Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BG7175

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-12-2008
Datum publicatie
17-12-2008
Zaaknummer
200801212/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juli 2005 heeft de raad van de gemeente Tilburg (hierna: de gemeenteraad) geweigerd een voorbereidingsbesluit te nemen voor het perceel, plaatselijk bekend [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2008/4763
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200801212/1.

Datum uitspraak: 17 december 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/6045 van de rechtbank Breda van 11 januari 2008 in het geding tussen:

[appellant]

en

de raad van de gemeente Tilburg.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2005 heeft de raad van de gemeente Tilburg (hierna: de gemeenteraad) geweigerd een voorbereidingsbesluit te nemen voor het perceel, plaatselijk bekend [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 18 september 2006 heeft de gemeenteraad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij besluit van 16 april 2007 heeft de gemeenteraad het besluit van

18 september 2006 ingetrokken en het door [appellant] tegen het besluit van 4 juli 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 januari 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het door [appellant] tegen het besluit van 16 april 2007 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 februari 2008, hoger beroep ingesteld.

De gemeenteraad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 november 2008, waar de gemeenteraad, vertegenwoordigd door mr. D.A.M. van Pluur-Puik, ambtenaar in dienst van de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), voor zover thans van belang, kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben.

Ingevolge artikel 19, vierde lid, van de WRO wordt vrijstelling krachtens het eerste lid niet verleend voor een project dat wordt uitgevoerd in een gebied waarvoor

a. het bestemmingsplan niet tijdig overeenkomstig artikel 33, eerste lid, is herzien of

b. geen vrijstelling overeenkomstig artikel 33, tweede lid, is verleend, tenzij voor het gebied een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp voor een herziening ter inzage is gelegd.

Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de WRO, voor zover hier van belang, kan de gemeenteraad verklaren dat een bestemmingsplan wordt voorbereid.

2.2. [appellant] heeft een bouwplan ingediend dat ziet op de realisering van een appartementencomplex op het perceel. Dit is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "De Hasselt". Hiervoor kan slechts vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO worden verleend indien door de gemeenteraad een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de WRO wordt genomen.

Bij besluit van 19 september 2005 heeft de gemeenteraad verklaard dat een herziening wordt voorbereid van het bestemmingsplan "Hasselt-Soey", zoals dit op de bij dit besluit behorende tekening is aangegeven, en bepaald dat het besluit in werking treedt met ingang van 30 september 2005. Het perceel ligt binnen het plangebied waar het besluit van 19 september 2005 op ziet. De gemeenteraad heeft nadien nog tweemaal een voorbereidingsbesluit genomen met dezelfde strekking als het besluit van 19 september 2005, laatstelijk bij besluit van 24 september 2007.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Daartoe voert zij aan dat zij een voorbereidingsbesluit wenst met een strekking die het mogelijk maakt om een vrijstellingsprocedure voor het bouwplan te volgen.

2.4. Dit betoog slaagt. Het college heeft naar aanleiding van het bouwplan van [appellant] een raadvoorstel ten behoeve van dit bouwplan ingediend. De gemeenteraad heeft hierop geweigerd een voorbereidingsbesluit ten behoeve van het bouwplan te nemen. Het voorbereidingsbesluit van 19 september 2005 beoogt bouwplannen als die van [appellant] tegen te gaan. Het besluit van 19 september 2005 is ook geen besluit in de zin van artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en maakt geen deel uit van de onderhavige procedure.

Nu het college de bevoegdheid heeft bij de beslissing op bezwaar tegen de weigering van 4 juli 2005 een nieuw voorbereidingsbesluit met de door [appellant] gewenste strekking te nemen, bestaat voor [appellant] procesbelang bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het desbetreffende besluit op bezwaar.

2.5. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Gelet hierop is het hoger beroep gegrond en moet de aangevallen uitspraak worden vernietigd. Gelet op het bepaalde in artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Raad van State moet de zaak in beginsel worden teruggewezen naar de rechtbank, maar nu de zaak gelet op het hierna volgende geen verdere behandeling behoeft, kan de Afdeling de zaak met toepassing van artikel 45 van de Wet op de Raad van State zonder terugwijzing afdoen.

