Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BG7158

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-12-2008
Datum publicatie
17-12-2008
Zaaknummer
200803638/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 augustus 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Westland (hierna: het college) aan [appellante] lasten onder dwangsom opgelegd wegens het overtreden van voorschrift 1.1.1 van bijlage 2, onderdeel B, behorende bij het Besluit glastuinbouw (hierna: voorschrift 1.1.1 van het Besluit).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:32
Besluit glastuinbouw
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/145
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803638/1.

Datum uitspraak: 17 december 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Westland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 augustus 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Westland (hierna: het college) aan [appellante] lasten onder dwangsom opgelegd wegens het overtreden van voorschrift 1.1.1 van bijlage 2, onderdeel B, behorende bij het Besluit glastuinbouw (hierna: voorschrift 1.1.1 van het Besluit).

Bij besluit van 7 mei 2008 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 mei 2008, beroep ingesteld.

Het college en [appellante] hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 november 2008, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. A.A. de Groot, advocaat te Delft, [gemachtigde], en ir. F.A.G.M. Schermer, en het college, vertegenwoordigd door mr. V.P. Valten, mr. C.E.D. van Schayk en F.A. van Eijk, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De bij besluit van 6 augustus 2007 opgelegde last onder dwangsom komt erop neer dat voorschrift 1.1.1 van het Besluit moet worden nageleefd. Daarbij geldt:

- in de periode tot en met 30 september 2007 dat indien de op 20 juli 2007 overeengekomen tijdelijke maatregelen niet worden nagekomen, een dwangsom wordt verbeurd van € 20.000,00 per constatering dat een tijdelijke maatregel niet wordt nagekomen. Het maximum is vastgesteld op € 200.000,00;

- in de periode na 30 september 2007 dat indien de geluidvoorschriften niet worden nageleefd, een dwangsom wordt verbeurd van € 40.000,00 per constatering dat voorschrift 1.1.1 van het Besluit wordt overtreden. Het maximum is vastgesteld op € 400.000,00.

2.2. Tussen partijen is niet in geschil dat voorschrift 1.1.1 van het Besluit is overtreden, zodat het college in zoverre handhavend kon optreden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Niet gebleken is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan handhavend optreden zodanig onevenredig moet worden geacht dat daarvan behoorde te worden afgezien.

2.3. In de opgelegde last onder dwangsom is voorgeschreven dat de geluidvoorschriften na 30 september 2007 moeten worden nageleefd. [appellante] betoogt dat deze termijn onredelijk kort is. In dit kader voert zij aan dat in de last tevens is voorgeschreven dat alle maatregelen die zijn opgenomen in het door haar op te stellen geluidrapport, zo spoedig mogelijk moeten worden uitgevoerd. Eén van die maatregelen is dat een geluidscherm gebouwd moet worden. Daarvoor moest echter een bouwvergunning worden verleend, zodat het onmogelijk was om de geluidvoorschriften na 30 september 2007 na te leven, aldus [appellante]. Daarnaast voert zij aan dat de strekking van de last inzake de tijdelijke maatregelen niet duidelijk is.

2.3.1. De tijdelijke maatregelen zoals deze tussen partijen zijn overeengekomen op 20 juli 2007 zijn in het besluit van 6 augustus 2007 opgesomd en luiden als volgt:

- in de nachtperiode is de koeltoren per direct geheel uitgeschakeld, de nachtperiode is van 23.00 tot 7.00 uur;

- in de avondperiode (19.00 tot 23.00 uur) is met ingang van 23 juli 2007 het geluidniveau bij de woningen, ten gevolge van de koeltoren, met ten minste 10 dB(A) gereduceerd;

- uiterlijk 30 september 2007 is de koeltoren uitgeschakeld tot april 2008;

- uiterlijk 13 augustus 2007 zal een deugdelijke akoestische rapportage bij de gemeente zijn overlegd. In deze rapportage dienen de maatregelen duidelijk te zijn aangegeven;

- alle maatregelen die in het geluidrapport opgenomen worden, dienen zo spoedig mogelijk doorgevoerd/uitgevoerd te worden. Dus ook eenvoudige maatregelen zoals dempers op WKK's, dichten van openingen;

- uiterlijk 13 augustus 2007 dient de termijn te worden aangegeven waarbinnen de aanwezige geluiddempers op de WKK's worden geplaatst.

