Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BG7176

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-12-2008
Datum publicatie
17-12-2008
Zaaknummer
200801531/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 oktober 2007, voorbereid met afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), heeft het college van burgemeester en wethouders van Doetinchem (hierna: het college) aan Stichting Sité Woondiensten (hierna: Sité) vrijstelling verleend voor het bouwrijp maken van 't Lookwartier (Connexxionterrein, het Erdbrinkplein en aanliggende gemeentelijke percelen) te Doetinchem ten behoeve van de bouw van een schouwburg, gezondheidscentrum, parkeergarage, woningen en appartementen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2009, 183 met annotatie van B.W.N. de Waard
Module Ruimtelijke ordening 2008/5373
ABkort 2009/4
JOM 2010/63
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200801531/1.

Datum uitspraak: 17 december 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak in zaken nrs. 07/2107, 07/2108, 07/2162, 07/2163, 07/2164, 07/2165, 07/2169 en 07/2170 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen van 16 januari 2008 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Doetinchem.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 oktober 2007, voorbereid met afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), heeft het college van burgemeester en wethouders van Doetinchem (hierna: het college) aan Stichting Sité Woondiensten (hierna: Sité) vrijstelling verleend voor het bouwrijp maken van 't Lookwartier (Connexxionterrein, het Erdbrinkplein en aanliggende gemeentelijke percelen) te Doetinchem ten behoeve van de bouw van een schouwburg, gezondheidscentrum, parkeergarage, woningen en appartementen.

Bij uitspraak van 16 januari 2008, verzonden op 23 januari 2008, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het door [appellante] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 maart 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft Sité een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] en het college hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 september 2008, waar het college, vertegenwoordigd door M.G.P. Derks, ambtenaar in dienst van de gemeente, is verschenen. Voorts zijn ter zitting als partij gehoord gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: gedeputeerde staten), vertegenwoordigd door mr. A. Pol en mr. P.G.A.L. Evers, beiden ambtenaar in dienst van de provincie, en Sité, vertegenwoordigd door mr. E.H.M. Harbers, advocaat te Arnhem.

Na sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend.

Er zijn nog stukken ontvangen van [appellante], het college en Sité. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

Met toestemming van partijen is afgezien van een hernieuwde behandeling ter zitting.

2. Overwegingen

2.1. [appellante] betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat zij niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb bij het besluit van 18 oktober 2007. Zij voert daartoe aan dat zij economisch eigenaar is van de percelen [locaties] te [plaats], welke percelen grenzen aan het Erdbrinkplein.

2.1.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.1.2. Uit de in hoger beroep overgelegde notariële akte blijkt dat [appellante] op 21 april 1993 de economische eigendom heeft verkregen van de percelen [locaties] te [plaats] met het daarop aanwezige bedrijfscomplex, bestaande uit garages, een servicestation, een werkplaats, kantoren, een kantoorvilla, een showroom en een woning (hierna: de percelen). Sinds 21 april 1993 zijn alle baten en lasten van de percelen voor rekening van [appellante]. Bovendien zijn de percelen sinds ondertekening van de notariële akte voor risico van [appellante] en is [appellante] sindsdien bevoegd tot het verrichten van alle feitelijke en rechtshandelingen alsof zij eigenares is. Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat [appellante] als belanghebbende dient te worden aangemerkt, aangezien er een reële mogelijkheid bestaat dat zij door het besluit van 18 oktober 2007 in haar aan de economische eigendom ontleend belang geschaad zal worden. De voorzieningenrechter heeft het beroep van [appellante] tegen dat besluit dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

2.2. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het beroep van [appellante] niet-ontvankelijk is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [appellante] tegen het besluit van 18 oktober 2007 ingestelde beroep beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden.

2.3. De werkzaamheden waarop de vrijstelling ziet, te weten de aanleg van wegen en openbare voorzieningen, alsmede het geschikt maken van de gronden voor bebouwing, zijn in strijd met de ter plaatse geldende bestemmingsplannen. Teneinde de werkzaamheden mogelijk te maken, heeft het college met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling verleend.

