Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BG6432

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2008
Datum publicatie
10-12-2008
Zaaknummer
200801719/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 maart 2006 heeft commissie voor gebiedsaanwijzing in de provincie Friesland (hierna: de commissie) aan de arts [appellante] op haar verzoek met ingang van 1 januari 2006 een vergunning voor onbepaalde tijd verleend als bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening (hierna: de WOG) voor de uitoefening van de artsenijbereidkunst in het gebied zoals aangegeven op de bij dat besluit behorende kaart.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200801719/1.

Datum uitspraak: 10 december 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante] en anderen, wonend te [woonplaats]

appellanten,

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/2474 van de rechtbank Leeuwarden van 30 januari 2008 in het geding tussen:

[wederpartij A], [wederpartij B] en [wederpartij C]

en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 maart 2006 heeft commissie voor gebiedsaanwijzing in de provincie Friesland (hierna: de commissie) aan de arts [appellante] op haar verzoek met ingang van 1 januari 2006 een vergunning voor onbepaalde tijd verleend als bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening (hierna: de WOG) voor de uitoefening van de artsenijbereidkunst in het gebied zoals aangegeven op de bij dat besluit behorende kaart.

Bij besluit van 28 september 2006 heeft de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de minister) het door de apothekers [wederpartij A], [wederpartij B] en [wederpartij C] (hierna: [wederpartij A] e.a.) daartegen ingestelde administratieve beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 januari 2008, verzonden op 31 januari 2008, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) de door [wederpartij A] e.a. daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, het besluit van 28 september 2006 vernietigd en het administratieve beroep van [wederpartij C] niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 maart 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 april 2008.

De minister en [wederpartij A] e.a. hebben een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 oktober 2008, waar [appellanten], waarvan [appellant] in persoon en bijgestaan door mr. H.C.M. Hendriks, advocaat te Utrecht, en [wederpartij A] e.a., vertegenwoordigd door mr. drs. R. Arends, advocaat te Surhuisterveen, zijn verschenen.

Tussen partijen zijn na zitting nog stukken gewisseld. Overeenkomstig het besprokene ter zitting is een tweede zitting achterwege gelaten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de WOG is de arts die zich voor het uitoefenen van de geneeskundige praktijk vestigt, behoudens het bepaalde in het tweede en vierde lid en het bepaalde in artikel 7, eerste lid, daarnevens bevoegd tot uitoefening der artsenijbereidkunst in een uitsluitend aan hem toebehorende apotheek ten behoeve van de tot zijn geneeskundige praktijk behorende personen, indien zijn vestiging niet geschiedt in een gemeente, waar een apotheker is gevestigd, of in één der aan zodanige gemeente grenzende gemeenten. Deze bevoegdheid geldt voor elk gebied liggende buiten de gemeenten, waar een apotheker gevestigd is op het tijdstip dat de arts zich vestigt en de aan zodanige gemeenten grenzende gemeenten.

Ingevolge artikel 6, vierde lid, van de WOG zijn de commissies, genoemd in artikel 28, eerste lid, indien zij dit in het belang van de geneesmiddelenvoorziening noodzakelijk oordelen, elk voor haar gebied bevoegd, voor zover thans van belang, aan een arts op diens verzoek een vergunning te verlenen tot uitoefening der artsenijbereidkunst in de gemeenten of gedeelten van gemeenten, welke in de vergunning zijn aangewezen. De vergunning kan voor bepaalde of onbepaalde tijd worden verleend. Indien de vergunning voor onbepaalde tijd is verleend kan zij worden ingetrokken, wanneer de grond voor de verlening ervan is vervallen.

Ingevolge artikel 6, zesde lid, van de WOG, voor zover thans van belang, kunnen de arts en de apotheker of apothekers die het aangaat tegen de beschikking ingevolge het vierde lid bij de minister beroep instellen.

2.2. De minister hanteert bij de beoordeling van verzoeken om vergunning op grond van artikel 6 van de WOG - en ter invulling van de hiervoor weergegeven wettelijke doelstelling - de volgende uitgangspunten. Is de afstand tussen de (dichtstbijwonende) potentiële patiënt in het betrokken gebied en de apotheek 3,5 kilometer of minder, dan wordt de geneesmiddelenvoorziening vanuit de apotheek voldoende gewaarborgd geacht. Bij een afstand van 4,5 kilometer of meer, wordt de geneesmiddelenvoorziening vanuit de apotheek niet voldoende gewaarborgd geacht en komt de huisarts in beginsel in aanmerking voor een vergunning als bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de WOG. Ingeval de te overbruggen afstand ligt tussen de 3,5 en 4,5 kilometer spelen ook andere factoren, zoals in het bijzonder de bereikbaarheid per openbaar vervoer een rol.

2.3. In het in administratief beroep gehandhaafde besluit van 20 maart 2006 is aan [appellante] vergunning verleend voor de uitoefening van de artsenijbereidkunst in het gebied zoals aangegeven op de daarbij behorende kaart. In het besluit van 28 september 2006 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat tot het vergunde gebied ook de plaats Kimswerd behoort ondanks dat niet aan het als bestendig beleid gehanteerde afstandscriterium is voldaan, omdat reden bestaat daarvan af te wijken, aangezien zich een uitzonderlijke bijzondere omstandigheid voordoet. Een patiënt uit Kimswerd, zou indien de vergunning die plaats niet zou omvatten, eerst naar de praktijk van [appellante] in [plaats] moeten en vervolgens naar Harlingen om de voorgeschreven medicatie te verkrijgen. De minister acht dat niet in het belang van de geneesmiddelenvoorziening van de potentiële patiënt, beoordeeld vanuit de belangen van de patiënt.

