Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BG8261

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2008
Datum publicatie
24-12-2008
Zaaknummer
200802770/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 mei 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vrijstelling verleend voor de bouw van twee woontorens met 176 appartementen aan de Wormerhoek 10-12 te Capelle aan den IJssel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200802770/1.

Datum uitspraak: 24 december 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats], en anderen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 maart 2008 in zaak nrs. 07/588/614/657/658/659 in het geding tussen:

[appellante] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 mei 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vrijstelling verleend voor de bouw van twee woontorens met 176 appartementen aan de Wormerhoek 10-12 te Capelle aan den IJssel.

Bij besluit van 4 mei 2006 heeft het college aan [vergunninghoudster] bouwvergunning verleend voor de bouw van de twee woontorens.

Bij besluit van 9 januari 2007 heeft het college het door [appellante] en anderen tegen die besluiten gemaakte bezwaren gedeeltelijk gegrond verklaard en de besluiten van 2 mei 2006 en 4 mei 2006, onder aanvulling van de motivering, in stand gelaten. Het college heeft daarbij aan het besluit van 2 mei 2006 een voorwaarde verbonden.

Bij besluit van 15 januari 2008 heeft het college het besluit op bezwaar aangevuld.

Bij uitspraak van 5 maart 2008, verzonden op 6 maart 2008, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het door [appellante] en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 9 januari 2007 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellante] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 april 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 26 mei 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[vergunninghoudster] heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

[appellante] en anderen, het college en [vergunninghoudster] hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 november 2008, waar [appellante] en anderen, vertegenwoordigd door mr. D.A. Cleton, vergezeld door T. van Diepen, werkzaam bij adviesbureau Peutz B.V., en het college, vertegenwoordigd door mr. B. Huizenaar en L. Verschoor, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, vergezeld door ir. E.A. Vermaas, werkzaam bij adviesbureau DGMR, en A.M. de Reuver, ambtenaar in dienst van de DCMR Milieudienst Rijnmond, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door mr. G.A. van der Veen en mr. A.S.D. Lijkwan, beiden advocaat te Rotterdam, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan "Oostgaarde 1999". Om de bouw van de twee woontorens mogelijk te maken heeft het college krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling verleend.

Bij het besluit van 9 januari 2007 heeft het college een voorwaarde aan de vrijstelling verbonden, luidende: "II. aan de vrijstelling verbinden wij het voorschrift dat afdoende (bron-)maatregelen worden getroffen ter voorkoming van overschrijding van de voor de inrichtingen op het terrein Wormerhoek geldende geluidsvoorschriften; deze maatregelen dienen voor de start van de bouw van de appartementen aan ons ter goedkeuring te worden voorgelegd en door ons te zijn goedgekeurd".

2.2. [appellante] en anderen betogen allereerst dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de voorwaarde aan de vrijstelling mocht verbinden.

2.2.1. Anders dan [appellante] en anderen betogen, is het aspect geluid planologisch relevant. Voorts wordt voldaan aan de in artikel 15, derde lid, van de WRO neergelegde eis dat voorwaarden slechts aan een vrijstelling mogen worden verbonden ter bescherming van de belangen, ten behoeve waarvan de bepalingen, waarvan vrijstelling wordt verleend, in het plan zijn opgenomen. De voorwaarde strekt tot bescherming van de bestemming "bedrijfsdoeleinden" die op een deel van de betrokken gronden rust. In zoverre heeft de rechtbank dan ook terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de voorwaarde niet aan de vrijstelling mocht worden verbonden. Voor zover [appellante] en anderen betogen dat ingevolge artikel 56 van de Woningwet aan een bouwvergunning slechts voorwaarden mogen worden verbonden waaraan het desbetreffende bouwwerk moet voldoen, faalt dat evenzeer, nu de voorwaarde niet is verbonden aan de bouwvergunning maar aan de vrijstelling.

