Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BG6410

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-12-2008
Datum publicatie
10-12-2008
Zaaknummer
200808039/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Op 1 november 2006 heeft [wederpartij] het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: het college) verzocht te beslissen tot een verkeersmaatregel op de Van Noortstraat te Utrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200808039/2.

Datum uitspraak: 4 december 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de

Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht,

verzoeker,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 23 september 2008 in zaak nr. 08/204 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

1. Procesverloop

Op 1 november 2006 heeft [wederpartij] het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: het college) verzocht te beslissen tot een verkeersmaatregel op de Van Noortstraat te Utrecht.

Bij besluit van 1 februari 2008 heeft het college het door [wederpartij] tegen het uitblijven van een besluit op zijn verzoek gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 23 september 2008, verzonden op 24 september 2008, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 1 februari 2008 vernietigd en het college opgedragen om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 november 2008, hoger beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft het college de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 27 november 2008, waar het college, vertegenwoordigd door mr. H.P. de Keijzer, advocaat te Utrecht, en [wederpartij], vertegenwoordigd door drs. C. van Oosten, werkzaam bij het Bureau Rechtsbescherming te Utrecht, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het verzoek strekt er uitsluitend toe dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat het college in afwachting van de uitspraak op het ingestelde hoger beroep geen gevolg hoeft te geven aan de aangevallen uitspraak, voor zover deze inhoudt dat het college een nieuw besluit neemt op het bezwaar van [wederpartij] met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen.

2.3. In geschil is het oordeel van de rechtbank dat [wederpartij] onder meer heeft verzocht om wegversmallingen waarbij ook fietsstroken worden aangebracht en dat dit verzoek, gelet op het bepaalde in artikel 15, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 12, aanhef en onder b, aanhef en onderdeel II, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (hierna: het BABW), mede moet worden opgevat als een verzoek om een verkeersbesluit waartegen bezwaar kan worden gemaakt, zodat het college het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.4. [wederpartij] heeft het college verzocht een verkeersmaatregel te nemen die de verkeersintensiteit op de Van Noortstraat terugdringt. Daarbij heeft hij aangegeven te opteren voor een oplossing zoals aangebracht in de Laan van Nieuw Guinea, namelijk het plaatsen van obstakels (versmallingen) om de route voor het autoverkeer minder aantrekkelijk te maken maar het langzaam verkeer (fietsers) te ontzien. Ter zitting is aan de hand van een luchtfoto met partijen vastgesteld dat de versmallingen in de Laan van Nieuw Guinea bestaan uit een tweetal obstakels op de weg, waarbij de fietsers langs de buitenkant van deze obstakels worden geleid door middel van op de weg aangebrachte stroken met onderbroken strepen waarin een fiets is getekend en door middel van op de obstakels aangebrachte borden waarop de rijrichting van de fietsers met een pijl wordt aangegeven.

2.5. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat voor de situatie in de Laan van Nieuw Guinea geen verkeersbesluit is genomen en dat dit ook niet was vereist omdat geen sprake is van de aanduiding van fietsstroken, zoals bedoeld in artikel 12, aanhef en onder b, aanhef en onderdeel II, van het BABW, maar van de aanduiding van fietssuggestiestroken, waarvoor geen verkeersbesluit hoeft te worden genomen. Om dezelfde reden is het verzoek van [wederpartij] niet opgevat als een verzoek om een verkeersbesluit te nemen. De vraag of dit standpunt juist is dient in de bodemprocedure te worden beantwoord. Het college zal zijn standpunt in die procedure nader kunnen onderbouwen.

Het college heeft er belang bij nog geen uitvoering te geven aan de aangevallen uitspraak, die uitgaat van een juridisch uitgangspunt waarmee het college het oneens is - namelijk dat voor de gevraagde maatregelen een verkeersbesluit moet worden genomen - en waarover de Afdeling een oordeel wordt gevraagd. Van de zijde van [wederpartij] zijn geen zwaarwegende belangen aangevoerd die zich verzetten tegen toewijzing van het verzoek.

Onder deze omstandigheden ziet de voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

treft de voorlopige voorziening dat het college van burgemeester en wethouders van Utrecht geen nieuw besluit hoeft te nemen op het bezwaar van [wederpartij] voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Van der Smissen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2008

419.