Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BG6431

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2008
Datum publicatie
10-12-2008
Zaaknummer
200801823/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 juni 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Brummen (hierna: het college) aan de stichting Woningstichting Eerbeek (hierna: de woningstichting) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het realiseren van 44 woningen op het "Nuon-terrein" te Eerbeek, kadastraal bekend gemeente Hall, sectie E, nrs. 6639, 6640, 5192, 6631 ged. en 6795 ged. (hierna: het terrein).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2008/734
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200801823/1.

Datum uitspraak: 10 december 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 29 januari 2008 in zaken nrs. 07/763, 07/793 en 07/941 in de gedingen tussen:

1. [appellant sub 1]

2. [appellanten sub 2]

en

het college van burgemeester en wethouders van Brummen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Brummen (hierna: het college) aan de stichting Woningstichting Eerbeek (hierna: de woningstichting) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het realiseren van 44 woningen op het "Nuon-terrein" te Eerbeek, kadastraal bekend gemeente Hall, sectie E, nrs. 6639, 6640, 5192, 6631 ged. en 6795 ged. (hierna: het terrein).

Bij besluit van 27 maart 2007 heeft het college het door [appellant sub 1], [appellanten sub 2] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 16 november 2006 heeft het college aan de woningstichting vergunning verleend voor het kappen van 43 bomen op het terrein (hierna: de bomen).

Bij besluit van 2 mei 2007 heeft het college het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 januari 2008, verzonden op 31 januari 2008, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep en de door [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] tegen het besluit van 27 maart 2007 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] bij brieven, bij de Raad van State ingekomen op 11 en 13 maart 2008, hoger beroep ingesteld. [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] hebben hun hoger beroepen aangevuld bij brieven van 10 en 15 april 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 oktober 2008, waar [appellanten sub 2] in persoon en bijgestaan door mr. R.H.A. ter Huurne, werkzaam bij de Stichting stichting Achmea Rechtsbijstand te Bilthoven, en [appellant sub 1], vertegenwoordigd door Ter Huurne voornoemd, en het college, vertegenwoordigd door M.H. Romeijn en mr. A.P. Leenstra, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Tevens is de woningstichting verschenen, vertegenwoordigd door J.H. Klaasen en G.M. Dijk.

2. Overwegingen

Ten aanzien van de vrijstelling en bouwvergunning

2.1. Het bouwplan voorziet in de bouw van 44 woningen gedifferentieerd in appartementen, rijwoningen, en 2-onder-1-kapwoningen. [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] wonen tegenover het terrein waarop dit plan betrekking heeft.

2.2. Ingevolge het bestemmingsplan "De Werfakker 1979" (hierna: het bestemmingsplan) rusten op het terrein de bestemmingen "Nutsbedrijf klasse A" en "Bermen, openbaar groen of plantsoen". Het bouwplan is hiermee in strijd. Om vergunningverlening voor het bouwplan mogelijk te maken, heeft het college bij het in bezwaar gehandhaafde besluit krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling verleend.

2.3. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kan het college vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door het college van gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Het college van gedeputeerde staten kan daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van het college van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge het eerste lid wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

2.4. Bij besluit van 15 november 2005, gepubliceerd in het Provinciaal Blad op 6 december 2005, hebben gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: gedeputeerde staten) een vrijstellingslijst als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO vastgesteld (hierna: de vrijstellingslijst). Ingevolge artikel 1 van deze lijst kan het college in stedelijk gebied zonder verklaring van geen bezwaar vrijstelling verlenen voor (bouw)projecten voor woonfuncties, mits niet gesitueerd op een bedrijventerrein.

2.5. [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] betogen tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het terrein een bedrijventerrein betreft, zodat niet is voldaan aan de in de vrijstellingslijst gestelde voorwaarden en het college niet bevoegd is met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling voor het bouwplan te verlenen. In de toelichting bij de vrijstellingslijst is vermeld dat geen sprake is van een bedrijventerrein bij een incidentele bedrijfsbestemming ten behoeve van de vestiging van één bedrijf. Gelet hierop en nu het terrein wordt omringd door woningen en - naar niet in geschil is - ter plaatse slechts één bedrijf was gevestigd, heeft de rechtbank terecht overwogen dat ter plaatse sprake is van een incidentele bedrijfsbestemming.

2.6. Voorts betogen [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] dat, samengevat weergegeven, de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing.

