Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BG7149

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2008
Datum publicatie
17-12-2008
Zaaknummer
200807510/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 augustus 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Roosendaal (hierna: de raad) bij besluit van 20 december 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Majoppeveld".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200807510/2.

Datum uitspraak: 10 december 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 augustus 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Roosendaal (hierna: de raad) bij besluit van 20 december 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Majoppeveld".

Tegen dit besluit heeft onder meer [verzoekster] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 oktober 2008, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 november 2008, heeft [verzoekster] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 28 november 2008, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door mr. R.G.A. Wouters, J.P.J. Verheijen en H.J.N. Verheijen, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de raad, vertegenwoordigd door mr. J.C.P.J.M. Vergouwen, ambtenaar in dienst van de gemeente, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan biedt een actueel juridisch-planologisch kader voor onder meer de bedrijventerreinen Majoppeveld noord en zuid. Bij het bestreden besluit heeft het college het plan grotendeels goedgekeurd.

2.3. [verzoekster] betoogt dat de definitie van "tuincentrum" zoals die is neergelegd in artikel 1, onder 69 van de planvoorschriften te beperkend en in strijd is met de gemeentelijke detailhandelsnota en de door de branche opgestelde Structuurnota Tuincentra. Naar haar mening zou de verkoop van speeltoestellen en tuingerelateerd speelgoed alsmede de verkoop van 20% branchevreemde producten toegestaan moeten worden.

[verzoekster] acht een voorlopig oordeel van de voorzitter betreffende de rechtmatigheid van dit voorschrift van groot belang in het kader van de te verwachte handhavingsprocedure.

2.4. De voorzitter betwijfelt of de ingediende zienswijzen en bedenkingen van [verzoekster] zodanig moeten worden begrepen dat die zich mede richten op artikel 1, onder 69, van de planvoorschriften, maar gaat daar ten behoeve van deze voorlopige voorziening vooralsnog vanuit.

2.5. [verzoekster] is gevestigd aan de [locatie] in [plaats] en is in dit plan bestemd als "Bedrijventerrein-1" met de aanduiding "tuincentrum". Onder dit begrip wordt in artikel 1, onder 69, van de planvoorschriften detailhandel verstaan met een al dan niet geheel overdekt verkoopvloeroppervlak, waarop artikelen voor de inrichting en het onderhoud van particuliere tuinen en de daarmee rechtstreeks samenhangende artikelen worden aangeboden.

2.6. De voorzitter wijst op de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die het uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. In dit verband heeft de raad ter zitting betoogd dat de door [verzoekster] aangehaalde Structuurnota Tuincentra niet wordt onderschreven door de raad en derhalve ook niet als uitgangspunt is gehanteerd bij de voorbereiding van het bestemmingsplan. Voorts voert de raad aan dat het gemeentelijke detailhandelsbeleid zich richt op de versterking van detailhandel in het stadscentrum van Roosendaal en dat het niet de bedoeling is dat op perifere locaties detailhandelbranches tot ontwikkeling worden gebracht. De stelling dat de door [verzoekster] gewenste assortimentsuitbreiding toelaatbaar is in het licht van de gemeentelijke detailhandelsnota wordt dan ook niet onderschreven, aldus de raad. De voorzitter acht hetgeen de raad heeft gesteld op voorhand niet onredelijk.

2.7. Gelet op het vorengaande verwacht de voorzitter niet dat de Afdeling in de bodemprocedure zal oordelen dat het bestreden planvoorschrift moet worden vernietigd omdat dit niet mede de door [verzoekster] gewenste verkoop van speelgoed toestaat. Het verzoek van [verzoekster] tot het treffen van een voorlopige voorziening dient derhalve te worden afgewezen.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van der Sluijs, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Van der Sluijs

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2008

461.