Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BG6392

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2008
Datum publicatie
10-12-2008
Zaaknummer
200802493/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 mei 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Aalten (hierna: het college) aan HB Fitness vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de verbouw van een kantoorpand tot sportschool op het perceel plaatselijk bekend Anholtseweg 8A te Dinxperlo (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200802493/1.

Datum uitspraak: 10 december 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/1860 van de rechtbank Zutphen van 26 februari 2008 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

het college van burgemeester en wethouders van Aalten.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Aalten (hierna: het college) aan HB Fitness vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de verbouw van een kantoorpand tot sportschool op het perceel plaatselijk bekend Anholtseweg 8A te Dinxperlo (hierna: het perceel).

Bij besluit van 18 september 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 februari 2008, verzonden op 28 februari 2008, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 april 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 november 2008, waar [appellant], vertegenwoordigd door drs. R.A.M. van Woerden, en het college, vertegenwoordigd door B.A. Mennink en F. Luimes, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar HB Fitness, vertegenwoordigd door E. Wamelink en [eigenaar] als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting heeft [appellant] desgevraagd te kennen gegeven dat het hoger beroep is ingesteld door hem en niet door of namens [wederpartij].

De Afdeling zal daarom gelasten dat de Secretaris van de Raad van State € 217,00, zijnde het verschil tussen het geheven tarief dat geldt indien hoger beroep is ingesteld anders dan door een natuurlijke persoon en het voor het instellen van hoger beroep door een natuurlijke persoon verschuldigde tarief, aan [appellant] vergoedt.

2.2. Op de gronden waarop het bouwplan is voorzien rust ingevolge het bestemmingsplan "Dinxperlo-Dorp 1989" de bestemming "Handel en nijverheid". Het bouwplan is hiermee in strijd. Het college heeft vrijstelling als bedoeld in artikel 22, vierde lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften verleend. Het perceel is volgens de plankaart gelegen in bestemmingsvlak III.

2.3. Ingevolge artikel 1, aanhef en sub ah, van de planvoorschriften worden in deze voorschriften en regelen onder inrichtingen categorie tot en met 4 verstaan inrichtingen waaronder:

a. inrichtingen die geheel gescheiden dienen te zijn van woonwijken dan wel kleine woonconcentraties met een minimale afstand tot de dichtstbijzijnde woonwijk dan wel kleine woonconcentratie van 100 m, met uitzondering van verspreid gelegen woningen dan wel dienstwoningen behorende tot de toegelaten inrichtingen;

b. inrichtingen waaraan lagere eisen gesteld dienen te worden met betrekking tot hun situering ten opzichte van de dichtstbijzijnde woonwijk of kleine woonconcentratie als bepaald onder a van deze begripsomschrijving;

c. inrichtingen welke aan de rand van de woonbebouwing dan wel opgenomen in de woonbebouwing toelaatbaar zijn en geen specifieke detailhandelsfunctie vervullen en op zich aanvaardbaar zijn op een specifiek terrein voor "handel en nijverheid".

Artikel 2, sub c, is de lijst met toegelaten inrichtingen in de categorie tot en met 4. Hierin wordt sportschool niet genoemd.

Ingevolge artikel 22, eerste lid, aanhef en onder b, voor zover thans van belang, zijn de op de kaart voor "Handel en nijverheid" aangewezen gronden in bestemmingsvlak III aangewezen voor gebouwen ten dienste van inrichtingen in de categorie tot en met 4, expliciet genoemd onder de begripsomschrijvingen en nader bepaald in artikel 2 sub c van deze voorschriften.

Ingevolge artikel 22, vierde lid, aanhef en onder b, voor zover thans van belang, is het college bevoegd vrijstelling te verlenen van het gestelde in het eerste lid onder b van dit artikel - nadat een positief advies is ontvangen van de Inspecteur van de Volksgezondheid voor de Hygiëne van het Milieu in de provincie Gelderland (hierna: de Inspecteur) - ten behoeve van inrichtingen - niet genoemd in artikel 2 sub c van deze voorschriften - mits deze inrichtingen voldoen aan het gestelde in de begripsomschrijving zoals genoemd in artikel 1 sub ah van deze voorschriften. Indien een negatief advies van de Inspecteur is ontvangen mag deze vrijstellingsbevoegdheid slechts worden toegepast na een ontvangen verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde staten.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college geen gebruik had mogen maken van de bevoegdheid om vrijstelling te verlenen krachtens artikel 22, vierde lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften, omdat een sportschool niet tot de sector handel en nijverheid behoort en tevens niet aanvaardbaar is op een bedrijventerrein waar bedrijven tot en met categorie 4 zijn toegelaten. Hij voert hiertoe aan dat uit artikel 22, eerste lid, aanhef en onder b, gelezen in samenhang met artikel 1, aanhef, sub ah, en artikel 2, sub c, valt af te leiden dat slechts vrijstelling kan worden verleend voor inrichtingen in de sector handel en nijverheid, waartoe een sportschool niet kan worden gerekend. Uit het gegeven dat detailhandel is uitgesloten en een sportschool meer afwijkt van handel en nijverheid dan detailhandel, kan eveneens worden afgeleid dat een sportschool is uitgesloten, aldus [appellant].