2.6.1. De ruimtelijke onderbouwing van het bouwplan is vervat in het rapport "Ruimtelijke onderbouwing ex artikel 19, lid 2, WRO Nuon-locatie Groeneweg, Eerbeek" van 2 februari 2006, opgesteld door Amer adviseurs B.V. (hierna: de ruimtelijke onderbouwing). Hierin is gesteld dat het bouwplan past in het kwalitatief woonprogramma (hierna: het KWP), dat het college op verzoek van gedeputeerde staten heeft opgesteld en dat op 20 april 2004 door gedeputeerde staten is geaccordeerd en opgenomen in het provinciaal woonbeleid. Voorts is in de ruimtelijke onderbouwing gesteld dat de Ruimtelijke ontwikkelingsvisie Brummen/Eerbeek 2002-2011 (hierna: de ontwikkelingsvisie) het toetsingskader voor planologische procedures vormt en dat het terrein hierin is vermeld als woningbouwlocatie. Verder is in de ruimtelijke onderbouwing gesteld dat het terrein in de startnotitie van de Woonvisie, die in februari 2004 is vastgesteld en die een actualisatie van de ontwikkelingsvisie is (hierna: de startnotitie), eveneens als woninglocatie is aangeduid. Gezien het vorenoverwogene heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de ruimtelijke onderbouwing voldoet aan de eisen die daaraan in dit geval dienen te worden gesteld.

Het betoog faalt.

2.7. Ook heeft de rechtbank volgens [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] miskend dat het college in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld door vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het realiseren van 44 woningen. Zij voeren hiertoe aan dat, samengevat weergegeven, het college in de startnotitie heeft vermeld dat op het terrein 20 woningen zouden worden gebouwd en dat in het onderzoek van SVP Architectuur en Stedenbouw van juli 2004 (hierna: het onderzoek van SVP) is gesteld dat hooguit 30 woningen zouden kunnen worden gerealiseerd. [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] voeren ook aan dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het op dit punt is afgeweken van de startnotitie en het onderzoek van SVP.

2.7.1. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] aan het in de startnotitie en het onderzoek van SVP vermelde aantal woningen niet het in rechte te honoreren vertrouwen konden ontlenen dat niet meer dan 20 dan wel 30 woningen zouden worden gerealiseerd op het terrein. Hierbij heeft de rechtbank ook terecht in aanmerking genomen dat de startnotitie en het onderzoek van SVP dateren van vóór de aanvraag voor het bouwplan van 8 december 2005 en dat die stukken zijn opgesteld in voorbereiding daarvan. Voorts is van belang dat in de startnotitie staat vermeld dat de onderdelen van het KWP worden gezien als feitelijke weergaven van de visie die tot nu toe geldt en dat deze bij de toekomstige invulling van het gewijzigde beleid als vertrekpunt worden aangemerkt. Daarnaast is vermeld dat de startnotitie is bedoeld als aftrap voor een nog op te stellen woonvisie en actualisatie van de ruimtelijke ontwikkelingsvisie.

De rechtbank heeft eveneens terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het aantal woningen dat is opgenomen in het bouwplan is uitgebreid ten aanzien van het aantal vermeld in de startnotitie en het onderzoek van SVP. Het college heeft in reactie op de naar aanleiding van het bouwplan ingediende zienswijzen gesteld dat het aangepaste woningprogramma, conform de behoefte in de gemeentelijke woonvisie, voorziet in een groter aantal kleine wooneenheden voor specifieke doelgroepen, zoals starters en senioren. Voorts is de economische haalbaarheid van het bouwplan met de aanpassing verbeterd, aldus het college.

2.8. Verder betogen [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] dat de rechtbank heeft miskend dat het college na afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid vrijstelling en bouwvergunning ten behoeve van het bouwplan heeft kunnen verlenen. Zij voeren hiertoe aan dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met mogelijke en voor hen minder belastende alternatieven voor het bouwplan. Ook heeft het college volgens [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] onvoldoende rekening gehouden met de omstandigheid dat het bouwplan niet past in de omgeving gelet op het aantal woningen en de hoogte van de te bouwen appartementen. Daarnaast voeren [appellant sub 1] en [appellanten sub 2], samengevat weergegeven, aan dat het college bij de belangenafweging onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de toename van het verkeer en geluid dat de aanwezigheid van de 44 woningen met zich zal brengen op de Groeneweg en daarmee op de daaraan liggende zijwegen. Ten slotte is het college volgens [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] eraan voorbij gegaan dat de realisatie van het bouwplan een aanzienlijke daling van de waarde van hun woningen tot gevolg zal hebben.

2.8.1. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid vrijstelling en bouwvergunning voor het bouwplan heeft kunnen verlenen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 februari 2007 in zaak nr. 200603372/1), dient een college te beslissen omtrent het verlenen van vrijstelling aan een project zoals dat is aangevraagd. Indien een project op zichzelf voor het college aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] hebben met de enkele stelling dat het bouwen van een kleiner aantal woningen minder belastend voor hen zou zijn niet aannemelijk gemaakt dat hiermee een gelijkwaardig resultaat met betrekking tot de woningbehoefte kan worden bereikt.