Verder blijkt uit de bewoordingen van de voorwaarde en de daarop in het besluit op bezwaar gegeven toelichting voldoende duidelijk dat met de geluidvoorschriften die gelden voor de op het bedrijventerrein Wormerhoek gelegen inrichtingen, wordt gedoeld op de normen die bij algemene maatregel van bestuur krachtens de Wet milieubeheer zijn gesteld. In hetgeen door [appellante] is aangevoerd, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college niet mocht aansluiten bij die normen als het met de te treffen maatregelen te bereiken doel ter waarborging van een uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar geluidniveau. Daarbij is van belang dat de aan de vrijstelling verbonden voorwaarde is bedoeld om nadeel te compenseren dat bedrijven op het bedrijventerrein zullen ondervinden in hun legale bedrijfsvoering als gevolg van de bouw van de twee woontorens. Voor zover overschrijdingen van de geluidnormen worden veroorzaakt door zonder de benodigde vergunningen of in strijd met geldende voorschriften uitgeoefende activiteiten, zijn deze niet aan die torens toe te rekenen, zodat ze, anders dan [appellante] en anderen betogen, buiten de reikwijdte van de voorwaarde vallen. Van belang zijn slechts de normen waaraan de desbetreffende bedrijven vóór de realisering van de woontorens moesten voldoen en die waaraan zij daarna zullen moeten voldoen.

Voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat de voorwaarde niet uitvoerbaar is, bestaat geen grond, mede gezien de door het college overgelegde rapporten van adviesbureau DGMR, de DCMR Milieudienst Rijnmond en Wolf Dikken Adviseurs. Daarbij is verder van belang dat [vergunninghoudster], zijnde degene die de benodigde maatregelen moet treffen, heeft ingestemd met de door het college aan de vrijstelling verbonden voorwaarde en dat de eigenaren van de gebouwen waaraan voorzieningen moeten worden getroffen, uitdrukkelijk hun medewerking hebben toegezegd. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat eventuele onzekerheid omtrent het kunnen voldoen aan de voorwaarde een risico is voor [vergunninghoudster] Uit het besluit op bezwaar volgt dat de in de voorwaarde bedoelde maatregelen moeten zijn getroffen voordat de woontorens in gebruik worden genomen. Zolang die maatregelen niet zijn getroffen, mogen de woontorens niet voor woondoeleinden worden gebruikt.

Gezien het voorgaande heeft de rechtbank in hetgeen [appellante] en anderen hebben aangevoerd, terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college de voorwaarde niet aan de vrijstelling mocht verbinden. Het betoog faalt derhalve.

2.3. [appellante] en anderen betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte voorbij is gegaan aan de gevolgen van de uitstraling van de woontorens op de nabij gelegen ecologische verbindingszones en het Groene Hart.

2.3.1. In het rapport "176 appartementen Wormerhoek; ruimtelijke onderbouwing ex artikel 19, lid 2 WRO" (hierna: de ruimtelijke onderbouwing) heeft het college uiteengezet dat de nieuwe hoogbouw vanaf grote afstand zichtbaar en beeldbepalend zal zijn, maar dat de gematigde kleurstelling en de noord/oost-oriëntatie van de naar de groene omgeving gekeerde gevels het contrast met die omgeving niet te groot zullen maken. Het heeft er voorts op gewezen dat de bestaande hoogspanningsmasten, als niet natuurlijke elementen, ook duidelijke representanten van de stad zijn in het landschap en dat de torens vanuit het Hitlandgebied veel vaker niet of nauwelijks ervaren worden, doordat de vrij dichte begroeiing en beplantingsrichtingen in het gebied de vergezichten beperken. Verder heeft het college aangegeven dat de grens van het door bebouwing beïnvloede deel van de 's-Gravenweg nu daadwerkelijk komt te liggen op de plaats waar deze de bebouwde kom van Capelle aan den IJssel binnengaat.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college aldus de uitstraling van het bouwplan op het Hitlandgebied en het Groene Hart in voldoende mate heeft betrokken in de ruimtelijke onderbouwing. Voorts heeft zij er terecht op gewezen dat de bouwlocatie zelf geen deel uitmaakt van het Groene Hart en evenmin van de ecologische verbindingszones. [appellante] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de zichtbaarheid van de woontorens desondanks een zo negatieve invloed heeft op die gebieden dat de bouw ervan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Het betoog faalt.

