Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BG7203

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-12-2008
Datum publicatie
17-12-2008
Zaaknummer
200708825/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 november 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een paarden- en fokzeugenhouderij aan de [locatie] te [plaats], gemeente Boxmeer. Dit besluit is op 15 november 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 7.17
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/127
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200708825/1.

Datum uitspraak: 17 december 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de vereniging Milieuvereniging Land van Cuijk, gevestigd te Mill, gemeente Mill en Sint Hubert,

2. [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats], gemeente Boxmeer,

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats], gemeente Boxmeer,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 november 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een paarden- en fokzeugenhouderij aan de [locatie] te [plaats], gemeente Boxmeer. Dit besluit is op 15 november 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben de vereniging Milieuvereniging Land van Cuijk (hierna: de Milieuvereniging) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 december 2007, [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 december 2007, en [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 december 2007, beroep ingesteld. [appellant sub 3] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 25 januari 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten sub 2] hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 oktober 2008, waar de Milieuvereniging, vertegenwoordigd door [gemachtigden] in persoon en bijgestaan door mr. G.W.A. Bernards, advocaat te Veldhoven, [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door R.J.M.B. Derks en M.M.L. Lankvelt, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigden], mr. J.A.J.M. van Houtum en [partij] als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting heeft vergunninghoudster gesteld dat de Milieuvereniging niet kan worden aangemerkt als belanghebbende.

2.1.1. Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, kan een belanghebbende tegen een besluit op grond van deze wet beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.1.2. Blijkens artikel 5 van de statuten van de Milieuvereniging heeft zij tot doel het bevorderen van de milieuhygiëne, duurzaamheid en de leefbaarheid in de meest uitgebreide zin, alsmede het nastreven van behoud, bescherming en verbetering van natuur, flora en fauna en landschap in de meest uitgebreide zin en bestrijkt haar werkgebied het hele land van Cuijk dat bestaat uit de gemeenten Grave, Cuijk, Mill en Sint Hubert, Sint Anthonis en Boxmeer.

Blijkens artikel 6 van de statuten van de Milieuvereniging tracht zij haar doel onder meer te verwezenlijken door:

- het beleggen van vergaderingen, hoorzittingen en dergelijke;

- het houden van lezingen en het verspreiden van geschriften;

- milieubewust gedrag te bevorderen door middel van educatie, voorlichting en informatieverstrekking;

- het ondersteunen, het verlenen van service, het administratief verwerken van de contributies van de regionale vereniging en het coördineren van activiteiten.

2.1.3. Ter zitting heeft de Milieuvereniging verklaard dat zij 350 leden heeft en dat zij meerdere werkgroepen heeft gevormd die educatieve werkzaamheden verrichten, onder andere op stands en braderieën.

De Afdeling ziet geen aanleiding de juistheid van de opgave van de feitelijke werkzaamheden te betwijfelen en stelt vast dat het hierbij ook gaat om werkzaamheden die los staan van het voeren van juridische procedures of de voorbereiding daarvan. Gelet voorts op de doelstellingen van de Milieuvereniging is de Afdeling van oordeel dat zij door het bestreden besluit rechtstreeks wordt getroffen in een belang dat zij in het bijzonder behartigt. De Milieuvereniging is derhalve belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.2. Het beroep van de Milieuvereniging en [appellanten sub 2] richt zich onder meer op het onderdeel luchtkwaliteit van het bestreden besluit.

2.2.1. Uit artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht vloeit voort dat in beroep slechts categorieën milieugevolgen als besluitonderdelen aan de orde kunnen worden gesteld waarover een zienswijze naar voren is gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van een zienswijze appellant redelijkerwijs niet kan worden verweten. De Milieuvereniging en [appellanten sub 2] hebben geen zienswijzen naar voren gebracht over luchtkwaliteit. De enkele vermelding van fijnstof kan niet als zienswijze worden aangemerkt. Voorts heeft de algemene inleiding in de zienswijzen over mogelijk negatieve milieueffecten op woon- en leefomgeving en in het kader van mogelijke relevantie van een milieueffectrapportage niet voldoende concreet betrekking op het besluitonderdeel luchtkwaliteit. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de Milieuvereniging en [appellanten sub 2] kan worden verweten dat zij over luchtkwaliteit geen zienswijzen naar voren hebben gebracht. Hun beroep voor zover dat betrekking heeft op dit besluitonderdeel is derhalve niet-ontvankelijk.

