Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BG7193

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-12-2008
Datum publicatie
17-12-2008
Zaaknummer
200800287/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 november 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Roermond (hierna: het college) aan [vergunninghouder] opnieuw een revisievergunning verleend als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor een inrichting voor op- en overslag van minerale brandstoffen, gelegen aan de [locatie] te [locatie]. Dit besluit is op 28 november 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.8
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2008/1290
Omgevingsvergunning in de praktijk 2008/3642
Milieurecht Totaal 2008/1630
JOM 2009/133
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200800287/1.

Datum uitspraak: 17 december 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Roermond,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 november 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Roermond (hierna: het college) aan [vergunninghouder] opnieuw een revisievergunning verleend als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor een inrichting voor op- en overslag van minerale brandstoffen, gelegen aan de [locatie] te [locatie]. Dit besluit is op 28 november 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 januari 2008, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 november 2008, waar [appellanten], van wie [appellant] in persoon, bijgestaan door [gemachtigde], en de overigen, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door M.H.J. Roelofs en ing. R.T. Vorstermans, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. R.J.J. Aerts, advocaat te Den Haag, en [gemachtigde], als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 27 december 1994 heeft het college aan [vergunninghouder] vergunning verleend voor het oprichten van de inrichting. Binnen de inrichting vindt op- en overslag van minerale brandstoffen plaats, bestaande uit benzine, petroleum, diesel en gasolie. Daarnaast wordt Carbon Black Oil en C9 resinfeed op- en overgeslagen.

[vergunninghouder] heeft op 24 mei 2004 een aanvraag om een revisievergunning ingediend. Bij besluit van 22 november 2005 heeft het college de gevraagde vergunning verleend. Bij uitspraak van 10 januari 2007, in zaak nr. 200600498/1, heeft de Afdeling het hiertegen ingestelde beroep van [appellanten], voor zover ontvankelijk, gegrond verklaard en het besluit vernietigd.

Bij het bestreden besluit heeft het college opnieuw op de aanvraag om een revisievergunning beslist.

2.2. Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het geding.

2.3. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde voor 1 juli 2005, kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Ingevolge artikel 3:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zoals dat luidde voor 1 juli 2005, kan een ieder binnen vier weken na de dag waarop het ontwerp van het besluit ter inzage is gelegd, daartegen bij het bestuursorgaan schriftelijk bedenkingen inbrengen.

2.4. Het ontwerp van het besluit heeft ter inzage gelegen van 31 augustus 2005 tot 29 september 2005. Eerst bij brief van 20 oktober 2005 hebben [appellanten] hun mondelinge bedenkingen betreffende trillinghinder en de (tijdelijke) aanwezigheid van gevaarlijke stoffen naar voren gebracht. De Afdeling stelt vast dat deze bedenkingen aldus na het verstrijken van de in artikel 3:24 (oud) van de Algemene wet bestuursrecht gestelde termijn van vier weken, en derhalve niet tijdig, zijn ingediend. Verder is het bepaalde in artikel 20.6, tweede lid, onder b en c, (oud) van de Wet milieubeheer hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan [appellanten] redelijkerwijs niet kan worden verweten op deze punten niet tijdig bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerpbesluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.5. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.6. [appellanten] vrezen geluidoverlast van de inrichting. In dit kader betogen zij dat de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting op een aantal zonebewakingspunten wordt overschreden, temeer nu het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de geluidbelasting van het manoeuvreren van komende en gaande binnenvaartschepen en met toekomstige bedrijfsontwikkelingen op het industrieterrein. Daarbij wijzen zij op de bouw van een 20 meter hoge loods door SIF Group B.V., die volgens hen invloed heeft op de geluidreflectie, het gebruik van een shredder door [bedrijf 1] en plannen van het college om de inrichting [bedrijf 2] te verplaatsen naar een locatie nabij [vergunninghouder]

2.6.1. Ingevolge artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer betrekt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval de met betrekking tot de inrichting en het gebied waar de inrichting zal zijn of is gelegen, redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen die van belang zijn met het oog op de bescherming van het milieu.

Ingevolge artikel 8.8, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer neemt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval in acht de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting gevolgen kan hebben, geldende grenswaarden, voor zover de verplichting tot het in acht nemen daarvan voortvloeit uit onder meer de artikelen 41, 46 tot en met 50, 53, 65 tot en met 68 of 72, tweede lid, van de Wet geluidhinder.

2.6.2. De inrichting is gelegen op het industrieterrein ‘Willem Alexander’, waaromheen krachtens de Wet geluidhinder een geluidzone is vastgesteld waarbuiten de geluidbelasting vanwege het industrieterrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan. Bij besluit van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 13 februari 1992 is voor ongeveer 165 binnen de zone gelegen woningen met toepassing van de Wet geluidhinder een hogere waarde van 55 dB(A) vastgesteld. Bij besluit van 24 mei 2007 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer voor 49 van deze woningen per woning een hogere maximaal toelaatbare geluidbelasting vastgesteld.