2.6. Het beroep van [appellant] moet mede worden geacht gericht te zijn tegen het besluit van 18 september 2006. De rechtbank heeft nagelaten op het beroep voor zover gericht tegen dat besluit te beslissen. Nu het besluit van 18 september 2006 met het besluit van 16 april 2007 is ingetrokken had [appellant] geen belang meer bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep voor zover gericht tegen het besluit van 18 september 2006. De Afdeling zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep in zoverre alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

Voor zover het beroep is gericht tegen het besluit van 16 april 2007, overweegt de Afdeling als volgt.

2.7. Vooropgesteld wordt dat de gemeenteraad bij de beslissing op een verzoek om een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de WRO te nemen een grote mate van beleidsvrijheid heeft. Een dergelijke beslissing is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij het bestuursorgaan bestaan over de wenselijke planologische ontwikkelingen. Derhalve dient door de rechter een beperkte toetsing plaats te vinden.

2.7.1. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.

Anders dan [appellant] betoogt, kan aan de omstandigheid dat het college in principe bereid was mee te werken aan het verlenen van vrijstelling voor het bouwplan en onder meer een voorstel tot het nemen van een voorbereidingsbesluit ten behoeve van het bouwplan aan de raad heeft voorgelegd, door haar niet het gerechtvaardigde vertrouwen worden ontleend dat een ander bestuursorgaan, te weten de bij uitsluiting bevoegde gemeenteraad, bereid zou zijn het benodigde voorbereidingsbesluit te nemen.

Dat de raadscommissie Fysiek (hierna: de commissie) tijdens de gehele voorbereidingsprocedure geen enkel signaal zou hebben afgegeven dat er geen voorbereidingsbesluit zou (kunnen) worden genomen, terwijl zij volgens [appellant] op meerdere momenten daartoe de gelegenheid had, kan evenmin leiden tot het oordeel dat de gemeenteraad in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft geweigerd een voorbereidingsbesluit te nemen. Niet de commissie, maar slechts de gemeenteraad heeft de bevoegdheid een voorbereidingsbesluit te nemen.

2.7.2. Het betoog dat de gemeenteraad bij de afweging van betrokken belangen niet in redelijkheid tot weigering van het voorbereidingsbesluit heeft kunnen komen slaagt evenmin. Niet is gebleken van een onjuiste afweging van belangen, zoals [appellant] stelt. De gemeenteraad heeft het belang bij het tegengaan van de bouw van een appartementencomplex aan de [locatie] zwaarder kunnen laten wegen dan het financiële belang van [appellant]. Dat [appellant] vooruitlopend op het besluit op het raadsvoorstel kosten heeft gemaakt komt voor haar rekening en risico. De gemeenteraad heeft dit niet doorslaggevend hoeven achten. De standpunten van de individuele leden van de gemeenteraad, waarnaar [appellant] heeft verwezen, doen voorts in dit kader niet ter zake nu de weigering van het gevraagde voorbereidingsbesluit een besluit van de gemeenteraad als geheel betreft.

Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de weigering van de gemeenteraad om een voorbereidingsbesluit te nemen kennelijk onredelijk is te achten, omdat daarmee [appellant] de mogelijkheid zou zijn ontnomen om de procedure te volgen die kan leiden tot het verlenen van een bouwvergunning. Formeel gezien bestaat die mogelijkheid met het door de gemeenteraad genomen voorbereidingsbesluit wel. Voorts kan het beroep dat [appellant] in dit kader op het vertrouwensbeginsel doet, zoals hiervoor onder 2.7.1. reeds is overwogen, niet slagen.

2.7.3. Het betoog dat het besluit op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd en geen blijk geeft van een zorgvuldige voorbereiding faalt tot slot eveneens. De gemeenteraad heeft haar standpunt met een verwijzing naar planologische inzichten, wat daarvan verder zij, voldoende gemotiveerd. Van een onzorgvuldige voorbereiding is niet gebleken.

De Afdeling zal doende hetgeen de rechtbank behoorde te doen het beroep van [appellant] voor zover gericht tegen het besluit van 16 april 2007 ongegrond verklaren.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.9. Redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het in hoger beroep betaalde griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan [appellant] wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Breda van 11 januari 2008 in zaak nr. 06/6045;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep voor zover gericht tegen het besluit van 18 september 2006 niet-ontvankelijk;

IV. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep voor zover gericht tegen het besluit van 16 april 2007 ongegrond;

V. gelast dat de secretaris van de Raad van State aan [appellant] het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 428,00 (zegge: vierhonderdachtentwintig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van Staat.

w.g. Wortmann w.g. Huijben

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2008

190-580.