2.3. De Milieuvereniging en [appellanten sub 2] hebben de beroepsgrond dat de inrichting niet overeenkomstig de bij besluit van 19 oktober 2004 verleende oprichtingsvergunning in werking is waardoor de aan de vergunning verbonden rechten voor het houden van dieren in stal 4 en stal 5 zijn vervallen, ter zitting ingetrokken.

2.4. Vergunninghoudster heeft ter zitting betoogd dat de op 16 oktober 2008 door [appellanten sub 2] bij de Afdeling nader ingediende stukken wegens strijd met de goede procesorde buiten de behandeling van de beroepen moeten blijven.

2.4.1. Ingevolge artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen.

De Afdeling heeft de zaak op 27 oktober 2008 ter zitting behandeld. Gelet op artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht konden partijen tot en met 16 oktober 2008 nadere stukken indienen. [appellanten sub 2] hebben op 16 oktober 2008 - dus voorafgaand aan het verstrijken van de daarvoor geldende termijn - nadere stukken bij de Afdeling ingediend. Vergunninghoudster heeft ter zitting op deze stukken inhoudelijk gereageerd. Dit in aanmerking genomen, alsmede gelet op de aard en inhoud van de stukken, is de Afdeling van oordeel dat de goede procesorde zich er niet tegen verzet dat de stukken voor zover in dit geding inhoudelijk relevant bij de behandeling van de beroepen worden betrokken.

2.5. [appellant sub 3] heeft zich in het beroepschrift beperkt tot het verwijzen naar de over het ontwerp van het besluit naar voren gebrachte zienswijzen. In het bestreden besluit heeft het college daarop een reactie gegeven. [appellant sub 3] heeft noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom deze reactie onjuist zou zijn. Ook voor het overige zijn daarvoor geen gronden. Het beroep van [appellant sub 3] is ongegrond.

2.6. De Milieuvereniging en [appellanten sub 2] betogen dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat in dit geval het opstellen van een milieu-effectrapport niet nodig is. Zij stellen in dit verband onder meer dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat uitbreiding van de inrichting leidt tot toename van stankhinder in een extensiveringgebied met het primaat wonen. Volgens de Milieuvereniging en [appellanten sub 2] wordt niet voldaan aan het gestelde in de richtlijn "Veehouderij en stankhinder" van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de richtlijn veehouderij en stankhinder). Voorts is volgens de Milieuvereniging en [appellanten sub 2] geen rekening gehouden met de omstandigheid dat de ammoniakemissie vanwege het in werking zijn van de inrichting belangrijke nadelige gevolgen heeft voor de in de directe nabijheid van de inrichting gelegen 'voor verzuring gevoelige gebieden' die deel uitmaken van de ecologische hoofdstructuur en voor het gebied "Boschhuizerbergen" dat is aangewezen als Habitatrichtlijngebied in de zin van de Natuurbeschermingswet 1998. Deze omstandigheden zijn volgens de Milieuvereniging en [appellanten sub 2] bijzondere omstandigheden die ertoe nopen dat een milieu-effectrapport moet worden opgesteld.

2.6.1. Niet in geschil is dat hier sprake is van een in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994 aangewezen activiteit ten aanzien waarvan krachtens artikel 7.8b van de Wet milieubeheer moet worden beoordeeld of vanwege belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu een milieu-effectrapport moet worden gemaakt.

Ingevolge artikel 7.8b, vierde lid, van de Wet milieubeheer houdt het bevoegd gezag bij zijn beslissing rekening met de in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling aangegeven omstandigheden.

In bijlage III bij Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (Pb L 175), zoals gewijzigd bij Richtlijn 97/11/EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 maart 1997 (Pb L 73), zijn als omstandigheden bedoeld in artikel 7.8b, vierde lid, van de Wet milieubeheer genoemd:

1. kenmerken van het project;

2. plaats van het project;

3. kenmerken van het potentiële effect.

2.6.2. Bij besluit van 23 januari 2007 heeft het college bepaald dat, vanwege het ontbreken van bijzondere omstandigheden, geen milieu-effectrapport is vereist. Het college heeft daartoe mede in aanmerking genomen dat de ammoniakdepositie op het dichtstbijgelegen kwetsbare gebied in de zin van de Wet ammoniak en veehouderij en op het Habitatrichtlijngebied "Boschhuizerbergen" afneemt omdat de afstand vanaf het dichtstbijgelegen emissiepunt van de inrichting van vergunninghoudster tot aan genoemde gebieden door het verleggen van het emissiepunt toeneemt en de ammoniakemissie vanwege het in werking zijn van de inrichting van vergunninghoudster gelijk blijft. Voorts heeft het college daartoe in aanmerking genomen dat aan het gestelde in de richtlijn veehouderij en stankhinder wordt voldaan.

