Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BG6422

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-12-2008
Datum publicatie
10-12-2008
Zaaknummer
200808132/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 november 2008 heeft de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat (hierna: de staatssecretaris) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rotterdam Bulk Terminal B.V. (hierna: RBT B.V.) een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van artikel 4.11, vijfde lid, van het Activiteitenbesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200808132/1.

Datum uitspraak: 5 december 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rotterdam Bulk Terminal B.V., gevestigd te Vlaardingen,

verzoekster,

en

de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 november 2008 heeft de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat (hierna: de staatssecretaris) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rotterdam Bulk Terminal B.V. (hierna: RBT B.V.) een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van artikel 4.11, vijfde lid, van het Activiteitenbesluit.

Tegen dit besluit heeft RBT B.V. bezwaar gemaakt.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 november 2008, heeft RBT B.V. de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 25 november 2008, waar RBT B.V., vertegenwoordigd door mr. drs. J.C. Ozinga, advocaat te Den Haag, C. Broers, B.C. Heezen en M. Verkaaik, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. D.L.N. Sugiharto-Ong en E. van der Feijst, is verschenen.

RBT B.V. heeft een nader stuk in het geding gebracht.

De voorzitter heeft het verzoek verder behandeld ter zitting van 1 december 2008 waar RBT B.V., vertegenwoordigd door mr. drs. J.C. Ozinga, advocaat te Den Haag, C. Broers, B.C. Heezen, en M. Verkaaik, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. D.L.N. Sugiharto-Ong, ir. M.A.H.M. Ampt-Backx en E. van der Feijst, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 januari 2008 zijn het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) en de daarmee samenhangende wijziging van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer in werking getreden. Voorts volgt uit het overgangsrecht als opgenomen in hoofdstuk 6 van het Activiteitenbesluit dat de voorschriften van de vergunning die op dat moment voor de inrichting in werking en onherroepelijk waren, gedurende zes maanden aangemerkt worden als maatwerkvoorschriften, nu deze voorschriften niet vallen binnen de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te stellen en op grond van het Activiteitenbesluit strengere bepalingen gaan gelden.

2.2. Artikel 4.11, vijfde lid, van het Activiteitenbesluit bepaalt, voor zover thans van belang, dat het in het oppervlaktewater dat met het oog op het lozen geen bijzondere bescherming behoeft, lozen van afvalwater dat in contact is geweest met andere opgeslagen goederen dan bedoeld in het derde lid, is toegestaan indien in enig steekmonster de emissiegrenswaarden vermeld in tabel 4.11 niet worden overschreden. In tabel 4.11 is als emissiegrenswaarde voor onopgeloste bestanddelen 50 milligram per liter vermeld.

2.3. In de tot de inrichting behorende putten A en B is deze emissiegrenswaarde overschreden.

2.4. In het bestreden besluit heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat aan de overtreding op korte termijn een einde gemaakt kan worden door plaatsing van een mobiel zandfilter of door het terrein van de inrichting vaker te vegen.

2.5. RBT B.V. voert aan dat de begunstigingstermijn van een week te kort is, gelet op het feit dat op 10 november 2008 overleg plaats zou vinden met de leverancier van een mobiel zandfilter en Oranjewoud op 14 november 2008 een rapport uit zou brengen over mogelijke oplossingen voor de overschrijdingen van de lozingsnorm die in artikel 4.11, vijfde lid, van het Activiteitenbesluit is opgenomen.

2.6. In het rapport van Oranjewoud van 26 november 2008 wordt geconcludeerd dat de werking van een zandfilter onvoldoende is, omdat dit binnen enkele uren verstopt zal raken, door de hoge concentraties onopgeloste bestanddelen die aanwezig zijn. Een zelfspoelend zandfilter biedt volgens dit rapport op korte termijn geen oplossing, omdat tijdens de spoeling geen lozing mogelijk is, terwijl thans geen ruimte bestaat voor een bassin en voor de aanleg daarvan een bouwvergunning vereist is. Het rendement van deze maatregel is ook gering. Ter zitting is onweersproken gesteld dat het vaker vegen van het terrein evenmin een oplossing biedt. In het rapport van 26 november 2008 wordt op basis van laboratoriumproeven met monsters afkomstig van de locatie voorgesteld om op 15 december 2008 in put B, waar de hoogste overschrijdingen plaatsvinden, een installatie te plaatsen waarin door toevoeging van PolyAluminiumChloride de zwevende delen samenklonteren en bezinken. Deze installatie zou dan in de periode tot 1 februari 2009 worden afgestemd op de situatie ter plaatse. Wat betreft put A wordt voorgesteld om vijf keer per dag te vegen en de put een keer in de drie weken schoon te maken.

2.7. Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter, nu RBT B.V. aannemelijk heeft gemaakt dat een oplossing voor 15 december 2008 niet gerealiseerd kan worden, terwijl anderzijds de op 15 december 2008 te plaatsen installatie naar verwachting de overschrijdingen van de emissiegrenswaarde zal voorkomen, waarbij de Voorzitter betrekt dat de staatssecretaris ter zitting heeft verklaard dat hij in de afweging of na een eventuele overtreding tot handhaving moet worden overgegaan, zal betrekken of sprake is geweest van extreme regenval, aanleiding, in afweging van de betrokken belangen, de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.8. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 4 november 2008, kenmerk ARW/2008.8013, tot en met 15 december 2008 ten aanzien van put B voor zover daarbij een begunstigingstermijn van een week is gesteld;

II. treft de voorlopige voorziening dat ten aanzien van put B als begunstigingstermijn geldt: tot en met 15 december 2008;

III. veroordeelt de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rotterdam Bulk Terminal B.V. in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het ministerie van Verkeer en Waterstaat) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rotterdam Bulk Terminal B.V. onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV. gelast dat de Staat der Nederlanden (het ministerie van Verkeer en Waterstaat) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rotterdam Bulk Terminal B.V. het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A. Bijleveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Bijleveld

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2008

433.