2.4.1. Dit betoog slaagt niet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit de tekst van de planvoorschriften noch uit de toelichting blijkt dat vrijstelling slechts kan worden verleend voor inrichtingen die moeten worden gerekend tot de sector handel en nijverheid. Artikel 22, vierde lid, aanhef en onder b, stelt immers als voorwaarde dat de inrichting moet voldoen aan de begripsomschrijving als bedoeld in artikel 1 sub ah. De rechtbank heeft er ook terecht op gewezen dat de bepaling, als vermeld in artikel 1, aanhef, sub ah, onder c, dat inrichtingen op zich aanvaardbaar moeten zijn op een specifiek terrein voor "handel en nijverheid", zinledig zou zijn, indien onder het begrip "inrichtingen" uitsluitend inrichtingen in de sector handel en nijverheid zouden moeten worden verstaan. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat een sportschool past in de omschrijving als vermeld in artikel 1, aanhef, sub ah, onder c, en toegelicht dat specifieke detailhandel is uitgesloten, omdat het wenselijk is dat die in het centrum van Dinxperlo geconcentreerd is om dit centrum levendig te houden. De rechtbank heeft dan ook terecht geen grond gezien voor het oordeel dat vestiging van een sportschool op zichzelf niet aanvaardbaar is op een specifiek terrein voor handel en nijverheid en terecht geoordeeld dat is voldaan aan de hier aan de orde zijnde voorwaarde voor toepassing van de vrijstellingsbevoegdheid van artikel 22, vierde lid, aanhef en onder b.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college geen vrijstelling had mogen verlenen, omdat geen advies is ontvangen van de Inspecteur als vereist in artikel 22, vierde lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften. Hij voert hiertoe aan dat de rechtbank ten onrechte het ontbreken van dat advies gelijk heeft gesteld met een negatief advies. In dat geval zou een toets aan het bestemmingsplan hebben plaatsgevonden, die thans ontbreekt, aldus [appellant].

2.5.1. Dit betoog slaagt evenmin. De rechtbank heeft terecht overwogen dat voor de Inspecteur thans VROM-inspectie dient te worden gelezen en dat deze geen adviezen meer uitbrengt in kwesties als deze. Het college heeft, overeenkomstig het bepaalde in artikel 22, vierde lid, aanhef en onder b, ingeval van een negatief advies van de Inspecteur, een verklaring van geen bezwaar gevraagd aan het college van Gedeputeerde Staten van Gelderland (hierna: gedeputeerde staten). Deze verklaring is bij besluit van 27 februari 2007 verleend. De stelling dat niet aan het bestemmingsplan is getoetst, mist feitelijke grondslag. Deze toets is door het college uitgevoerd, zoals is vermeld in het besluit van 12 december 2006 tot aanvraag van afgifte van de verklaring van geen bezwaar. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat met de ontvangst van die verklaring is voldaan aan de gestelde voorwaarde voor vrijstellingverlening.

2.6. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college geen gebruik had mogen maken van de verklaring van geen bezwaar. Hij voert aan dat het college aanvankelijk vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijk Ordening (hierna: de WRO) had willen verlenen en het besluit ook als zodanig ter inzage heeft gelegd, maar het na de keuze voor een andere grondslag ten onrechte niet opnieuw ter inzage heeft gelegd, zodat gedeputeerde staten geen volledig beeld hadden van de situatie, toen zij de verklaring van geen bezwaar verleenden.

2.6.1. Dit betoog slaagt niet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het volgen van de openbare voorbereidingsprocedure bij verlening van een vrijstelling als bedoeld in artikel 15 van de WRO niet wettelijk is voorgeschreven. Voorts heeft de rechtbank terecht gewezen op het verslag van het overleg van 14 november 2006 dat tussen partijen heeft plaatsgevonden. In dit verslag is vermeld dat het college uiteen heeft gezet dat het bouwplan niet opnieuw ter inzage zou worden gelegd en dat namens [appellant] toen is aangegeven dat men vooral inhoudelijk tegen de vestiging van de sportschool is en dat het college de haalbaarheid van de een tweede sportschool in Dinxperlo bij het maken van de definitieve keuze moet betrekken. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd is dan ook geen grond te vinden voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college niet onzorgvuldig heeft gehandeld door te volstaan met de aanvraag van een verklaring van geen bezwaar en toezending aan gedeputeerde staten van de door [appellant] al eerder gegeven zienswijze.

Voorts heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat het college de relevante stukken aan gedeputeerde staten heeft gezonden, waaronder de toelichting vervat in de B&W-rapportage van 11 juli 2006 met de planologische onderbouwing van het project. De rechtbank heeft evenzeer terecht overwogen dat gedeputeerde staten hun instemming met de realisering van de sportschool in het kantoorpand - met gemotiveerde verwerping van de zienswijze van [appellant] - niet nader hebben hoeven motiveren.

