Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BG7171

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-12-2008
Datum publicatie
17-12-2008
Zaaknummer
200802887/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Arcen en Velden (hierna: het college), onder toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Forum Real

Estate B.V. (hierna: vergunninghoudster) vrijstelling verleend voor het huisvesten van buitenlandse werknemers op de camping De Maasvallei-Oost aan de Dorperheide 34 te Arcen, gemeente Arcen en Velden (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2008/2745
ABkort 2009/6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200802887/1.

Datum uitspraak: 17 december 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het college van burgemeester en wethouders van Arcen en Velden,

2. [appellant sub 2], wonend te Arcen, gemeente Arcen en Velden,

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 12 maart 2008 in zaak nrs. 07/539 en 07/708 in het geding tussen:

[appellant sub 2]

[wederpartij], wonend te Arcen, gemeente Arcen en Velden,

en

het college van burgemeester en wethouders van Arcen en Velden.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Arcen en Velden (hierna: het college), onder toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Forum Real

Estate B.V. (hierna: vergunninghoudster) vrijstelling verleend voor het huisvesten van buitenlandse werknemers op de camping De Maasvallei-Oost aan de Dorperheide 34 te Arcen, gemeente Arcen en Velden (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 12 maart 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) de door [appellant sub 2] en [wederpartij] ) daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard en het besluit van 30 maart 2007 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college en [appellant sub 2] bij onderscheiden brieven, bij de Raad van State ingekomen op 21 april 2008, hoger beroep ingesteld. Het college heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 19 mei 2008. [appellant sub 2] heeft haar hoger beroep aangevuld bij brief van 19 mei 2008.

[appellant sub 2] en [wederpartij] hebben een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] en [wederpartij] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 november 2008, waar het college, vertegenwoordigd door mr. P.P.A. Bodden, advocaat te Nijmegen, en [appellant sub 2], in persoon, zijn verschenen. Voorts is daar als partij gehoord [wederpartij] .

2. Overwegingen

2.1. Met instemming van partijen is afgezien van het horen van de door [appellant sub 2] en [wederpartij] in het kader van de behandeling van de zaak ter zitting in hoger beroep meegebrachte getuigen.

2.2. Vast staat dat het gebruik, als verzocht, in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Algemeen bestemmingsplan 1986" (hierna: het bestemmingsplan), waarin het perceel de bestemming "Recreatiedoeleinden" heeft.

Teneinde het gebruik mogelijk te maken, heeft het college met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling verleend.

2.3. Ingevolge die bepaling kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

In het eerste lid wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

2.4. Bij besluit van 19 december 2006 hebben gedeputeerde staten van Limburg (hierna: gedeputeerde staten) een lijst met categorieën van gevallen, als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO, vastgesteld. Daartoe behoort, voor zover thans van belang, het voorzien in huisvesting voor buitenlandse werknemers mits passend binnen de door gedeputeerde staten op 31 oktober 2006 vastgestelde Beleidsnotitie Huisvesting Buitenlandse Werknemers (hierna: de provinciale beleidsnotitie).

2.5. Als ruimtelijke onderbouwing van het project dient in dit geval de "Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een vrijstelling op grond van artikel 19 lid 2 Wet op de Ruimtelijke Ordening" van januari 2007. De ruimtelijke onderbouwing is gebaseerd op de Nota Ruimte, het door de provinciale staten van Limburg op 22 september 2006 vastgestelde Provinciaal Omgevingsplan Limburg en de provinciale beleidsnotitie, welke op 12 juli 2005 onder de aanvullende voorwaarde dat deze uitsluitend van toepassing zal zijn op huisvesting van buitenlandse werknemers die in de gemeente Arcen en Velden werkzaam zijn, door het college als gemeentelijk beleid is vastgesteld (hierna: de gemeentelijke beleidsnotitie).

2.6. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het besluit van 30 maart 2007 een goede ruimtelijke onderbouwing ontbeert. Daartoe voert het aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college bij de beslissing al dan niet vrijstelling te verlenen beleidsvrijheid heeft. Gelet hierop, en de omstandigheden in aanmerking genomen dat het project een geringe inbreuk maakt op het planologisch regime en dat het met de ruimtelijk relevante aspecten uit de provinciale beleidsnotitie in overeenstemming is, voldoet de ruimtelijke onderbouwing aan de daaraan in dit geval te stellen eisen, aldus het college.

2.6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 mei 2003 in zaak nr. 200204703/1) moeten aan de ruimtelijke onderbouwing van een project zwaardere eisen worden gesteld, naarmate de inbreuk van dat project op het geldende planologische regime groter is. Anders dan het college betoogt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de inbreuk op het planologisch regime geen geringe is. Weliswaar is het project met de bouwvoorschriften van het bestemmingsplan in overeenstemming, maar met het realiseren daarvan vindt een zodanige wijziging van het gebruik en dientengevolge van de planologische uitstraling op en de gevolgen voor de omgeving plaats, dat van een geringe inbreuk geen sprake is. Het project voorziet in de huisvesting van maximaal 510 buitenlandse werknemers in 85 stacaravans. Anders dan het geval is bij recreatief gebruik van het perceel, dat doorgaans van korte duur is, oefent het aldaar permanent huisvesten van buitenlandse werknemers in een omvang als hier toegestaan, die, naar niet in geschil is, werkzaamheden verrichten in verscheidene plaatsen tot ver buiten de regio en daarheen dagelijks per touringcar en personenauto's worden vervoerd, grote druk uit op het gebied, onder meer door de verkeersaantrekkende werking die daarvan uit gaat.