2.4. Ingevolge die bepaling kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstig bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

Ingevolge het vierde lid wordt vrijstelling krachtens het eerste lid niet verleend voor een project dat wordt uitgevoerd in een gebied waarvoor het bestemmingsplan niet tijdig overeenkomstig artikel 33, eerste lid, van de WRO is herzien of geen vrijstelling overeenkomstig artikel 33, tweede lid, van de WRO is verleend, tenzij voor het gebied een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp voor een herziening ter inzage is gelegd.

Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad verklaren dat een nieuw bestemmingsplan wordt voorbereid (voorbereidingsbesluit).

2.5. Bij besluit van 19 december 2002 heeft de raad der gemeente Doetinchem (hierna: de gemeenteraad) de bevoegdheid om met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling te verlenen aan het college gedelegeerd. Bij besluit van 14 december 2006 heeft de gemeenteraad ten aanzien van het gebied waarin de percelen zijn gelegen een voorbereidingsbesluit genomen, dat op 21 december 2006 in werking is getreden. Bij besluit van 2 oktober 2007 hebben gedeputeerde staten een verklaring van geen bezwaar verleend.

2.6. Aldus is aan de vereisten voor toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO voldaan, zodat geen grond bestaat voor het oordeel dat, naar [appellante] stelt, het college in dit geval geen toepassing kon geven aan deze bevoegdheid.

2.7. Als ruimtelijke onderbouwing dient in dit geval het "Programma van Eisen 't Lookwartier" van november 2006 en de "Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van toepassing van artikel 19 lid 1 van de WRO voor het bouwrijp maken van 't Lookwartier te Doetinchem." In de ruimtelijke onderbouwing is vermeld dat het college archeologisch onderzoek heeft doen verrichten, alsmede onderzoek naar de bodemkwaliteit en naar de flora en fauna. De enkele stelling van [appellante] dat onvoldoende onderzoek is verricht naar deze aspecten, geeft geen grond voor het oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet.

2.8. [appellante] betoogt voorts dat het college, na afweging van de betrokken belangen, niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten vrijstelling te verlenen zoals het heeft gedaan. Direct naast het terrein waarop haar bedrijf is gevestigd, zijn woningen voorzien, hetgeen in verband met de hinder- en geluidscirkels van de naastgelegen bedrijven niet mogelijk is, aldus [appellante]. Voorts voert [appellante] aan dat door de aanleg van de nieuwe Ruimzichtlaan en de plaatsing van verkeerslichten op de Keppelseweg de bereikbaarheid van haar bedrijf is gevaar komt. Ten slotte is onvoldoende onderzoek verricht naar de gevolgen van de verlening van vrijstelling voor de luchtkwaliteit, aldus [appellante].

2.8.1. Zoals hiervoor onder 2.3 is overwogen, is de onderhavige vrijstelling beperkt tot het bouwrijp maken van de gronden en de aanleg van wegen en openbare voorzieningen. De onderhavige vrijstelling ziet niet op het oprichten van de geplande voorzieningen, waaronder woningen en definitieve infrastructurele voorzieningen, waarvoor dan ook een nieuwe vrijstelling noodzakelijk is. Het betoog van [appellante], dat is gericht tegen de gevolgen van deze geplande voorzieningen, behoeft in de onderhavige procedure dan ook geen bespreking.

2.9. Het beroep is ongegrond.

2.10. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

2.11. Een redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat - naar analogie van artikel 41, vijfde lid - het voor het hoger beroep betaalde griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan [appellante] wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen van 16 januari 2008 in zaken nrs. 07/2107, 07/2108, 07/2162, 07/2163, 07/2164, 07/2165, 07/2169 en 07/2170, voor zover daarbij het beroep van [appellante] niet-ontvankelijk is verklaard;

III. verklaart het beroep van [appellante] tegen het besluit van 18 oktober 2007 ongegrond;

IV. gelast dat de Secretaris van de Raad van State aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 428,00 (zegge: vierhonderdachtentwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Oudenaller

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2008

494.