Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BG6393

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2008
Datum publicatie
10-12-2008
Zaaknummer
200803040/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 september 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Loenen (hierna: het college) aan [wederpartij] onder oplegging van een dwangsom, voor zover thans van belang, gelast de opslag behorende bij het [cosmeticabedrijf] uit het meest zuidelijke gebouw op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) te (laten) verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803040/1.

Datum uitspraak: 10 december 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Loenen,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/1690 van de rechtbank Utrecht van 10 maart 2008 in het geding tussen:

[wederpartij], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Loenen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 september 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Loenen (hierna: het college) aan [wederpartij] onder oplegging van een dwangsom, voor zover thans van belang, gelast de opslag behorende bij het [cosmeticabedrijf] uit het meest zuidelijke gebouw op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) te (laten) verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 29 mei 2007 heeft het college, voor zover thans van belang, het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 maart 2008, verzonden op 13 maart 2008, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 29 mei 2007 vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 april 2008, hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 november 2008, waar het college, vertegenwoordigd door mr. T.J. de Smet, ambtenaar in dienst van de gemeente, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. C.W. Kniestedt, advocaat te Utrecht, en [directeur zijn verschenen. Voorts is de vertegenwoordiger van de gebruiker van de opslag, [gemachtigde], verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op het perceel bevindt zich de hofstede "Groot Kantwijk". Bij besluit van 13 februari 2004 heeft het college, voor zover thans van belang, aan [wederpartij] vrijstelling krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening verleend voor het gebruik van stallen en gronden op het perceel ten behoeve van een fok- en trainingscentrum voor polopaarden, gecombineerd met een veehouderij. Tevens is daarbij vrijstelling verleend voor het gebruik van de bestaande boerderij als kantoor en van één van de stallen als atelierruimte voor kunstenaars.

Het [cosmeticabedrijf], dat zich bezighoudt met de ontwikkeling en verkoop van cosmeticaproducten, is gevestigd in kantoorruimten op de beneden- en bovenverdieping van de voormalige deel behorende bij de boerderij. Op de bovenverdieping heeft [cosmeticabedrijf] tevens een klein laboratorium in gebruik. Niet in geschil is dat op "Groot Kantwijk" een volwaardig agrarisch bedrijf is gevestigd.

2.2. De last onder dwangsom heeft betrekking op de voormalige kippenschuur, die [cosmeticabedrijf] gebruikt voor de opslag van productmonsters en promotiemateriaal. De voormalige kippenschuur is gelegen op gronden waarop ingevolge het bestemmingsplan "Landelijk gebied" (hierna: het bestemmingsplan) de bestemming "Agrarische doeleinden", de subbestemming "grondgebonden veehouderij" en de nadere aanwijzingen "bouwvlak" en "evenementen, interne wedstrijden en trainen van paarden toegestaan" rusten.

2.3. Ingevolge artikel 1, onder 17, van de planvoorschriften wordt onder niet-agrarische neventak verstaan: niet-agrarische activiteiten als ondergeschikt bestanddeel van de totale productieomvang van een agrarisch bedrijf.

Ingevolge artikel 1, onder 21, wordt onder opslag verstaan: het bewaren van goederen, materialen en stoffen zonder dat ter plaatse sprake is van productie, bewerking, verwerking, handel en/of activiteiten van administratieve aard.

Ingevolge artikel 20 is in relatie tot de bestemmingen en bouwmogelijkheden voor de diverse deelgebieden in tabel 5a nader aangegeven welke vormen van niet-agrarische neventakken passend/toelaatbaar zijn met inachtneming van de daarbijbehorende voorschriften.

Ingevolge tabel 5a is opslag als niet-agrarische neventak ter plaatse van agrarische bouwvlakken overal rechtstreeks toelaatbaar bij wijze van medebestemming.

Ingevolge voorschrift 5 bij tabel 5a zijn de in deze tabel bedoelde functies alleen toegestaan als niet-agrarische neventak bij volwaardige/reële agrarische bedrijven.

Ingevolge voorschrift 6 bij tabel 5a mag, voor zover thans van belang, de gezamenlijke oppervlakte aan gebouwen en onbebouwde grond ten behoeve van niet-agrarische neventakken in geen geval meer bedragen dan in totaal 300 m² en geldt overigens onverkort dat de niet-agrarische neventak een ondergeschikt bestanddeel van de totale productieomvang van de hoofdfunctie dient te zijn.

Ingevolge artikel 43, eerste lid, is het verboden gronden/water en bouwwerken te (laten) gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de betrokken grond gegeven (sub)bestemmingen, de daarbij behorende doeleindenomschrijvingen en de overige voorschriften.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, mag het gebruik van gronden en bouwwerken dat afwijkt van het plan op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt, worden voortgezet met uitzondering van het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen tot dat tijdstip geldende plan -daaronder ook begrepen de overgangsbepalingen van dat plan - en waartegen opgetreden kon worden en ook werd of wordt opgetreden.