2.4. [appellante] en anderen betogen verder tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bouwplan past binnen de Nota Hoogbouw van 19 december 2005. Op pagina 56 van die nota wordt voor locaties bij de ontmoeting van een as een uitzondering gemaakt op het verbod van hoogbouw in landelijke randen. De Wormerhoek wordt uitdrukkelijk als een dergelijke locatie genoemd. Strijd met de Nota Hoogbouw doet zich dan ook niet voor.

2.5. [appellante] en anderen betogen voorts dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat de aanwezigheid van de twee woontorens conflicteert met de waarde van de cultuurhistorische omgeving van de 's-Gravenweg.

2.5.1. Het betoog faalt. In de ruimtelijke onderbouwing heeft het college voldoende gemotiveerd uiteengezet waarom de bouw van de woontorens, die niet direct zijn gelegen aan de 's-Gravenweg, het cultuurhistorische landschap en bebouwingspatroon in het gebied niet aantast. In dat verband heeft het erop gewezen dat het karakteristieke slotenpatroon, de daartussen liggende kavels en de monumentale panden aan de 's-Gravenweg worden gehandhaafd. De omstandigheid dat de torens vanaf sommige punten op de 's-Gravenweg zichtbaar zullen zijn, brengt, anders dan [appellante] en anderen aanvoeren, niet met zich dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich geen onaanvaardbare inbreuk op het cultuurhistorische landschap voordoet. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat, zoals het college in hoger beroep nader heeft toegelicht, het karakter van het deel van de 's-Gravenweg dat is gelegen nabij de bouwlocatie, reeds door bebouwing en verhardingen in de omgeving is veranderd ten opzichte van andere delen van die weg.

2.6. Het betoog van [appellante] en anderen dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met de Structuurvisie Capelle aan den IJssel 2006-2020, nu de daarin op pagina 41 vermelde verbreding van de Abram van Rijckevorselweg na de bouw van de woontorens, naar zij stellen, niet kan worden gerealiseerd, slaagt evenmin. Die verbreding wordt slechts als één van de mogelijke maatregelen genoemd om de doorstroming van het verkeer op de Abram van Rijckevorselweg te verbeteren. Bovendien wordt op pagina 62 van die structuurvisie uitdrukkelijk verwezen naar de bouw van de woontorens. Ook om die reden bestaat geen grond voor het oordeel dat het bouwplan daarmee in strijd is.

2.7. Het betoog van [appellante] en anderen dat de rechtbank heeft miskend dat het college te lichtvaardig voorbij is gegaan aan hun bezwaren met betrekking tot de verkeers- en parkeerproblematiek, faalt. De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat het college in het verweerschrift van 3 mei 2007 deugdelijk heeft gemotiveerd waarop de aannames van de te verwachten verkeersintensiteiten berusten. Tevens heeft het afdoende gemotiveerd dat de ontsluiting van de woontorens voldoet aan de daaraan te stellen eisen.

De rechtbank mocht voorts de rechtsgevolgen van het besluit op bezwaar op dit punt krachtens artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in stand laten, nu met de door het college in beroep gegeven motivering het door de rechtbank aan de vernietiging ten grondslag gelegde gebrek volledig was geheeld. Voor het oordeel dat van die bevoegdheid slechts gebruik kan worden gemaakt in het geval aan een besluit formele gebreken kleven, bestaat geen grond.

2.8. Anders dan [appellante] en anderen ten slotte betogen, heeft de rechtbank, gezien ook de afstand van de bouwlocatie tot de huizen van omwonenden, terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de belangen van omwonenden onevenredig worden aangetast door het bouwplan. In dat verband heeft de rechtbank terecht overwogen dat geen blijvend recht op uitzicht bestaat, ook niet op het snijvlak van het stedelijke gebied en het landelijke gebied. Het college heeft in redelijkheid groter gewicht kunnen toekennen aan de belangen die zijn gebaat bij het verlenen van vrijstelling voor de bouw van de twee woontorens dan aan de belangen van omwonenden bij weigering daarvan.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. D.A.C. Slump en mr. W. Konijnenbelt, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Van Roessel

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2008

457.