Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BG7200

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-12-2008
Datum publicatie
17-12-2008
Zaaknummer
200801581/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 oktober 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Castricum (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van de verdieping van de woning op het perceel [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200801581/1.

Datum uitspraak: 17 december 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/669 van de rechtbank Alkmaar van 16 januari 2008 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Castricum.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 oktober 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Castricum (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van de verdieping van de woning op het perceel [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 27 februari 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 januari 2008, verzonden op 29 januari 2008, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 27 februari 2007 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 maart 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 april 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 8 juli 2008 heeft het college het bezwaar van [appellant] wederom ongegrond verklaard.

[appellant] heeft een reactie ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 november 2008, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. drs. H. den Haan, gemachtigde, is verschenen. Het college heeft zich doen vertegenwoordigen door ing. A.A. Koning, ambtenaar van de gemeente. Voorts is verschenen [vergunninghouder], bijgestaan door mr. E.F.J.A.M. de Wit, gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. De woning is aan de achterzijde voorzien van een uitbouw met een hoogte van 2,75 meter en een diepte van 3 meter. Het bouwplan voorziet in een uitbreiding van de woning door het verhogen van de achtergevel van de uitbouw met ongeveer 0,9 meter en het doortrekken van het aflopende achterdakvlak tot boven deze gevel. Vaststaat dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Kleibroek" (hierna: het bestemmingsplan) omdat het doorgetrokken dakvlak, evenals de bestaande uitbouw, de bebouwingsgrens overschrijdt en afgeweken wordt van de voorgeschreven goothoogte.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het besluit van 27 februari 2007 vernietigd omdat in het positieve advies van de welstandscommissie Noord-Holland Midden van 24 augustus 2006, dat het college ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel dat het bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, onvoldoende is gemotiveerd dat het bouwplan niet in strijd is met het in de welstandsnota 2005 van de gemeente Castricum (hierna: welstandsnota) aangegeven criterium, dat hoofdvorm en eenheid van het bebouwingsblok ook bij individuele uitbreidingen in het blok moeten worden gerespecteerd.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet bevoegd was voor het bouwplan vrijstelling te verlenen onderscheidenlijk een bestemmingswijziging te bewerkstelligen ingevolge de daartoe strekkende artikelen 26 en 30 van de planvoorschriften, omdat het bouwplan de randvoorwaarden van die artikelen te buiten gaat. Dit betoog, wat er verder van zij, ziet eraan voorbij dat het college voor het bouwplan vrijstelling heeft verleend ingevolge artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college tot het verlenen van vrijstelling ingevolge die bepalingen bevoegd was.

2.4. [appellant] kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid vrijstelling voor het bouwplan heeft kunnen verlenen. Dat een gedeelte van het dakvlak de zijdelingse grens tussen de percelen [locatie 1 en 2] overschrijdt, heeft [appellant], die woonachtig is op de [locatie 3], niet aannemelijk gemaakt. Door vergunninghouder is in dit verband onweersproken gesteld dat de buitenmuur van zijn woning op een afstand van ongeveer 25 cm van de grens met het perceel [locatie 2] is geplaatst - hetgeen ook blijkt uit de kadastrale kaart - en dat de overhangende kap deze grens niet overschrijdt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat van een onaanvaardbare aantasting van uitzicht, privacy en daglichttoetreding geen sprake is. De Afdeling merkt in dit verband op dat de afstand tussen de halfvrijstaande woning van vergunninghouder en de meer zuidelijk gelegen halfvrijstaande woning van [appellant], die elk zijn gelegen op de hoek van een rij eengezinswoningen, ongeveer 4 meter bedraagt. De omstandigheid dat op de doorgetrokken kap vergunningvrij een dakkapel kan worden en ook is gerealiseerd, leidt niet tot een ander oordeel. De aanvraag om bouwvergunning noch de daarop verleende bouwvergunning voorzien in plaatsing van een dakkapel. Die valt buiten de reikwijdte van deze vergunning. Het college behoefde daarmee geen rekening te houden.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.

2.6. Het college heeft bij besluit van 8 juli 2008 het bezwaar van [appellant] tegen de voor het bouwplan verleende vrijstelling en bouwvergunning wederom ongegrond verklaard. Gelet op de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), wordt dat besluit geacht eveneens onderwerp te zijn van het geding in hoger beroep.

2.7. Voor zover [appellant] betoogt dat met de aangevallen uitspraak in rechte vaststaat dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand volgens de criteria van de welstandsnota, faalt dat betoog. De rechtbank heeft het besluit op bezwaar op grond van een motiveringsgebrek vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb en heeft nadrukkelijk overwogen dat het in de rede ligt dat de welstandscommissie in de gelegenheid wordt gesteld nader advies uit te brengen. Van een uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordeel over strijd van het bouwplan met de welstandsnota is geen sprake.

2.8. Aan zijn besluit van 8 juli 2008 heeft het college het advies van de welstandscommissie Noord-Holland Midden van 18 juni 2008 ten grondslag gelegd waarin nader is gemotiveerd waarom het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Daarin is aangegeven dat het bouwplan in overeenstemming is met het hiervoor onder 2.2 weergegeven criterium, omdat het doortrekken van het dakvlak van de hoekwoning onder dezelfde hellingshoek als het bestaande dak en de materialisering van de gevels een beëindiging van het bouwblok tot gevolg heeft die een duidelijke eenheid vormt met het bestaande bouwblok. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college zijn oordeel over de welstand niet heeft kunnen baseren op dit advies. De in het advies gebruikte omschrijving van het bouwplan, wat daar van zij, maakt niet dat geoordeeld moet worden dat de welstandscommissie is uitgegaan van een onjuiste voorstelling van zaken. [appellant] heeft zijn standpunt dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand, niet met een deskundigenrapport onderbouwd. De dakkapel maakt geen onderdeel uit van het bouwplan. Het college heeft de dakkapel terecht niet betrokken bij zijn oordeel over de welstandsaspecten van het bouwplan.

2.9. Het beroep is ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevallen;

II. verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos w.g. Willems

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2008

412.