Ingevolge artikel 44, tweede lid, is wijziging van het in het eerste lid bedoelde gebruik slechts toegestaan, indien hierdoor de bestaande afwijkingen van het plan naar aard en/of intensiteit niet worden vergroot.

2.4. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het besluit op bezwaar niet berust op een deugdelijke motivering. Het voert hiertoe aan dat de opslag in de voormalige kippenschuur in strijd is met het bestemmingsplan, omdat de activiteiten waarop de last ziet, niet vallen onder de definitie van opslag als gegeven in artikel 1, onder 21, van de planvoorschriften, nu [cosmeticabedrijf] ter plaatse, namelijk in het kantoor dat binnen hetzelfde agrarische bouwvlak is gelegen, administratieve werkzaamheden verricht. Voorts valt de opslag niet onder het overgangsrecht en wordt de ingevolge het bestemmingsplan maximale oppervlakte aan gebouwen en onbebouwde grond die voor niet-agrarische neventakken mag worden gebruikt, overschreden, aldus het college.

2.4.1. Niet in geschil is dat circa één keer in de twee weken een bestelwagen goederen in de voormalige kippenschuur komt brengen en afhalen. In deze schuur is een werkblad aanwezig waar de dozen met producten kunnen worden geopend en dichtgeplakt. Gemiddeld één keer in de week worden daar van grote pakketten kleinere pakketten gemaakt. De bijbehorende administratieve handelingen vinden plaats in het kantoor van [cosmeticabedrijf]. Niet in geschil is dat de werkzaamheden die [cosmeticabedrijf] in het kantoor uitvoert onder het overgangsrecht als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de planvoorschriften vallen.

Naar het oordeel van de Afdeling kunnen de administratieve handelingen die in het kantoor van [cosmeticabedrijf] worden uitgevoerd ten behoeve van de in de voormalige kippenschuur opgeslagen producten worden aangemerkt als activiteiten van administratieve aard als bedoeld in artikel 1, onder 21, van de planvoorschriften. Het kantoor en de voormalige kippenschuur zijn in hetzelfde agrarische bouwvlak gelegen, zodat geen sprake is van opslag die ingevolge tabel 5a, gelezen in samenhang met artikel 1, onder 21, van de planvoorschriften rechtstreeks bij wijze van medebestemming toelaatbaar is. De opslag valt evenmin onder de werking van het overgangsrecht, nu met de opslag, naar door het college onweersproken is gesteld, eerst een aanvang is gemaakt nadat het bestemmingsplan rechtskracht heeft gekregen en met de opslag de bestaande afwijkingen van het plan worden vergroot. De opslag in de voormalige kippenschuur is derhalve, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, in strijd met het bestemmingsplan, zodat het college bevoegd was terzake handhavend op te treden. Het betoog van het college behoeft voor het overige geen bespreking meer.

2.5. De Afdeling zal alsnog de overige bij de rechtbank door [wederpartij] aangevoerde beroepsgronden beoordelen, nu de rechtbank hieraan niet is toegekomen.

2.6. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.7. [wederpartij] heeft betoogd dat handhavend optreden in dit geval onevenredig is. Zij wijst er in dit verband op dat, indien [cosmeticabedrijf] geen gebruik mag maken van de voormalige kippenschuur, een elders gevestigd bedrijf in overeenstemming met tabel 5a behorende bij het bestemmingsplan de voormalige kippenschuur voor opslag zou kunnen gebruiken, hetgeen vanwege extra verkeersbewegingen meer overlast zal veroorzaken.

2.7.1. Het betoog van [wederpartij] slaagt niet. Het college heeft toegelicht dat zijn belang bij handhavend optreden is gelegen in de ongewenstheid van de uitbreiding van het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van gronden en bouwwerken door [cosmeticabedrijf]. Het college heeft dan ook in het door [wederpartij] gestelde geen aanleiding hoeven zien van handhavend optreden af te zien.

2.8. Voor zover [wederpartij] heeft betoogd dat het college van handhavend optreden had dienen af te zien, omdat ingevolge tabel 5b behorende bij het bestemmingsplan opslag na planwijziging mogelijk is en de opslag dus legaliseerbaar is, slaagt dit betoog niet, reeds omdat bij een volwaardig agrarisch bedrijf niet tabel 5b, maar tabel 5a van toepassing is. Voor zover [wederpartij] met dit betoog heeft willen stellen dat het college van handhavend optreden had dienen af te zien, omdat concreet zicht op legalisatie bestaat, slaagt het evenmin. Het college is niet bereid de opslag te legaliseren, omdat het niet wil afwijken van de planologische uitgangspunten van het recent in werking getreden bestemmingsplan, hetgeen de Afdeling niet onredelijk voorkomt. Derhalve is geen sprake van concreet zicht op legalisatie op grond waarvan het college van handhavend optreden had dienen af te zien.

2.9. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 29 mei 2007 alsnog ongegrond verklaren.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 10 maart 2008 in zaak nr. 07/1690;

III. verklaart het door [wederpartij] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. S.F.M. Wortmann, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Van Goeverden-Clarenbeek

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2008

488.