Voorts biedt de niet nader toegelichte stelling van [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] dat het bouwplan niet in de omgeving past, geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid doorslaggevende betekenis heeft kunnen toekennen aan de belangen die zijn gediend met het realiseren van het bouwplan. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat ten aanzien van het bouwplan een positief welstandsadvies is uitgebracht waaraan het college, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 22 maart 2006 in zaak nr. 200506325/1), in beginsel doorslaggevende betekenis mag toekennen. [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] hebben hierover geen advies van een deskundig te achten persoon of instantie overgelegd. Ook hebben zij niet aangevoerd dat het advies van de welstandscommissie naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen.

In aanvulling op hetgeen in de ruimtelijke onderbouwing is vermeld over de geluidsbelasting als gevolg van de aanwezigheid van de 44 te realiseren woningen is door Grontmij Nederland B.V. (hierna: Grontmij) een nader akoestisch onderzoek gedaan dat is neergelegd in een rapport. De enkele stelling van [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] dat de te verwachten toename van het aantal verkeersbewegingen hoger ligt dan waar het college van is uitgegaan, leidt niet tot het oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat dit rapport naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken zou vertonen dat het college dit niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. In het nadere rapport van Grontmij is ten aanzien van de verkeersintensiteit vermeld dat op de Groeneweg 2070 motorvoertuigen per etmaal zijn gemeten. Voorts is hierin vermeld dat de bijdrage van het bouwplan uitgaande van een "worst case scenario" kan worden gesteld op 264 auto's per etmaal. Gelet op de verhouding tussen de reeds bestaande verkeersintensiteit en de bijdrage die het bouwplan daaraan levert, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien te oordelen dat het college ook in dit opzicht de belangen bij het realiseren van het bouwplan niet in redelijkheid zwaarder heeft kunnen laten wegen dan de belangen bij het niet realiseren daarvan.

Het betoog van [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] omtrent de waardedaling van hun woningen kan, wat hiervan verder ook zij, niet slagen, reeds omdat dit niet nader is toegelicht.

Ten aanzien van de kapvergunning

2.9. Ingevolge artikel 4.41, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Brummen (hierna: de APV) wordt hierin onder houtopstand verstaan één of meer bomen, hakhout, een houtwal, een grotere (lint)begroeiing van heesters en struiken en een beplanting van bosplantsoen.

Ingevolge artikel 4.42, eerste lid, is het verboden zonder vergunning van het college houtopstand te vellen of te doen vellen.

Ingevolge artikel 4.45, eerste lid, kan het college de vergunning weigeren dan wel onder voorschriften verlenen in het belang van onder meer:

- natuur- en milieuwaarden;

- landschappelijke waarden;

- cultuurhistorische waarden;

- waarden van stads- en dorpsschoon;

- de beeldbepalende waarde van houtopstand;

- waarden voor recreatie en leefbaarheid.

2.9.1. [appellant sub 1] betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat ter plaatse twee opmerkelijke plantensoorten die op de rode lijst staan, zijn waargenomen, zodat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bomen geen natuur- en milieuwaarden als bedoeld in artikel 4.45, eerste lid, van de APV vertegenwoordigen. De door [appellant sub 1] genoemde plantensoorten zijn immers niet in de onderhavige kapvergunning betrokken, maar zullen als gevolg van de uitvoering van het bouwplan verdwijnen.

2.10. Voorts betoogt [appellant sub 1] tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten aanzien van de waarde leefbaarheid, bedoeld in artikel 4.45, eerste lid, van de APV geen belangenafweging heeft verricht. Deze waarde is betrokken bij de in het besluit op bezwaar verrichte belangenafweging.

2.11. Verder betoogt [appellant sub 1] dat de rechtbank heeft miskend dat het college na afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot verlening van de kapvergunning.

2.11.1. Dit niet nader toegelichte betoog biedt geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college de belangen bij het realiseren van het bouwplan in redelijkheid zwaarder heeft kunnen laten wegen dan de belangen bij het behouden van de bomen. Hierbij is in aanmerking genomen dat het merendeel van de bomen die ter plaatse gekapt moeten worden zonder vergunning mag worden gekapt. Voorts is van belang dat, naar het college onweersproken heeft gesteld, het bouwplan voorziet in het creëren van een nieuwe groenstructuur die hoofdzakelijk is gericht op het aantrekkelijk maken van de woonomgeving.

2.12. Het betoog van [appellant sub 1] dat de rechtbank heeft miskend dat het kappen prematuur en zonder directe noodzaak is, nu de bouwvergunning nog niet onherroepelijk is, faalt eveneens. Aan de kapvergunning is de voorwaarde verbonden dat hiervan pas gebruik mag worden gemaakt als de bouwvergunning met de daaraan gekoppelde vrijstelling onherroepelijk is geworden.

2.13. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Bindels

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2008

85-506.