Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BG7154

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-12-2008
Datum publicatie
17-12-2008
Zaaknummer
200805126/1 en 200800383/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Helden (hierna: het college) appellante sub 1 op straffe van een dwangsom gelast de loods op het perceel, kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummer […], gelegen nabij [locatie] (hierna: het perceel), niet in gebruik te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2009/3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200805126/1 en 200800383/1.

Datum uitspraak: 17 december 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

[appellante sub 1] en [appellante sub 2], beide gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraken in de zaken nrs. 07/1201 en 07/1774 van de rechtbank Roermond van 5 december 2007, onderscheidenlijk 22 mei 2008, in de gedingen tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Helden.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Helden (hierna: het college) appellante sub 1 op straffe van een dwangsom gelast de loods op het perceel, kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummer […], gelegen nabij [locatie] (hierna: het perceel), niet in gebruik te nemen.

Bij besluit van 3 juli 2007 heeft het college het door [appellante sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 december 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het door [appellante sub 1] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 januari 2008, hoger beroep ingesteld. Die zaak is geregistreerd onder nummer 200800383/1. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 13 februari 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 8 mei 2007 heeft het college appellante sub 2 op straffe van een dwangsom gelast de op de percelen, kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummers […], […] en […], gelegen nabij [locatie] (hierna: de percelen), door middel van betonplaten gerealiseerde sleufsilo, loods en bodemverharding te verwijderen.

Bij besluit van 9 oktober 2007 heeft het college het door [appellante sub 2] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 mei 2008, verzonden op 27 mei 2008, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het door [appellante sub 2] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 juli 2008, hoger beroep ingesteld. Die zaak is geregistreerd onder nummer 200805126/1. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 1 augustus 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaken gevoegd en ter zitting behandeld op 28 oktober 2008, waar [appellante sub 1] en [appellante sub 2], beide vertegenwoordigd door mr. M.J.A.M. Muijres, advocaat te Venlo, en het college, vertegenwoordigd door drs. A.P. Langerak, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Agrarische doeleinden, gebied met landschappelijke waarden en natuurwaarden Aln".

Ingevolge artikel 1.01., eerste lid, aanhef en onder 20, van de voorschriften van het bestemmingsplan (hierna: de planvoorschriften) wordt in deze voorschriften onder agrarisch bedrijf verstaan: een bedrijf, dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren.

Ingevolge artikel 2.08., eerste lid, voor zover thans van belang, zijn de gronden op de kaart aangewezen, als voormeld, bestemd voor:

- het behoud en/of herstel van de aldaar voorkomende dan wel daaraan eigen landschappelijke, natuurlijke en/of cultuurhistorische waarden;

- de bescherming van de waarden van het aangrenzende natuur- en/of bosgebied;

- de opbouw van de potentiële landschappelijke en natuurlijke waarden;

- de uitoefening van agrarische bedrijven;

met dien verstande, dat het behoud en/of herstel van de genoemde waarden voorop staat.

Ingevolge het derde lid mag op deze gronden niet worden gebouwd, met uitzondering van erfafscheidingen, geen gebouwen zijnde.

Ingevolge het zesde lid, A, aanhef en sub 1, is het verboden op of in deze gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning (aanlegvergunning) van burgemeester en wethouders de navolgende werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden uit te voeren: het aanleggen, verharden of verwijderen van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen.

Ingevolge artikel 3.03., eerste lid, is het verboden de gronden te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming.

In zaak nr. 200800383/1

2.2. [appellante sub 1] betoogt dat - samengevat - de rechtbank heeft miskend dat het college niet handhavend kon en mocht optreden tegen het gebruik van de loods, als het heeft gedaan.

2.3. Dat betoog slaagt. In het handelsregister van de Kamers van Koophandel is als bedrijfsomschrijving van [appellante sub 1] vermeld: het verrichten van alle handelingen en activiteiten gericht op de productie van aspergeplanten en de teelt van asperges en aardbeien in het algemeen. Aan het besluit op bezwaar is ten grondslag gelegd dat de loods is opgericht ten behoeve van een verbrandings-/verwarmingsinstallatie. Met deze verbrandings-/verwarmingsinstallatie wordt water verwarmd dat zich onder de grond van de aspergeplant bevindt.

[appellante sub 1] dient, gelet op voormelde bedrijfsomschrijving, te worden aangemerkt als agrarisch bedrijf, als bedoeld in artikel 1.01., eerste lid, aanhef en onder 20, van de planvoorschriften. De loods is bedoeld om benut te worden voor haar bedrijfsmatige activiteiten. Gelet op artikel 2.08., eerste lid van de planvoorschriften, bestaat onder die omstandigheden geen grond voor het oordeel dat de ingebruikname van de loods strijdig is met de in het plan aan de grond gegeven bestemming. Van dreigende strijd met artikel 3.03., eerste lid, van de planvoorschriften is niet gebleken. De opgelegde last ziet niet op het bouwen van de loods, maar op het ingebruiknemen daarvan. Het college kon daartegen echter niet handhavend optreden, als het heeft gedaan.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 3 juli 2007 van het college gegrond verklaren. Dat besluit dient te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding om, zelf in de zaakvoorziend, het besluit van 1 maart 2007 te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

In zaak nr. 200805126/1

2.6. [appellante sub 2] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat ten tijde van het besluit op bezwaar geen concreet zicht op legalisatie bestond, heeft miskend dat het college niet in redelijkheid kon weigeren vrijstelling voor het project te verlenen.

2.6.1. Of het college al of niet mocht weigeren vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen voor het oprichten van de loods en de sleufsilo en het aanbrengen van bodemverharding op het perceel, is thans niet aan de orde. Het college is niet bereid een zodanige vrijstelling te verlenen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld uitspraak van 28 november 2007 in zaak nr. 200702722/1), bestaat in het algemeen geen concreet zicht op legalisatie, indien het college niet bereid is de daarvoor vereiste vrijstelling te verlenen. In dit geval is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel leiden. De rechtbank heeft derhalve terecht geen concreet zicht op legalisatie aangenomen.

2.7. Evenzeer tevergeefs betoogt [appellante sub 2] dat de rechtbank heeft miskend dat het college het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden. Het college heeft ter zitting te kennen gegeven dat het handhavend is opgetreden tegen zonder bouwvergunning geplaatste zeecontainers op gronden met de bestemming "Agrarische doeleinden, gebied met landschappelijke waarden en natuurwaarden Aln". Voor zover zeecontainers op gronden met de bestemming "Agrarische doeleinden A" zijn geplaatst, gaat het niet om gelijke of gelijk te stellen gevallen, aangezien op zulke gronden bedrijfsgebouwen zijn toegelaten.

2.8. [appellante sub 2] betoogt voorts dat de rechtbank, door te overwegen dat het college voldoende oog heeft gehad voor de bijzondere belangen van [appellante sub 2] bij de innovatieve teeltmethode voor asperges op de percelen, heeft miskend dat het college onder de gegeven omstandigheden niet handhavend mocht optreden.

2.8.1. In hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien om bijzondere omstandigheden aan te nemen, in verband waarmee het college niet handhavend mocht optreden. De door [appellante sub 2] gestelde innovatieve teeltmethode voor asperges op de percelen is geen zodanige omstandigheid. Door ten behoeve van deze teeltmethode een loods en een sleufsilo op te richten, zonder over een ter zake dienende bouwvergunning te beschikken en een bodemverharding aan te brengen, zonder te beschikken over een aanlegvergunning, heeft [appellante sub 2] het risico aanvaard dat het college daartegen handhavend zou optreden, als het heeft gedaan.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep in zaak nr. 200800383/1 gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Roermond van 5 december 2007 in zaak nr. 07/1201;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak tegen het besluit van het college van 3 juli 2007 ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt dat besluit;

V. herroept het besluit van 1 maart 2007;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 3 juli 2007;

VII. veroordeelt het college tot vergoeding van bij [appellante sub 1] B.V. in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Helden aan [appellante sub 1] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VIII. gelast dat de gemeente Helden aan [appellante sub 1] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 359,00 (zegge: driehonderdnegenenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt;

IX. bevestigt de uitspraak van de rechtbank Roermond van 22 mei 2008 in zaak nr. 07/1774.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.W.J. Sloots, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Sloots

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2008

17-499.