Bij de beslissing op de aanvraag diende het college ingevolge artikel 8.8, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer de zonegrenswaarde en de grenswaarden voor woningen binnen de zone in acht te nemen.

2.6.3. Op het industrieterrein bevindt zich een aan- en afvoerroute van schepen. Het manoeuvreren en varen van schepen vindt binnen het gezoneerde industrieterrein, maar buiten de inrichtingsgrenzen op openbaar water plaats. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 januari 2007 in zaak nr. 200601869/1), behoeft de geluidimmissie vanwege bewegingen van de scheepvaart, inclusief de manoeuvreerbewegingen, op een vaarweg van en naar inrichtingen op een gezoneerd industrieterrein niet te worden getoetst aan de voor de inrichting geldende equivalente en piekgeluidgrenswaarden. Gelet hierop heeft het college de geluidbelasting van deze scheepvaartbewegingen op goede gronden niet betrokken bij de bepaling van de geluidbelasting vanwege het industrieterrein en bij de toetsing aan de zonegrenswaarde en de grenswaarden voor woningen binnen de zone.

2.6.4. Wat het betoog van [appellanten] betreft dat bij het nemen van het bestreden besluit ten onrechte geen rekening is gehouden met toekomstige bedrijfsontwikkelingen op het industrieterrein overweegt de Afdeling als volgt.

Uit de stukken blijkt dat op 6 december 2007 aan SIF Group B.V vergunning is verleend voor uitbreiding met een loods. Voorts heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg bij besluit van 20 maart 2008 een revisievergunning verleend aan [bedrijf 1] Verplaatsing van de inrichting [bedrijf 2] is blijkens het deskundigenbericht nog niet aan de orde.

Bij de beslissing op de aanvraag dient het college te beoordelen of de equivalente geluidbelasting, veroorzaakt door de inrichting, tezamen met die, veroorzaakt door de andere inrichtingen op het gezoneerde industrieterrein, de zonegrenswaarde en de grenswaarden voor woningen binnen de zone niet overschrijdt. De Afdeling verstaat het betoog van [appellanten] aldus dat het college volgens hen bij deze beoordeling ten tijde van het nemen van het bestreden besluit reeds rekening had moeten houden met de bij de besluiten van 6 december 2007 en 20 maart 2008 aan SIF Group B.V. en [bedrijf 1] vergunde veranderingen, als zijnde redelijkerwijs te verwachten toekomstige ontwikkelingen, en daarom aan de inrichting van [vergunninghouder] slechts een geringere geluidbijdrage had mogen toestaan, teneinde overschrijding van de zonegrenswaarde en de grenswaarden voor woningen binnen de zone te voorkomen.

Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 10 mei 2006 (in zaak nr. 200505054/1) komt aan het college in het kader van de artikelen 8.10 en 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer beoordelingsvrijheid toe om lagere geluidgrenswaarden aan de vergunning te verbinden dan nodig om te kunnen voldoen aan de zonegrenswaarde en de grenswaarden voor woningen binnen de zone. Ook indien zou moeten worden aangenomen dat, wat de inrichtingen van SIF Group B.V. en [bedrijf 1] betreft, ten tijde van het bestreden besluit kon worden gesproken van redelijkerwijs te verwachten toekomstige ontwikkelingen en deze slechts inpasbaar zouden zijn in de geluidzone wanneer aan [vergunninghouder] een geringere geluidbijdrage was toegestaan dan bij het bestreden besluit is geschied, ziet de Afdeling, gelet op de aan het college toekomende vrijheid ten aanzien van de verdeling van de geluidruimte binnen de geluidzone, geen aanleiding voor het oordeel dat het college met het oog op bedoelde ontwikkelingen in redelijkheid lagere dan de thans gestelde geluidgrenswaarden aan de vergunning van [vergunninghouder] had behoren te verbinden. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit zich niet verdraagt met het bepaalde in artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer.

2.6.5. Uit de uitdraai van het zonebeheermodel, versie 2007.2.0, blijkt dat met de aan [vergunninghouder] toegestane geluidbijdrage op geen enkel van de controlepunten overschrijding van de grenswaarde plaatsvindt. Het betoog van [appellanten] biedt geen aanleiding voor het oordeel dat de gebruikte methode of de uitkomsten daarvan onjuist zijn.

Onder deze omstandigheden heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de aangevraagde en vergunde activiteiten van [vergunninghouder] binnen de geluidzone inpasbaar zijn.

Deze beroepsgronden falen.

2.7. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover dit betrekking heeft op gevaarlijke stoffen en trillinghinder;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Kuipers

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2008

271-489.