Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BG7170

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-12-2008
Datum publicatie
17-12-2008
Zaaknummer
200803050/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 januari 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) [wederpartij] een boete van € 23.500,00 opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, en artikel 15, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803050/1.

Datum uitspraak: 17 december 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/2330 van de rechtbank 's-Gravenhage van 14 maart 2008 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 januari 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) [wederpartij] een boete van € 23.500,00 opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, en artikel 15, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Bij besluit van 12 februari 2007 heeft de staatssecretaris het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar gegrond verklaard voor zover dat betrekking heeft op de boete die is opgelegd voor overtreding van de Wav door tewerkstelling van één van de betrokken vreemdelingen en het besluit van 9 januari 2006 in zoverre herroepen. De staatssecretaris heeft het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard en de in verband met de overige overtredingen opgelegde boete, die in totaal € 14.000,00 bedraagt, gehandhaafd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 14 maart 2008, verzonden op 19 maart 2008, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, in zoverre dat de boete wordt vastgesteld op € 10.000,00, en voor het overige de rechtsgevolgen in stand worden gelaten. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 april 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 oktober 2008, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. F.P.A. Fikken, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. T.H. Slieker, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 1°, van de Wav wordt onder werkgever verstaan degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, draagt de werkgever die door een vreemdeling arbeid laat verrichten bij een andere werkgever er bij de aanvang van de arbeid door de vreemdeling onverwijld zorg voor dat de werkgever bij wie de arbeid feitelijk wordt verricht een afschrift van het document, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de identificatieplicht (hierna: de WID), van de vreemdeling ontvangt.

Ingevolge artikel 18 wordt het niet naleven van de artikelen 2, eerste lid, en 15 als beboetbaar feit aangemerkt.

Ingevolge artikel 19a, eerste lid, legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een beboetbaar feit.

Ingevolge het tweede lid gelden de ter zake van deze wet gestelde beboetbare feiten ten opzichte van elk persoon, met of ten aanzien van wie een beboetbaar feit is begaan.

Ingevolge artikel 19d, eerste lid, voor zover thans van belang, is de hoogte van de boete, die voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd, indien begaan door een rechtspersoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 45.000,00.

Ingevolge het derde lid stelt de minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld.

Volgens artikel 1 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav 2007 (hierna: de beleidsregels) wordt bij de berekening van een boete, als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de 'Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav' (hierna: de Tarieflijst), die als bijlage bij de beleidsregels is gevoegd.

Volgens artikel 4 bestaat de totale bij een boetebeschikking op te leggen boete, ingeval sprake is van meer beboetbare feiten, uit de som van de per beboetbaar feit berekende boetebedragen.

Volgens de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, € 8.000,00 en voor overtreding van artikel 15, eerste lid, € 1.500,00, per persoon per beboetbaar feit.

2.2. Blijkens het op 8 augustus 2005 op ambtseed, onderscheidenlijk ambtsbelofte door inspecteurs van de Arbeidsinspectie opgemaakte boeterapport (hierna: het boeterapport) heeft [de vreemdeling] via [wederpartij] arbeid verricht bij [Firma] te [plaats]. De vreemdeling heeft zich bij [wederpartij] gelegitimeerd met een vervalste Portugese identiteitskaart op naam van [vreemdeling 1] (hierna: de identiteitskaart).

In het als bijlage 5 aan het boeterapport gehechte, op ambtsbelofte door een deskundige A documentenonderzoek van het Nationaal Bureau Documenten (hierna: het NBD) opgemaakte proces-verbaal van bevindingen is vermeld dat kon worden vastgesteld dat de op de identiteitskaart aangebrachte pasfoto niet origineel door de autoriteiten van Portugal was aangebracht.

2.3. De minister betoogt dat [wederpartij] zich bij de controle van de identiteitskaart van de vreemdeling weliswaar de inspanning heeft getroost om een ingescande kopie van deze identiteitskaart naar het NBD te zenden, maar dat dat niet de conclusie rechtvaardigt dat sprake is van een zeer beperkte mate van verwijtbaarheid die grond biedt tot matiging van de opgelegde boete. Daartoe is volgens de minister van belang dat het NBD in eerste instantie geen uitspraak heeft gedaan omtrent de door [wederpartij] gemaakte scan van de identiteitskaart en in tweede instantie aan [wederpartij] heeft laten weten dat het vermoeden bestond dat de oorspronkelijke foto van het document was vervangen door een andere. De rechtbank heeft volgens de minister derhalve terecht overwogen dat niet aannemelijk is gemaakt dat [wederpartij] van het NBD heeft vernomen dat de identiteitskaart in orde was. Door de vreemdeling desondanks te werk te stellen heeft [wederpartij] het risico gelopen dat zij een overtreding beging. Te meer nu [wederpartij] in strijd met haar eigen bedrijfsnormen heeft gehandeld is de overtreding volledig verwijtbaar, aldus de minister.

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 12 maart 2008 in zaak nr. 200704906/1; www.raadvanstate.nl) wordt in situaties waarin sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid van boeteoplegging afgezien. Hiertoe dient de werkgever aannemelijk te maken dat hij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was om de overtreding te voorkomen heeft gedaan.

De rechtbank heeft overwogen dat [wederpartij] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij van het NBD heeft vernomen dat de identiteitskaart 'in orde' was en geconcludeerd dat [wederpartij] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de maximale van haar te vergen zorg heeft betracht ter voorkoming van de overtreding, zodat geen sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid. Tegen deze overweging is in hoger beroep niet opgekomen, zodat van de juistheid daarvan dient te worden uitgegaan.

2.3.2. Zoals de Afdeling evenzeer eerder heeft overwogen (voormelde uitspraak van 12 maart 2008) kan een verminderde mate van verwijtbaarheid aanleiding geven de opgelegde boete te matigen.

Niet in geschil is dat [wederpartij] de identiteitskaart heeft gecontroleerd met gebruikmaking van het Handboek Vreemdelingen, Identiteitsdocumenten en Arbeid, een UV-lamp en een loep en dat de [directeur] van [wederpartij], heeft gecontroleerd of de handtekening van de vreemdeling overeenkwam met de handtekening op de kaart. Aldus heeft [wederpartij] onderzoek naar de authenticiteit van de identiteitskaart verricht op een wijze die voor een groot deel in overeenstemming is met het in de brochure "Wat u moet weten over vreemdelingen en werk" vermelde stappenplan voor de controle van identiteitsdocumenten, welke brochure op de website van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is gepubliceerd.

Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de wijze waarop [wederpartij] de identiteitskaart heeft gecontroleerd de conclusie rechtvaardigt dat sprake is van het gedeeltelijk ontbreken van verwijtbaarheid, die grond biedt voor matiging van de opgelegde boete. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris met deze bijzondere omstandigheden ten onrechte geen rekening heeft gehouden.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) aan [wederpartij] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III. bepaalt dat van de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) een griffierecht van € 433,00 (zegge: vierhonderddrieëndertig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. De Vink

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2008

154-501.