Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BG7512

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2008
Datum publicatie
18-12-2008
Zaaknummer
200807842/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / voortvarendheid / overdracht dossier op 10e dag na inbewaringstelling

Ter zitting van de rechtbank heeft de staatssecretaris geen verklaring gegeven waarom de overdracht van het dossier van de vreemdeling aan de DT&V eerst op 2 oktober 2008 heeft plaatsgevonden, terwijl de vreemdeling reeds op 26 september 2008 is overgeplaatst naar een detentieboot. Nu van bijzondere, niet aan de staatssecretaris toe te rekenen omstandigheden die dit tijdsverloop hebben veroorzaakt noch van niet-medewerking aan de uitzetting door de vreemdeling is gebleken, is sprake geweest van verwijtbaar stilzitten aan de zijde van de staatssecretaris als gevolg waarvan daadwerkelijke handelingen ter voorbereiding van de uitzetting, zoals het voeren van het vertrekgesprek, ernstig zijn vertraagd. Dat de staatssecretaris na overdracht van het dossier voortvarendheid heeft betracht, doet niet af aan het reeds daarvoor geconstateerde gebrek daaraan. Onder deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat de staatssecretaris de duur van de vrijheidsontneming niet zo beperkt mogelijk heeft gehouden en de opgelegde maatregel als gevolg daarvan van meet af aan in redelijkheid niet gerechtvaardigd was.

De grief slaagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200807842/1.

Datum uitspraak: 10 december 2008

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage van 17 oktober 2008 in zaak nr. 08/35703 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 september 2008 is [appellant] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 17 oktober 2008, verzonden op 20 oktober 2008, heeft de rechtbank ’s Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 24 oktober 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de enige grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank, door te overwegen dat geen grond bestaat om de voortduring van de bewaring wegens onvoldoende voortvarend handelen van de staatssecretaris onrechtmatig te achten, heeft miskend dat niet valt in te zien waarom het vertrekgesprek niet eerder dan op 6 oktober 2008 heeft kunnen plaatsvinden, temeer nu de vreemdeling meewerkt en de staatssecretaris geen verklaring heeft gegeven waarom niet sneller had kunnen worden gehandeld.

2.2. De vreemdeling is op maandag 22 september 2008 in bewaring gesteld. Op donderdag 2 oktober 2008 is zijn dossier overgedragen aan de Dienst Terugkeer & Vertrek (hierna: DT&V). Op vrijdag 3 oktober 2008 is een regievoerder aangewezen. Op maandag 6 oktober 2008 heeft een vertrekgesprek met de vreemdeling plaatsgevonden en zijn formulieren ter verkrijging van een laissez passer van de Indiase autoriteiten ingevuld. Deze formulieren zijn daags daarop aan de laissez passer-kamer van de DT&V gezonden.

2.3. Ter zitting van de rechtbank heeft de staatssecretaris geen verklaring gegeven waarom de overdracht van het dossier van de vreemdeling aan de DT&V eerst op 2 oktober 2008 heeft plaatsgevonden, terwijl de vreemdeling reeds op 26 september 2008 is overgeplaatst naar een detentieboot. Nu van bijzondere, niet aan de staatssecretaris toe te rekenen omstandigheden die dit tijdsverloop hebben veroorzaakt noch van niet-medewerking aan de uitzetting door de vreemdeling is gebleken, is sprake geweest van verwijtbaar stilzitten aan de zijde van de staatssecretaris als gevolg waarvan daadwerkelijke handelingen ter voorbereiding van de uitzetting, zoals het voeren van het vertrekgesprek, ernstig zijn vertraagd. Dat de staatssecretaris na overdracht van het dossier voortvarendheid heeft betracht, doet niet af aan het reeds daarvoor geconstateerde gebrek daaraan. Onder deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat de staatssecretaris de duur van de vrijheidsontneming niet zo beperkt mogelijk heeft gehouden en de opgelegde maatregel als gevolg daarvan van meet af aan in redelijkheid niet gerechtvaardigd was.

De grief slaagt.

2.4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 22 september 2008 alsnog gegrond verklaren. De vrijheidsontnemende maatregel dient te worden opgeheven.

2.5. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, na te melden vergoeding toegekend over de periode van 22 september 2008 tot heden, de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel van de vreemdeling is opgeheven.

2.6. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 17 oktober 2008 in zaak nr. 08/35703;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. bepaalt dat de vrijheidsontnemende maatregel krachtens artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000 ingaande heden wordt opgeheven;

V. veroordeelt de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) om aan de vreemdeling te betalen een vergoeding van € 6.420,00 (zegge: zesduizend vierhonderdtwintig euro);

VI. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00 (zegge: negenhonderdzesenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 192323091) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.M. van Soest Ahlers, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Spoel

voorzitter

w.g. Van Soest-Ahlers

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2008

343.

Verzonden: 10 december 2008

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak