Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BG7153

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2008
Datum publicatie
17-12-2008
Zaaknummer
200807042/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 augustus 2008, no. 1363074, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Deurne (hierna: de raad) bij besluit van 11 december 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200807042/2.

Datum uitspraak: 10 december 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1. [verzoeker sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [verzoeker sub 2], wonend te [woonplaats],

verzoekers,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 augustus 2008, no. 1363074, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Deurne (hierna: de raad) bij besluit van 11 december 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied".

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoeker sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 september 2008, en [verzoeker sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 september 2008, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 september 2008, heeft [verzoeker sub 1] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 september 2008, heeft [verzoeker sub 2] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 28 november 2008, waar [verzoeker sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en [verzoeker sub 2], in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], zijn verschenen. Voorts is daar de raad, vertegenwoordigd door J.G.A.M. Meulendijks, ambtenaar in dienst van de gemeente, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het bestemmingsplan betreft een integrale herziening van het buitengebied van de gemeente Deurne.

2.3. [verzoeker sub 1] voert aan dat het bestemmingsplan ten onrechte niet voorziet in een bouwblok voor zijn perceel aan de [locatie 1] te [plaats].

2.3.1. De voorzitter stelt vast dat [verzoeker sub 1] geen zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren heeft gebracht bij de raad, noch bedenkingen tegen het vastgestelde plan heeft ingebracht bij het college.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, van de WRO en artikel 6:13 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 27 van de WRO, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college door de belanghebbende die tijdig tegen het ontwerpplan een zienswijze bij de gemeenteraad naar voren heeft gebracht en tegen het vastgestelde plan tijdig bedenkingen bij het college heeft ingebracht. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze en niet tijdig bedenkingen naar voren heeft gebracht.

Het ontwerpplan heeft van 14 april 2006 tot 26 mei 2006 ter inzage gelegen. [verzoeker sub 1] is, blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting, eerst bij openbare inschrijving op 14 februari 2007, en derhalve geruime tijd na afloop van de periode waarin het ontwerpplan ter inzage heeft gelegen, eigenaar geworden van het binnen het plangebied gelegen perceel aan de [locatie 1] te [plaats]. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 20 februari 2008, no. 200701692/1 kan [verzoeker sub 1] in dit geval redelijkerwijs niet worden verweten geen zienswijzen naar voren te hebben gebracht.

Het vastgestelde plan heeft van 4 januari 2008 tot 15 februari 2008 ter inzage gelegen. [verzoeker sub 1] voert aan dat hij niet in de gelegenheid was bedenkingen tegen het vastgestelde plan in te brengen vanwege drukke werkzaamheden in verband met de overdracht van zijn bedrijf. De voorzitter overweegt dat drukke bezigheden in het algemeen niet kunnen leiden tot verschoonbaarheid voor het niet inbrengen van bedenkingen, omdat van betrokkenen wordt verwacht dat zij, onder die omstandigheden, maatregelen treffen voor de behartiging van hun belangen.

Gelet op het voorgaande verwacht de voorzitter dat het beroep van [verzoeker sub 1] in de bodemprocedure niet-ontvankelijk zal worden verklaard, reden waarom hij het verzoek om voorlopige voorziening afwijst.

2.4. [verzoeker sub 2] betoogt dat zijn woning ten onrechte onder het persoonsgebonden overgangsrecht is geplaatst en dat het plan hem verder ten onrechte niet toestaat een bedrijfswoning te bouwen. Voorts betoogt hij dat de uitbreidingsmogelijkheden van zijn bedrijf worden beperkt als gevolg van de inwerkingtreding van het plan, mede gezien de onjuiste aanduiding van zijn bedrijf als grondgebonden agrarisch bedrijf. Ten slotte voert hij aan dat de reconstructiezonering zijn perceel ten onrechte doorsnijdt.

2.4.1. [verzoeker sub 2] woont en werkt aan de [locatie 2] te [plaats]. Dit perceel is in het plan bestemd als "Agrarisch gebied" met de nadere aanduidingen "grondgebonden agrarisch bedrijf", "geen bedrijfswoning toegestaan" en "woning met persoonsgebonden overgangsrecht". Op plankaart 2 is het perceel voorts gedeeltelijk aangeduid als "landbouwontwikkelingsgebied primair" en gedeeltelijk als "landbouwontwikkelingsgebied secundair".

In artikel 3.2., onder a, van de planvoorschriften is vermeld dat de aan agrarische bouwblokken binnen het landbouwontwikkelingsgebied toegekende aanduidingen, zoals de aanduiding grondgebonden agrarisch bedrijf in het geval van [verzoeker sub 2], slechts de bestaande, ten tijde van de terinzagelegging van het bestemmingsplan aanwezige, bedrijfstak aangeven. De aanduiding vormt geen beperking voor de uitbreiding van de bebouwing op het perceel of omschakeling naar een andere bedrijfstak. Het plan staat er derhalve niet aan in de weg dat het door [verzoeker sub 2] gewenste combinatiebedrijf van deels grondgebonden en deels niet-grondgebonden agrarische activiteiten op het perceel kan worden voortgezet en uitgebreid. De raad heeft ter zitting bevestigd dat voor deze omschakeling geen aparte procedure behoeft te worden gestart. Gelet hierop zou schorsing van het plan [verzoeker sub 2] niet baten.

Wat betreft de aanduiding "woning met persoonsgebonden overgangsrecht" is ter zitting gebleken dat het [verzoeker sub 2] thans met name te doen is om zekerheid te verkrijgen dat zijn partner aan de [locatie 2] kan blijven wonen indien hem iets mocht overkomen. Desgevraagd heeft de raad ter zitting toegezegd dat indien deze situatie zich mocht voordoen, vóórdat de Afdeling uitspraak heeft gedaan in de bodemzaak, de partner van [verzoeker sub 2] aan de [locatie 2] kan blijven wonen. Mede gelet op deze toezegging ziet de voorzitter geen aanleiding de goedkeuring van het plan op dit punt te schorsen.

Ook voor het overige heeft [verzoeker sub 2] in de stukken alsook ter zitting geen spoedeisende belangen aangevoerd die aanleiding geven voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek dient derhalve te worden afgewezen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van der Sluijs, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Van der Sluijs

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2008

461.