2.6.3. De gestelde omstandigheid dat aan het gestelde in de richtlijn veehouderij en stankhinder niet wordt voldaan, vormt geen bijzondere omstandigheid die noopt tot het opstellen van een milieu-effectrapport. In hetgeen de Milieuvereniging en [appellanten sub 2] voorts aanvoeren met betrekking tot de omstandigheid dat de ammoniakemissie vanwege het in werking zijn van de inrichting belangrijke nadelige gevolgen heeft voor de in de directe nabijheid van de inrichting gelegen 'voor verzuring gevoelige gebieden' en het gebied "Boschhuizerbergen" ziet de Afdeling, gelet op het feit dat de ammoniakdepositie op de desbetreffende gebieden afneemt, geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het opstellen van een milieu-effectrapport niet nodig is. De beroepsgronden falen.

2.7. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.8. De Milieuvereniging en [appellanten sub 2] stellen zich op het standpunt dat de beoordeling van de stankhinder niet juist heeft plaatsgevonden. Zij voeren daartoe onder meer aan dat het college voor de woningen aan de [locatie sub 1] en de [locatie sub 2a] en [locatie sub 2b] niet de juiste categorieën uit de brochure "Veehouderij en Hinderwet" van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de brochure) heeft gehanteerd. Volgens hen worden op de locaties [locatie sub 1] en [locatie sub 2a] reeds diverse jaren geen dieren meer gehouden. Dientengevolge dienen deze woningen te worden aangemerkt als categorie III-objecten in de zin van de brochure. Daardoor kan niet worden voldaan aan de vereiste afstandsnormen uit de richtlijn veehouderij en stankhinder, aldus de Milieuvereniging en [appellanten sub 2]. Voorts is volgens hen de woning aan [locatie sub 2b] te beschouwen als een recreatiewoning en dient deze woning dientengevolge te worden aangemerkt als categorie II-object in de zin van de brochure. Ook in zoverre kan niet worden voldaan aan de vereiste afstandsnorm uit de richtlijn veehouderij en stankhinder. Ten slotte voeren de Milieuvereniging en [appellanten sub 2] aan dat zich op de locatie [locatie sub 1] twee woningen bevinden en dat ten opzichte van één van deze woningen niet kan worden voldaan aan de vereiste afstandsnorm uit de richtlijn veehouderij en stankhinder, nu de afstand vanaf de inrichting tot aan de desbetreffende woning volgens de Milieuvereniging en [appellanten sub 2] slechts 66 meter bedraagt.

2.8.1. Het college heeft bij de beoordeling van de stankhinder de richtlijn veehouderij en stankhinder toegepast, voor zover het de omrekeningsfactoren naar mestvarkeneenheden en de afstandsbepaling betreft. Bij de bepaling van de omgevingscategorieën heeft het college de brochure gehanteerd.

In bijlage 6 van de brochure is, voor zover hier van belang, bepaald dat als categorie II-object worden aangemerkt: objecten voor dagrecreatie zoals bijvoorbeeld zwembaden en speeltuinen, dat als categorie III-object wordt aangemerkt: een enkele niet-agrarische bebouwing in het buitengebied en als categorie IV-object: andere agrarische bedrijven.

Op grond van artikel 27, derde lid, van de Hinderwet, dat gold tot de inwerkingtreding van de Wet milieubeheer op 1 maart 1993, verviel de vergunning, wanneer een gedeelte van de inrichting was verwoest dan wel gedurende drie achtereenvolgende jaren buiten werking was geweest, voor dat gedeelte.

2.8.2. Het college stelt zich ten aanzien van de woningen aan de [locatie sub 1] en [locatie sub 2a] op het standpunt dat deze woningen kunnen worden aangemerkt als categorie IV-objecten in de zin van de brochure, omdat op de locatie [locatie sub 1] nog een mestbassin in gebruik is en voor de locatie [locatie sub 2a] een milieuvergunning voor het houden van varkens van kracht is. Voorts stelt het college zich op het standpunt dat de woning aan de [locatie sub 2b] dient te worden aangemerkt als een categorie III-object in de zin van de brochure.