2.4. De rechtbank heeft overwogen dat nu de minister bij wijze van uitzondering afwijkt van het toepasselijke afstandscriterium, bijzondere eisen moeten worden gesteld aan de motivering van het besluit en dat daaraan niet is voldaan. De minister heeft niet met concrete gegevens aannemelijk gemaakt dat zich een zodanig uitzonderlijke situatie voordoet, die verschilt van vele andere situaties op het Nederlandse platteland, dat ten aanzien van de plaats Kimswerd moet worden afgeweken van het beginsel van het primaat van de apotheker. Dat een patiënt eerst in de ene richting een reis moet maken naar zijn huisarts en vervolgens in geheel andere richting moet reizen om zijn medicijnen op te halen, zal in landelijke gebieden regelmatig voorkomen en kan dan ook niet als uitzonderlijk worden aangemerkt. Bovendien heeft de WOG, anders dan waarvan de minister is uitgegaan, het oog op het belang van de geneesmiddelenvoorziening, waarbij het primaat van de apotheker voorop wordt gesteld, aldus de rechtbank.

2.5. [appellanten] betogen dat de rechtbank door te overwegen dat zich geen uitzonderlijke situatie voordoet voorbij is gegaan aan de omstandigheid dat de minister ten aanzien van de invulling van de term 'in het belang van de geneesmiddelenvoorziening' beoordelingsvrijheid toekomt en dat de invulling daarvan, anders dan de rechtbank heeft gedaan, terughoudend dient te worden getoetst. In dat verband voeren zij aan dat het door de minister gevoerde beleid uitgaat van afstanden en dat bij het niet vergunnen van de plaats Kimswerd patiënten juist langere afstanden moeten afleggen. In dat verband verwijzen zij naar een passage uit de geschiedenis van de totstandkoming van de WOG dat onder omstandigheden een arts gedeeltelijk de taak van de apotheker moet overnemen omdat anders de bevolking voor het doen gereedmaken van recepten het bezwaar van te grote afstanden zou ondervinden.

Verder betogen [appellanten] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de WOG het oog heeft op een ander belang dan de patiëntenbelangen, namelijk dat van de geneesmiddelenvoorziening, waarbij het primaat van de apotheker voorop wordt gesteld. In dat verband voeren zij aan dat in de memorie van toelichting op de WOG herhaaldelijk wordt gesproken van het belang van de bevolking, waarmee patiënten worden bedoeld. De patiënten moeten geen nadeel ondervinden, aldus [appellanten]

2.5.1. Het betoog dat de rechtbank de invulling door de minister van de term "in het belang van de geneesmiddelenvoorziening" ten onrechte niet terughoudend heeft getoetst slaagt niet. De minister heeft ter invulling daarvan de in rechtsoverweging 2.2 vermelde uitgangspunten geformuleerd en heeft verklaard deze als bestendig beleid toe te passen. Ook de aanvraag van [appellante] heeft de minister op basis van deze uitgangspunten beoordeeld. De minister heeft echter aanleiding gezien daarvan ten aanzien van de plaats Kimswerd af te wijken, omdat zich volgens hem een bijzondere omstandigheid voordoet. De rechtbank heeft, anders dan [appellanten] betogen, niet het ter invulling van die term gevoerde beleid getoetst, maar het standpunt van de minister dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet om in het onderhavige geval van dat beleid af te wijken.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zich een bijzondere situatie voordoet die afwijking van het gehanteerde afstandscriterium rechtvaardigt. Niet in geschil is dat de afstand van het eerste woonhuis in de bebouwde kom van Kimswerd tot de dichtstbijzijnde apotheek in Harlingen minder dan 3,5 kilometer bedraagt en dat gelet op het afstandscriterium de geneesmiddelenvoorziening vanuit die apotheek kan worden gewaarborgd. De omstandigheid dat patiënten van [appellante] die woonachtig zijn in Kimswerd een langere afstand dienen af te leggen omdat ze eerst de praktijk van [appellante] dienen te bezoeken alvorens bij een apotheek medicatie te kunnen gaan halen is, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, geen bijzondere omstandigheid omdat deze situatie niet verschilt van vele andere situaties op het platteland.

2.5.2. Het betoog dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de patiëntenbelangen in de WOG niet centraal zouden staan slaagt evenmin. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder andere in de uitspraak van 8 augustus 2007 in zaak nr. 200609401/1) blijkt uit de tekst van de WOG en de geschiedenis van haar totstandkoming dat aan deze wet de doelstelling ten grondslag ligt dat de geneesmiddelenvoorziening, in het belang van de volksgezondheid, in de eerste plaats door een apotheker dient te geschieden. In de gevallen waarin die voorziening door een apotheker niet of niet voldoende is gewaarborgd, kan het belang van de geneesmiddelenvoorziening vereisen dat aan een arts vergunning wordt verleend ten behoeve van het uitoefenen van de artsenijbereidkunst.

Gelet hierop ligt het primaat van de geneesmiddelenvoorziening bij de apotheker. In de WOG en de in dat kader door de minister ter invulling van zijn beoordelingsvrijheid gevoerde beleid is dan ook slechts de afstand tussen de woonplaats van een potentiële patiënt en de plaats waar de apotheek is gevestigd van belang. Indien potentiële patiënten een arts hebben die in een andere plaats is gevestigd dan hun woonplaats en daardoor grotere afstanden moeten afleggen om naast de arts ook een apotheek te bezoeken, is dat een gevolg van het hebben van een arts in een andere plaats dan de woonplaats en de plaats waar de apotheek is gevestigd.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. C.W. Mouton, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Graat

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2008

307.