2.7. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college bij het verlenen van vrijstelling onvoldoende rekening heeft gehouden met de milieuhygiënische aspecten en veiligheid. Hij wijst erop dat de rechtbank heeft miskend dat een sportschool een geur- en hindergevoelig object is en dat het desbetreffende pand is gelegen naast een metaalgaasweverij, waar gevaarlijke stoffen zijn opgeslagen en waardoor geuroverlast wordt veroorzaakt.

2.7.1. Voor zover een sportschool al een geluidgevoelig object is als bedoeld in de Wet geluidhinder of een geurgevoelig object, heeft het college in het besluit op bezwaar gemotiveerd dat de sportschool voldoende bescherming geniet. Het college heeft toegelicht dat aan de vergunning die het college bij besluit van 21 maart 2000 krachtens de Wet milieubeheer aan Metaalgaasweverij Dinxperlo, gevestigd aan de Anholtseweg 10, heeft verleend, als voorschrift is verbonden dat deze inrichting geen geurhinder mag veroorzaken. Voorts heeft het college in beroep gesteld dat de installatie die geurhinder kan veroorzaken is gelegen op een andere locatie van de inrichting op een afstand van ongeveer 270 m van het perceel, hetgeen door [appellant] niet is weersproken. Het college heeft aldus afdoende gemotiveerd dat vestiging van de sportschool op het perceel planologisch aanvaardbaar is. Voor zover [appellant] betoogt dat niet is onderzocht of de aan Metaalgaasweverij Dinxperlo verleende milieuvergunning ten gevolge van die vestiging moet worden aangepast, is dat in dit geding niet aan de orde.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat in het betoog van [appellant] geen grond te vinden is voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat de vestiging van de sportschool thans geen beperkingen met zich brengt voor bedrijven in de omgeving.

2.8. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de vestiging van een sportschool in strijd is met het eigen beleid van de gemeente, zoals dat is neergelegd in de Structuurvisie Dinxperlo-De Heurne van 10 juli 2007 (hierna: de structuurvisie). Daarin is immers vermeld dat de bestaande functie van het bedrijventerrein blijft gehandhaafd, aldus [appellant].

2.8.1. Dit betoog slaagt evenmin. Zoals het college heeft toegelicht is in de structuurvisie vermeld dat kansen moeten worden gegrepen voor vernieuwing (revitalisering) van de bestaande, oudere bedrijventerreinen, omdat anders kans bestaat dat die gebieden gaan verpauperen. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat verpaupering wordt tegengegaan door in het desbetreffende pand, dat als kantoor overbodig was geworden, een nieuwe functie toe te staan die de omliggende functies niet belemmert. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat [appellant] niet kan worden gevolgd in zijn betoog dat de vrijstelling in strijd is met de structuurvisie.

2.9. Voorts betoogt [appellant] tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat een bodemonderzoek had dienen plaats te vinden. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college een bodemonderzoek niet noodzakelijk heeft hoeven achten, aangezien de sportschool wordt gevestigd in een bestaand pand. Dat, zoals [appellant] betoogt, het gebruik van het pand wijzigt, doet daar niet aan af.

2.10. Ten slotte betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat de bouwaanvraag ingevolge artikel 52 van de Woningwet had moeten worden aangehouden. Hij voert daartoe aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de sportschool een zelfstandige inrichting is waarop het Besluit horeca, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer van toepassing is. De rechtbank heeft volgens hem miskend dat de sportschool is gelegen binnen de grens van de inrichting van de metaalgaasweverij, zodat sprake is van een vergunningplichtige verandering van die inrichting. Hij wijst in dit verband op het feit dat de sportschool gebruik zal maken van de parkeerplaats van de metaalgaasweverij.

2.10.1. Dit betoog slaagt evenmin. Ingevolge artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer, voor zover thans van belang, worden als één inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen. Hoewel de sportschool in de onmiddellijke nabijheid van de metaalgaasweverij is gelegen, kan zij niet worden beschouwd als een installatie die tot de metaalgaasweverij behoort. Dat bezoekers van de sportschool gebruik kunnen maken van de parkeerplaatsen van de metaalgaasweverij, die na ongeveer 16.00 uur daarvan geen gebruik meer maakt, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat met de vestiging van de sportschool geen sprake is van een vergunningplichtige verandering van de bestaande inrichting van de metaalgaasweverij, zodat de aanvraag om bouwvergunning niet op grond van artikel 52 van de Woningwet hoefde te worden aangehouden.

2.11. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. gelast dat de secretaris van de Raad van State aan [appellant] het voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht voor een bedrag van € 217,00 (zegge: tweehonderdzeventien euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. S.F.M. Wortmann, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Van Goeverden-Clarenbeek

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2008

488.