2.8.3. Vast staat dat op de locatie [locatie sub 1] een mestbassin in gebruik is en dat brijvoer en mest wordt opgeslagen. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat op deze locatie agrarische werkzaamheden plaatsvinden. Het feit dat er op deze locatie geen dieren meer worden gehouden, maakt dit niet anders. Het college heeft dan ook de woning aan de [locatie sub 1] terecht aangemerkt als categorie IV-object in de zin van de brochure. Ter zitting is gebleken dat de tweede woning op de locatie [locatie sub 1] in feite een overnachtingplaats voor wandelaars is in een stal. Niet valt in te zien dat deze woning meer bescherming tegen stankhinder behoeft dan de andere woning aan de [locatie sub 1], zodat ook de tweede woning dient te worden aangemerkt als categorie IV-object in de zin van de brochure. Het college wijst er in het bestreden besluit op dat de afstand tussen stal 6 en deze overnachtingplaats 66 meter bedraagt maar dat de afstand tussen het emissiepunt van stal 6 en deze overnachtingplaats 95 meter bedraagt. Nu niet in geschil is dat de vereiste afstand van het emissiepunt tot een categorie IV-object in de zin van de brochure 73 meter bedraagt, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat aan de vereiste afstandsnorm uit de richtlijn veehouderij en stankhinder wordt voldaan.

De woning aan de [locatie sub 2b] is geen object voor dagrecreatie maar een solitair gelegen recreatiewoning. Gelet hierop heeft het college de woning aan de [locatie sub 2b] terecht aangemerkt als categorie III-object in de zin van de brochure.

Met betrekking tot de locatie [locatie sub 2a] is bij besluit van 10 september 1987 krachtens de Hinderwet vergunning verleend voor het oprichten van een varkenshouderij (hierna: de Hinderwetvergunning). Niet is gebleken dat de inrichting in de periode tussen 10 september 1987 en het vervallen van de Hinderwet op 1 maart 1993 gedurende drie achtereenvolgende jaren geheel buiten werking is geweest. Hieruit volgt dat de Hinderwetvergunning niet van rechtswege is vervallen. Niet in geschil is voorts, dat nadien niet is verzocht om intrekking van de milieuvergunning en er ook geen aanleiding is geweest om de milieuvergunning in te trekken. Gelet hierop en op het feit dat de voorzieningen en huisvesting voor de dieren nog aanwezig zijn, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de woning aan de [locatie sub 2a] kan worden aangemerkt als een categorie IV-object in de zin van de brochure.

Gelet op het bovenstaande heeft het college zich, met een beroep op de richtlijn, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met de vergunning stankhinder zoveel mogelijk wordt beperkt. Dit onderdeel van de beroepsgronden faalt.

De beroepsgronden met betrekking tot stankhinder falen.

2.9. De Milieuvereniging en [appellanten sub 2] voeren aan dat de geografische ligging van de installatie, alsmede de plaatselijke milieuomstandigheden aan vergunningverlening in de weg staat. Zij wijzen er onder meer op dat het aantal mestvarkeneenheden fors zal toenemen.

De Afdeling begrijpt deze beroepsgrond aldus dat de Milieuvereniging en [appellanten sub 2] aanvoeren dat de milieuvergunning diende te worden geweigerd met toepassing van artikel 3, derde lid, van de Wet ammoniak en veehouderij.

2.9.1. Uit het artikel 3, derde lid, van de Wet ammoniak en veehouderij volgt, voor zover hier van belang, dat een vergunning voor een gpbv-installatie - zoals hier aan de orde - geweigerd wordt, indien niet kan worden voldaan aan voorschriften die vanwege de technische kenmerken en de geografische ligging van de installatie of vanwege de plaatselijke milieuomstandigheden aan de milieuvergunning moeten worden verbonden, maar die niet met toepassing van de in aanmerking komende beste beschikbare technieken kunnen worden gerealiseerd.

2.9.2. Het college heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat in de omgeving van de inrichting geen negatieve effecten vanwege de ammoniakemissie van de inrichting zijn te verwachten, ook al zal het aantal mestvarkeneenheden toenemen en dat daarom maatregelen die verder gaan dan de beste beschikbare technieken niet noodzakelijk zijn. Daarbij heeft het college in aanmerking genomen dat de ammoniakemissie vanwege het in werking zijn van de inrichting van vergunninghoudster gelijk blijft en de ammoniakdepositie op het dichtsbijgelegen kwetsbare gebied in de zin van de Wet ammoniak en veehouderij door het verleggen van het emissiepunt afneemt.

2.9.3. De Milieuvereniging en [appellanten sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat ondanks de toename van het aantal zogenoemde mestvarkeneenheden geen negatieve effecten in de omgeving van de inrichting zijn te verwachten. Reeds gelet hierop heeft het college in artikel 3, derde lid, van de Wet ammoniak en veehouderij terecht geen grond gezien om de gevraagde vergunning te weigeren. De beroepsgronden falen.