2.3.2. Uit de formulering van de tijdelijke maatregelen blijkt voldoende duidelijk vanaf wanneer aan welke maatregelen dient te zijn voldaan. Gelet hierop is niet onduidelijk wat van [appellante] wordt verlangd om het verbeuren van dwangsommen te voorkomen.

Voor zover [appellante] betoogt dat de begunstigingstermijn onredelijk kort is, overweegt de Afdeling dat ter zitting is gebleken dat met de tijdelijke maatregel van het uitschakelen van de koeltoren van 30 september 2007 tot april 2008, vanaf 30 september 2007 aan de geluidvoorschriften kon worden voldaan. [appellante] had dan bovendien een periode van zes maanden om ervoor te zorgen dat vanaf april 2008, wanneer de koeltoren weer zou worden ingeschakeld, de vereiste in het geluidrapport opgenomen maatregelen zouden zijn uitgevoerd. Bij besluit van 6 februari 2008 is een bouwvergunning verleend voor het bouwen van een geluidscherm, waarna het desbetreffende geluidscherm is geplaatst. Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gestelde begunstigingstermijn toereikend is. De beroepsgrond faalt.

2.4. [appellante] kan zich niet verenigen met de hoogte van de dwangsom. Volgens haar zijn de kosten van het treffen van voorzieningen niet gerelateerd aan de hoogte van de dwangsom.

2.4.1. Ingevolge artikel 5:32, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient de vastgestelde dwangsom in redelijke verhouding te staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.

2.4.2. Ter zitting en uit de stukken is gebleken dat [appellante] voorafgaand en direct na het nemen van het besluit van 6 augustus 2007 de nodige brongerichte, overdrachtbeperkende en organisatorische maatregelen heeft getroffen die moesten resulteren in naleving van de geluidvoorschriften - waaronder het uitschakelen van de koeltoren in de avond- en nachtperiode, het plaatsen van een wand van containers om de koeltoren af te schermen, en het indienen van een bouwaanvraag voor het geluidscherm - en dat door deze maatregelen de geluidbelasting blijkens het op 9 augustus 2007 uitgebrachte akoestische rapport van Peutz B.V. is gereduceerd. Gelet op deze maatregelen, de behaalde resultaten en de investeringen die [appellante] hiervoor heeft moeten doen, is de Afdeling van oordeel dat een bedrag van € 20.000,00 per constatering dat een tijdelijke maatregel niet wordt nagekomen en een bedrag van € 40.000,00 per constatering dat na 30 september 2007 voorschrift 1.1.1 van het Besluit wordt overtreden, niet in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom. De beroepsgrond slaagt.

2.5. Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het de daarin gestelde hoogte van de dwangsommen betreft. Het beroep is voor het overige ongegrond. De Afdeling ziet aanleiding om op hierna te melden wijze in de zaak te voorzien en de hoogte van de dwangsommen vast te stellen op € 10.000,00 per geconstateerde overtreding met een maximum van € 100.000,00.

2.6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Westland van 7 mei 2008, kenmerk 08-14833, voor zover het de hoogte van de dwangsom betreft;

III. herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 6 augustus 2007, kenmerk 07-0024801, voor zover het de hoogte van de dwangsom betreft;

IV. bepaalt dat de hoogte van de dwangsommen in het besluit van 6 augustus 2007 wordt vastgesteld op € 10.000,00 (zegge: tienduizend euro) per geconstateerde overtreding met een maximum van € 100.000,00 (zegge: honderdduizend euro);

V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover dit is vernietigd;

VI. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Westland tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.244,00 (zegge: twaalfhonderdvierenveertig euro), waarvan € 644,00, is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Westland aan [appellante] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VIII. gelast dat de gemeente Westland aan [appellante]. het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Fransen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2008

407-584.