Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BG7164

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-12-2008
Datum publicatie
17-12-2008
Zaaknummer
200802899/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 december 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk (hierna: het college) de Muntendamsche Investeringsmaatschappij B.V. vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een parkeergarage, een winkelruimte en 19 appartementen aan de Parallel Boulevard 7 te Noordwijk (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2009, 64 met annotatie van R. Ortlep
Module Ruimtelijke ordening 2008/5313
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200802899/1.

Datum uitspraak: 17 december 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. de vereniging "Vereniging van Eigenaars Koningin Wilhelmina Boulevard 6 t/m 6g", gevestigd te Noordwijk, en

2 haar leden, [namen 12 leden] (hierna: de leden van de VvE, [appellant sub 2] e.a.), allen wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaken nrs. 07/5107 en 07/5109 van de rechtbank 's-Gravenhage van 7 maart 2008 in het geding tussen:

1. de vereniging "Vereniging van Eigenaars Koningin Wilhelmina Boulevard 6 t/m 6g", gevestigd te Noordwijk, en

2. de leden van de VvE, [appellant sub 2] e.a., allen wonend te [woonplaats] ,

en

het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 december 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk (hierna: het college) de Muntendamsche Investeringsmaatschappij B.V. vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een parkeergarage, een winkelruimte en 19 appartementen aan de Parallel Boulevard 7 te Noordwijk (hierna: het perceel).

Bij besluit van 5 juni 2007 heeft het college het door de vereniging "Vereniging van Eigenaars Koningin Wilhelmina Boulevard 6 t/m 6g" (hierna: de VvE) en de leden van de VvE, [appellant sub 2] e.a. daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 7 maart 2008, verzonden op 13 maart 2008, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door de VvE en de leden van de VvE, [appellant sub 2] e.a. daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de VvE en de leden van de VvE, [appellant sub 2] e.a. bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 april 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de Muntendamsche Investeringsmaatschappij B.V. een schriftelijke reactie gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 november 2008, waar de VvE en de leden van de VvE, [appellant sub 2] e.a., gezamenlijk vertegenwoordigd door mr. K. Heede, advocaat te Noordwijk, en het college, vertegenwoordigd door mr. K. Hobeijn en mr. S.M.C. Rooijers, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de Muntendamsche Investeringsmaatschappij B.V., vertegenwoordigd door jhr. mr. N.J.M. Beelaerts van Blokland, advocaat te 's-Gravenhage, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Niet in geschil is dat de leden van de VvE, [appellant sub 2] e.a. het bezwaar tegen verlening van de bouwvergunning niet binnen de daarvoor gestelde termijn hebben gemaakt.

Zij betogen tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Hun stelling dat zij het in eerste instantie niet nodig hebben geacht zelfstandig bezwaar tegen het besluit van 14 december 2005 te maken, omdat zij aan de brief van het college van 3 oktober 2006 gericht aan de VvE, waarin is vermeld dat de mogelijkheid van het maken van bezwaar tegen dat besluit openstaat, het vertrouwen hebben ontleend dat het college het bezwaar van de VvE ontvankelijk zou achten, biedt geen grond om verschoonbaarheid aan te nemen. Dit vertrouwen ligt in hun risicosfeer.

2.2. Anders dan de VvE heeft aangevoerd, is de Muntendamsche Investeringsmaatschappij B.V., aan wie de vrijstelling en bouwvergunning is verleend en die als zodanig belanghebbende is als bedoeld in artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, terecht op de voet van dat artikel toegelaten als partij aan dit geding deel te nemen.

2.3. De VvE betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, nu de VvE niet kan worden aangemerkt als belanghebbende bij het besluit van 5 juni 2007, het college haar bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hiertoe voert zij aan dat een vereniging van eigenaars uit haar aard in beginsel opkomt voor de gemeenschappelijke belangen van haar leden en dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, daarvoor geen statutaire doelstelling is vereist waarin dit beginsel is neergelegd.

2.3.1. Dit betoog slaagt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 maart 2008 in zaak nr. 200702359/1) komt een belangenorganisatie die voor het belang van haar leden opkomt, daarmee op voor een collectief belang, tenzij het tegendeel blijkt. In geval van een splitsing in appartementsrechten als bedoeld in titel 9 van boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is ingevolge artikel 112 voorzien in de verplichting tot oprichting van een vereniging van eigenaars die ten doel heeft het behartigen van de gemeenschappelijke belangen van de appartementseigenaars. Hieruit volgt dat, ook indien dit niet uitdrukkelijk in de statuten is vermeld, een vereniging van eigenaars uit haar aard in beginsel opkomt voor de gemeenschappelijke belangen van de eigenaars. De tekst van het bijzonder reglement van ondersplitsing biedt ook geen grond voor het oordeel dat de opstellers daarvan deze belangenbehartiging door de VvE uitdrukkelijk hebben willen uitsluiten. In voorliggend geval is niet gebleken dat de VvE niet opkomt voor het gemeenschappelijk belang van haar leden. In aanmerking genomen dat de appartementen die de leden in eigendom hebben zich naast het perceel bevinden, dient deze vereniging daarom te worden aangemerkt als belanghebbende bij het besluit van 5 juni 2007. De rechtbank heeft derhalve niet onderkend dat het college in strijd met artikel 1:2, eerste lid, van de Awb het bezwaar van de VvE niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.4. Het hoger beroep van de VvE is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover daarbij het door de VvE ingestelde beroep ongegrond is verklaard. Gelet hierop zal de Afdeling dat beroep alsnog gegrond verklaren en het besluit op bezwaar vernietigen, voor zover daarbij het bezwaar van de VvE niet-ontvankelijk is verklaard. Het college behoort in zoverre een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het hoger beroep van de leden van de VvE, [appellant sub 2] e.a. is ongegrond.

2.5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van de VvE gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 7 maart 2008 in zaken nrs. 07/5107 en 07/5109, voor zover daarbij het beroep van de VvE ongegrond is verklaard;

III. verklaart dat bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk van 5 juni 2007, kenmerk VH/MS/438, voor zover daarbij het bezwaar van de VvE tegen het besluit van 14 december 2005 niet-ontvankelijk is verklaard;

V. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk tot vergoeding van bij de VvE in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Noordwijk aan de VvE onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VII. gelast dat de gemeente Noordwijk aan de VvE het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 718,00 (zegge: zevenhonderdachttien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. C.W. Mouton, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. Lodder

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2008

17-543.