2.6.2. Zoals blijkt uit de ruimtelijke onderbouwing, die op dit punt is gebaseerd op de provinciale en gemeentelijke beleidsnotitie, vloeit de wenselijkheid voor het project voort uit het tekort aan goede huisvestingsmogelijkheden voor buitenlandse werknemers in de regio Noord-Limburg. In onvoldoende mate is evenwel uiteengezet waarom het project op zichzelf gezien in deze vorm en omvang het maken van een inbreuk, die, zoals hiervoor onder 2.6.1 is overwogen niet als een geringe kan worden aangemerkt, rechtvaardigt.

In de ruimtelijke onderbouwing is niet gemotiveerd dat het project in overeenstemming is met het in de provinciale en de gemeentelijke beleidsnotitie vervatte beleid, in het bijzonder met de daarin opgenomen randvoorwaarden dat alleen buitenlandse werknemers worden gehuisvest die in de eigen regio dan wel de eigen gemeente werkzaam zijn, dat een optimaal evenwicht moet bestaan tussen het aantal te huisvesten mensen en het maatschappelijk draagvlak van de aan te wijzen locatie en dat adequaat beheer aanwezig moet zijn onder verantwoordelijkheid van de ondernemer. Deze randvoorwaarden hebben, gelet op hun strekking, dat aldus een beperking in het aantal te huisvesten buitenlandse werknemers wordt aangebracht en een toezichthoudende taak van overheidswege op het beheer door de ondernemer wordt gegarandeerd, een zekere ruimtelijke relevantie.

Nu voorts niet is bestreden dat met het project niet alleen wordt voorzien in de huisvesting van buitenlandse werknemers, werkzaam in de gemeente of in de regio, is het project niet in overeenstemming met het eigen beleid, zoals vastgesteld in de gemeentelijke beleidsnotitie, en met het provinciale beleid. Hieruit volgt dat het college de gemeentelijke beleidsnotitie evenmin als de provinciale beleidsnotitie aan de ruimtelijke onderbouwing ten grondslag heeft kunnen leggen.

2.6.3. De conclusie is dat de rechtbank terecht in het in beroep aangevoerde grond heeft gevonden voor het oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing van de vrijstelling niet voldoet aan de eisen die daaraan dienen te worden gesteld. Het betoog van het college faalt.

2.7. Het hoger beroep van het college is ongegrond.

2.8. Het hoger beroep van [appellant sub 2] strekt mede tot het verkrijgen van een oordeel over een aantal door de rechtbank onbesproken gebleven beroepsgronden, zodat [appellant sub 2], anders dan het college ter zitting heeft betoogd, bij de beoordeling van het hoger beroep belang heeft.

2.9. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen sanctie heeft bepaald indien het college niet aan haar uitspraak voldoet.

2.9.1. Dit betoog faalt. Ingevolge artikel 8:72, zevende lid, van de Awb, kan de rechtbank bepalen dat, indien of zolang het bestuursorgaan niet voldoet aan een uitspraak, de door haar aangewezen rechtspersoon aan een door haar aangewezen partij een in de uitspraak vast te stellen dwangsom verbeurt. Dit is een bevoegdheid die ter eigen beoordeling van de rechtbank staat. Er is geen grond voor het oordeel dat zij gehouden was in dit geval van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.10. Voorts wenst [appellant sub 2] een oordeel over een aantal door de rechtbank onbesproken gebleven beroepsgronden, die, naar zij stelt, voor gegrondverklaring in aanmerking komen en aldus leiden tot vernietiging van het besluit van 30 maart 2007 op meerdere gronden. Het betreft beroepsgronden gericht tegen de door het college gemaakte belangenafweging, met name waar het de door haar te ondervinden hinder betreft.

2.10.1. Om een oordeel te kunnen geven over de aan het besluit van 30 maart 2007 ten grondslag gelegde belangenafweging, dient voor die afweging een voldoende deugdelijke grondslag te bestaan. De rechtbank is dan ook, na te hebben overwogen dat het project een goede ruimtelijke onderbouwing ontbeert, zodat voor een belangenafweging geen deugdelijke grondslag bestaat, terecht niet overgegaan tot een beoordeling van deze beroepsgronden. Deze gronden dienen aan de orde te komen bij het door het college met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank nieuw te nemen besluit op het verzoek van vergunninghoudster om haar vrijstelling te verlenen.

2.11. Hetgeen [appellant sub 2] betoogt ten aanzien van een kapvergunning, valt buiten het kader van dit geding, dat betrekking heeft op het besluit tot verlening van vrijstelling, en kan derhalve thans niet aan de orde komen.

2.12. Het hoger beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

2.13. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verstaat dat de secretaris van de Raad van State van de gemeente Arcen en Velden griffierecht ten bedrage van € 433,00 (zegge: vierhonderddrieendertig euro) heft.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Oudenaller

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2008

179-476.