereikbaarheid leidt. Daarbij heeft het college van belang geacht dat het behoud van voldoende parkeergelegenheid voor de bouwmarkt ook na verwezenlijking van het project genoegzaam gewaarborgd is. Het college heeft zich daarbij mede gebaseerd op het onderzoeksrapport van Grontmij ICTAdvies en Techniek B.V. van 3 februari 2004 (hierna: het rapport). Uit het rapport volgt dat ook na het als gevolg van de verwezenlijking van het project verdwijnen van 20 parkeerplaatsen in voldoende mate in de parkeerbehoefte van de bouwmarkt kan worden voorzien. Bovendien is een aantal aanvullende maatregelen genomen om de parkeerdruk in de directe omgeving van de bouwmarkt te verlagen, aldus het college.

2.3.2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het algemene belang dat gemoeid is met het project dient te prevaleren boven de belangen van [appellanten sub 1] en Achmea bij het behoud van het vóór de verwezenlijking van het project aanwezige aantal parkeerplaatsen. Daarbij heeft de rechtbank terecht van belang geacht dat [appellanten sub 1] en Achmea niet aannemelijk hebben gemaakt dat het rapport van 3 februari 2004 onjuist zou zijn of dat daaraan zodanige gebreken kleven dat het college het niet aan zijn besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. Weliswaar zal een deel van de bij de bouwmarkt gelegen parkeerplaatsen door realisering van het project verdwijnen, maar het college heeft gemotiveerd uiteengezet dat parkeergelegenheid vrij komt door het verdwijnen van een aantal functies ter plaatse, zoals het lang parkeren van vrachtwagens, en voorts dat in de omliggende woonstraten voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn. Anders dan [appellanten sub 1] en Achmea betogen, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat deze plaatsen geen reële parkeergelegenheid vormen voor bezoekers van de bouwmarkt. De afstand tussen de bouwmarkt en die parkeerplaatsen is niet dermate groot dat niet mag worden verwacht dat bezoekers van de bouwmarkt hun voertuigen daar zullen parkeren. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat voor het laden en lossen van goederen ruimte beschikbaar zal zijn bij de bouwmarkt.

2.4. Gelet op de betrokken belangen en de gevolgen van het vrijstellingsbesluit voor [appellanten sub 1] en Achmea heeft de rechtbank voorts terecht geoordeeld dat het college hen niet op voorhand een compensatie had behoren aan te bieden. Daarbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat [appellanten sub 1] tijdens de in het kader van de bezwaarprocedure gehouden hoorzitting ermee ingestemd hebben dat het college met betrekking tot de door hen beweerdelijk geleden schade een zelfstandig besluit neemt. Inmiddels heeft het college dat besluit genomen. De vraag of het college gebonden is aan het eerder door de gemeente gedane aanbod om de inrichting van de buitenruimte ter plaatse van de partiële sloop van een bedrijfspand voor haar rekening te nemen en eenmalig een bedrag van € 20.000,00 bij te dragen, kan in de op dat besluit betrekking hebbende procedure aan de orde worden gesteld.

2.5. [appellanten sub 1] en Achmea betogen tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het college na afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid geen vrijstelling heeft kunnen verlenen, nu alternatieve wijzen bestaan waarop het project verwezenlijkt kan worden met behoud van het huidige aantal parkeerplaatsen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college dient te beslissen omtrent het verlenen van vrijstelling aan het project, zoals daarvoor vrijstelling is aangevraagd. Indien een project op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. [appellanten sub 1] en Achmea hebben niet aannemelijk gemaakt dat dergelijke alternatieven bestaan. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het college zich in het besluit op bezwaar op het standpunt heeft gesteld dat de thans voorziene reconstructie binnen de bestaande openbare ruimte met inpassing van een toekomstig hoogwaardig openbaar vervoer-traject tot een optimale verbetering van de verkeersdoorstroming en de bereikbaarheid zal leiden. Een alternatief waarbij het bestaande parkeerterrein behouden zou worden, zou afbreuk doen aan de optimale benutting van de mogelijkheden die de openbare ruimte ter plaatse biedt om de noodzakelijk geachte verkeersverbetering door te kunnen voeren en zou tevens de stedenbouwkundige kwaliteit van het reconstructieplan aantasten, omdat dit onder meer ten koste zou gaan van de voorziene groenstroken, waarmee, aldus het college, een betere afscherming van de nabijgelegen flatgebouwen wordt beoogd. [appellanten sub 1] en Achmea hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit standpunt onjuist is. Daarbij is nog van belang dat de rechtbank, anders dan [appellanten sub 1] betogen, terecht heeft geoordeeld dat het door hen na heropening van het onderzoek overgelegde rapport "Herinrichting Majellaknooppunt" van AGV, Adviseurs in mobiliteit van april 2007 te laat is ingediend en derhalve buiten beschouwing moet worden gelaten. De rechtbank heeft het onderzoek heropend om [appellanten sub 1] en Achmea in de gelegenheid te stellen te reageren op door het college overgelegde stukken. Daarmee stond het hen niet vrij een nieuw rapport in te dienen dat op die stukken geen betrekking heeft.

2.6. Achmea betoogt ten slotte dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het besluit van 14 juli 2006 in stand heeft gelaten.

2.6.1. De rechtbank heeft het besluit van 14 juli 2006 vernietigd voor zover daarbij het door Achmea gemaakte bezwaar ongegrond is verklaard, omdat het college in strijd met het bepaalde in artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht Achmea niet heeft gehoord. De rechtbank heeft vervolgens de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit in stand gelaten, omdat Achmea zich in beroep geheel achter de betogen van [appellanten sub 1] heeft gesteld, waarvan volgens de rechtbank is vast komen te staan dat deze niet tot vernietiging van het besluit op bezwaar kunnen leiden.

2.6.2. Het betoog van Achmea faalt. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft Achmea zich in beroep gesteld achter hetgeen [appellanten sub 1] in beroep hebben aangevoerd. Voorts is van belang dat Achmea zich ook in de door haar op 6 december 2004 ingediende zienswijze en in haar bezwaarschrift van 24 februari 2006 volledig heeft gesteld achter hetgeen [appellanten sub 1] in respectievelijk hun zienswijze en hun bezwaarschrift hebben aangevoerd. [appellanten sub 1] zijn wel door het college gehoord. Gelet hierop zou het alsnog horen van Achmea niet tot een ander besluit leiden. De conclusie is dan ook dat de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit van 14 juli 2006 in stand heeft gelaten.

2.7. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. D.A.C. Slump en mr. W. Konijnenbelt, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Van Roessel

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2008

494-457.