2.10. De Milieuvereniging en [appellanten sub 2] vrezen geluidhinder vanwege het in werking zijn van de inrichting. Volgens de Milieuvereniging en [appellanten sub 2] worden de richtwaarden voor een landelijke omgeving als bedoeld in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (hierna: de Handreiking) ter plaatse van de gevel van de woning aan de [locatie sub 3] overschreden in de dagperiode en ter plaatse van de gevel van de woning aan de [locatie sub 2a] in de dag- en avondperiode. Het college heeft onvoldoende gemotiveerd waarom geen maatregelen zijn voorgeschreven om dit te voorkomen, aldus de Milieuvereniging en [appellanten sub 2]. Tevens hebben de Milieuvereniging en [appellanten sub 2] ter zitting aangevoerd dat het in opdracht van vergunninghoudster uitgevoerde akoestisch onderzoek, dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, onjuist en niet representatief is.

2.10.1. Vaststaat dat de omgeving van de inrichting moet worden aangemerkt als een landelijke omgeving als bedoeld in hoofdstuk 4 van de Handreiking waarvoor richtwaarden zijn aanbevolen van 40, 35 en 30 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Uit het aan de vergunning verbonden voorschrift 3.1.2 volgt dat ter plaatse van de gevel van de woning aan de [locatie sub 3] een geluidgrenswaarde voor het langtijdgemiddeldbeoordelingsniveau van 43 dB(A) in de dagperiode geldt en ter plaatse van de gevel van de woning aan de [locatie sub 2a] een geluidgrenswaarde voor het langtijdgemiddeldbeoordelingsniveau van 45 dB(A) in de dagperiode en van 40 dB(A) in de avondperiode. Deze geluidgrenswaarden zijn hoger dan de richtwaarden voor een landelijke omgeving als bedoeld in hoofdstuk 4 van de Handreiking. De Handreiking biedt de mogelijkheid tot afwijking van de richtwaarden op grond van een bestuurlijke afweging, waarbij geluidbestrijdingskosten een rol spelen. Het college stelt zich op het standpunt dat een verdergaande reductie van de geluidhinder gezien de hoge kosten niet van vergunninghoudster kan worden gevergd. Het college heeft dit standpunt in de aanvullende brief van 28 augustus 2008 voldoende onderbouwd. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in afwijking van de Handreiking hogere geluidgrenswaarden mochten worden gesteld ter plaatse van de gevels van de woningen aan de [locatie sub 3].

Voor zover de Milieuvereniging en [appellanten sub 2] nog aanvoeren dat het akoestisch onderzoek onjuist en niet representatief is, overweegt de Afdeling dat zij onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat moet worden getwijfeld aan de juistheid van de berekeningen en brongegevens uit het akoestisch onderzoek. De Afdeling merkt daarbij op dat hetgeen door de Milieuvereniging en [appellanten sub 2] ter zitting is aangevoerd met betrekking tot het akoestisch onderzoek, slechts berust op algemene uitgangspunten, terwijl in het akoestisch rapport, dat onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit, wordt uitgegaan van gemeten waarden. De beroepsgronden falen.

2.11. De Milieuvereniging en [appellanten sub 2] voeren aan dat de bouw van een nieuwe varkensstal zoals aangevraagd niet mogelijk is binnen het geldende bouwblok. Voorts verdraagt vergunningverlening zich niet met de doelstellingen van de Reconstructiewet concentratiegebieden, aldus de Milieuvereniging en [appellanten sub 2].

Deze beroepsgronden hebben geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer. Nu het bestreden besluit is genomen vóór de wijziging van de Wet milieubeheer bij de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (Stb. 2008, 180), mocht het college geen regels gesteld bij of krachtens de Wet ruimtelijke ordening in aanmerking nemen. De beroepsgronden falen.

2.12. De Milieuvereniging en [appellanten sub 2] vrezen ten slotte voor waardevermindering van woningen in de omgeving van de inrichting.

Deze beroepsgronden hebben evenmin betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer. De beroepsgronden falen.

2.13. De beroepen van de Milieuvereniging en [appellanten sub 2] zijn, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

2.14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van de vereniging Milieuvereniging Land van Cuijk en [appellanten sub 2] niet-ontvankelijk voor zover het beroep zich richt tegen het besluitonderdeel luchtkwaliteit;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 3] ongegrond;

III. verklaart de beroepen van de vereniging Milieuvereniging Land van Cuijk en [appellanten sub 2] voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.D.A.M. Zegveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Zegveld

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2008

43-570.