Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BG7163

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-12-2008
Datum publicatie
17-12-2008
Zaaknummer
200802670/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 maart 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Hardinxveld-Giessendam (hierna: de raad) bij besluit van 27 september 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied-Oost 2006" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200802670/1.

Datum uitspraak: 17 december 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 maart 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Hardinxveld-Giessendam (hierna: de raad) bij besluit van 27 september 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied-Oost 2006" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 april 2008, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 7 mei 2008.

Het college van burgemeester en wethouders en [belanghebbende] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[belanghebbende] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 november 2008, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door mr. H. Kats, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn de raad, vertegenwoordigd door drs. A. Franken en mr. E. Vos, ambtenaren in dienst van de gemeente, en [belanghebbende], gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan voorziet, voor zover hier van belang, in een plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden" en de aanduiding "Agrarisch bouwperceel", ter hoogte van de woningen aan de [locatie 1] en [locatie 2] (hierna: het bouwperceel). De raad heeft de grenzen van het bouwperceel op de plankaart ten opzichte van het ontwerp daarvan gewijzigd vastgesteld. Het in het ontwerp voorziene gedeelte van het bouwperceel achter de woning van [appellant] is verkleind en ter plaatse van de daar gelegen schuur is de aanduiding "schuur toegestaan" opgenomen. Voorts is het gedeelte van het bouwperceel achter de woning van de broer van [appellant], [belanghebbende], in noordelijke richting uitgebreid.

2.3. [appellant] voert tevergeefs aan dat de raad de grenzen van het bouwperceel niet gewijzigd heeft mogen vaststellen zonder hem hierover te horen. De raad kan bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen aanbrengen ten opzichte van het ontwerp. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zodanig groot zijn dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld, dient de wettelijke procedure opnieuw te worden doorlopen. Vast staat dat de raad in dit geval het plan heeft vastgesteld met een aantal wijzigingen. Deze afwijkingen van het ontwerp zijn naar aard en omvang niet zo groot dat geoordeeld moet worden dat een wezenlijk ander plan voorligt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de bestemming als zodanig niet is gewijzigd, dat de omvang van het bouwperceel niet wezenlijk is veranderd, dat [appellant] over het gewijzigde bouwperceel door het college is gehoord en dat de raad zich over zijn belangen met betrekking tot het bouwperceel heeft uitgesproken in het kader van het overleg met het college krachtens artikel 10:30 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.4. Het beroep van [appellant] richt zich tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden", voor zover daarbij het bouwperceel gewijzigd is vastgesteld. [appellant] betoogt dat de raad met het vaststellen van het bouwperceel ten onrechte vooruit is gelopen op de uitslag van de arbitrage tussen hem en [belanghebbende] met betrekking tot de toedeling van het maatschapsvermogen en de voortzetting van het bedrijf van hun vader. [appellant] voert aan dat het college bovendien heeft miskend dat hij al een volwaardig agrarisch bedrijf uitoefent en dat hij op grond van het streekplan ontwikkelingsmogelijkheden zou moeten hebben. Dat zijn bedrijf niet is geregistreerd bij de Milieudienst Zuid-Holland Zuid doet volgens hem niets af aan het agrarische karakter van zijn bedrijf.

[appellant] stelt voorts dat het bestemmingsplan ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid om een grotere schuur dan de huidige schuur, gelegen achter zijn woning aan de [locatie 1], te bouwen.

Het bouwperceel is volgens [appellant] deels gesitueerd op door [belanghebbende] gepachte gronden. Dit is volgens hem in strijd met een goede ruimtelijke ordening, nu [belanghebbende] alleen met toestemming van de verpachter op het betreffende gedeelte van het bouwperceel kan bouwen.

2.4.1. Het college stelt zich op het standpunt dat bij de vaststelling van het bouwperceel is aangesloten bij de feitelijke situatie ter plaatse en dat het niet past om vooruit te lopen op onzekere ontwikkelingen, zoals de uitkomst van de arbitrage. Het college stelt voorts dat de belangen van [appellant] geen aanleiding geven om aan de gronden achter zijn woning een bouwperceel toe te kennen, omdat het bedrijf van [appellant] niet als een agrarisch bedrijf kan worden aangemerkt. Daartoe voert het college aan dat het bedrijf niet als agrarisch bedrijf is geregistreerd, niet bij de Milieudienst Zuid-Holland Zuid is aangemeld en ook bij de inventarisatie van het plangebied geen bedrijfsactiviteiten ter plaatse zijn waargenomen. Het college voert voorts aan dat de raad met de situering van het bouwperceel voldoende ontwikkelingsmogelijkheden heeft willen geven aan het bestaande agrarische bedrijf van [belanghebbende].

2.4.2. Ingevolge artikel 5, derde lid, van de planvoorschriften mag de bij één agrarisch bedrijf behorende bebouwing uitsluitend worden gebouwd binnen een op de plankaart aangegeven bouwperceel.

Ingevolge artikel 1, vierde lid, wordt onder "agrarische bedrijvigheid" verstaan "bedrijvigheid, geheel of overwegend gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen van agrarische producten".

2.4.3. Het plan heeft blijkens de plantoelichting een conserverend karakter. Bij de vaststelling van het bouwperceel is de raad dan ook uitgegaan van de bestaande, feitelijke, situatie. Gelet hierop was de raad niet gehouden de uitkomst van de arbitrage af te wachten. Uit artikel 5, derde lid, van de planvoorschriften volgt dat op de bestemming "Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden" een bouwperceel uitsluitend kan worden toegekend aan een agrarisch bedrijf. Uit de gedingstukken en de toelichting ter zitting blijkt dat [appellant] als zelfstandig ondernemer een grondverzet- en loonwerkbedrijf voert. Nu dit, gelet op artikel 5, derde lid, van de planvoorschriften, gelezen in samenhang met artikel 1, vierde lid, niet is aan te merken als een agrarisch bedrijf, behoefde de raad aan [appellant] geen bouwperceel toe te kennen. Het streekplan waar [appellant] zich op beroept, beoogt slechts ontwikkelingsmogelijkheden te bieden voor bestaande agrarische bedrijven. Daarvan is in zijn situatie geen sprake. Voorts blijkt uit de gedingstukken dat [belanghebbende] een agrarisch bedrijf voert op het perceel aan de [locatie 2]. Gelet op de bestaande situatie en de op de percelen van de broers [appellant] rustende agrarische bestemming met de daarbij behorende landschaps- en natuurwaarden, heeft het college in redelijkheid goedkeuring kunnen verlenen aan de situering van het bouwperceel en de bestemmingsregeling van de schuur.

2.5. Het college stelt zich in het bestreden besluit voorts op het standpunt dat de raad bereid is om de mogelijkheid om af te wijken van het plan te bestuderen als er zicht bestaat op de aard van een toekomstig op te starten agrarisch bedrijf van [appellant]. In dit kader zal volgens de raad een separaat onderzoek moeten plaatsvinden naar verkeerskundige, planologische en milieuaspecten in verband met een nieuw agrarisch bouwperceel.

2.5.1. [appellant] voert tevergeefs aan dat de aldus uitgesproken bereidheid van de raad te vrijblijvend en te onzeker is en dat verkeerskundige, planologische en milieuaspecten niet in de weg kunnen staan aan de toekenning van een agrarisch bouwperceel. De ruimtelijke inpassing van een mogelijk toekomstig agrarisch bouwperceel is in deze procedure niet aan de orde.

2.6. De conclusie is dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Boermans

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2008

429-589.