Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BG5897

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2008
Datum publicatie
03-12-2008
Zaaknummer
200801696/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 1 mei 2007 heeft de korpschef van de politieregio Rotterdam-Rijnmond (hierna: de korpschef) medegedeeld dat hij de elektronische weg niet uitdrukkelijk heeft opengesteld voor het indienen van informatieverzoeken in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) en dat dit betekent dat het door [appellant] bij e-mailbericht ingediende informatieverzoek niet in behandeling zal worden genomen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 2:13
Algemene wet bestuursrecht 2:15
Algemene wet bestuursrecht 7:1
Algemene wet bestuursrecht 8:1
Algemene wet bestuursrecht 8:4
Wet openbaarheid van bestuur
Wet openbaarheid van bestuur 3
Wet openbaarheid van bestuur 5
Bekostigingsbesluit WPO
Bekostigingsbesluit WPO 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2009, 8 met annotatie van P.J. Stolk
Gst. 2009, 26 met annotatie van S.A.J. Munneke
JB 2009/15 met annotatie van M.O.-V.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200801696/1.

Datum uitspraak: 3 december 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/2878 van de rechtbank Rotterdam van 8 februari 2008 in het geding tussen:

[appellant]

en

de korpsbeheerder van de politieregio Rotterdam-Rijnmond.

1. Procesverloop

Bij brief van 1 mei 2007 heeft de korpschef van de politieregio Rotterdam-Rijnmond (hierna: de korpschef) medegedeeld dat hij de elektronische weg niet uitdrukkelijk heeft opengesteld voor het indienen van informatieverzoeken in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) en dat dit betekent dat het door [appellant] bij e-mailbericht ingediende informatieverzoek niet in behandeling zal worden genomen.

Bij besluit van 18 juli 2007 heeft de korpsbeheerder van de politieregio Rotterdam-Rijnmond (hierna: de korpsbeheerder) het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 8 februari 2008, verzonden op 12 februari 2008, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 maart 2008, hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 oktober 2008, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. H. van Drunen, juridisch adviseur te Utrecht, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Ingevolge artikel 2:13, eerste lid, kan in het verkeer tussen burgers en bestuursorganen een bericht elektronisch worden verzonden, mits de bepalingen van afdeling 2.3 in acht worden genomen.

Ingevolge artikel 2:15, eerste lid, dat deel uitmaakt van afdeling 2.3, kan een bericht elektronisch naar een bestuursorgaan worden verzonden voor zover het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg is geopend. Het bestuursorgaan kan nadere eisen stellen aan het gebruik van de elektronische weg.

Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken.

Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank.

Ingevolge artikel 8:4, aanhef en onder k, kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit inhoudende een weigering op grond van artikel 2:15.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge artikel 5, tweede lid, vindt een gehele of gedeeltelijke afwijzing van een schriftelijk verzoek om informatie schriftelijk plaats. In geval van een mondeling verzoek vindt een afwijzing schriftelijk plaats, indien de verzoeker daarom vraagt. De verzoeker wordt op deze mogelijkheid gewezen.

2.2. In zijn verweerschrift stelt de korpsbeheerder dat [appellant] geen belang heeft bij het hoger beroep, omdat hij via zijn gemachtigde, die op persoonlijke titel een op de Wob gebaseerd verzoek heeft ingediend, inmiddels in het bezit van de door hem gevraagde stukken is gekomen. Dienaangaande overweegt de Afdeling dat [appellant], reeds omdat hij in zijn bezwaarschrift heeft verzocht om vergoeding van de door hem in verband met de behandeling van het bezwaar gemaakte proceskosten, belang heeft bij een beoordeling van het door hem ingestelde hoger beroep. Daar komt bij dat [appellant] ter zitting heeft betwist dat de korpsbeheerder aan het op persoonlijke titel door zijn gemachtigde ingediende verzoek heeft voldaan.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de korpsbeheerder het bezwaar tegen de brief van 1 mei 2007, voor zover daarbij zijn op de Wob gebaseerde verzoek op grond van artikel 2:15, eerste lid, van de Awb is geweigerd, ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hij voert daartoe aan dat, gelet op artikel 5 van de Wob en de geschiedenis van de totstandkoming van deze wet, het indienen van een verzoek als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wob vormvrij is. Volgens [appellant] vormt de Wob daarmee een lex specialis ten opzichte van de in afdeling 2.3 van de Awb neergelegde regels betreffende de wijze van indiening van een aanvraag.

Volgens [appellant] heeft de rechtbank tevens miskend dat de korpschef wel degelijk de elektronische weg in de zin van artikel 2:15, eerste lid, van de Awb heeft geopend voor het indienen van op de Wob gebaseerde verzoeken. [appellant] wijst er in dat verband op dat hij zijn verzoek door middel van een op de website van de politieregio Rotterdam-Rijnmond geplaatst formulier heeft ingediend, dat voor het publiek bedoeld was om vragen te stellen en waaraan het e-mailadres info@rijnmond.politie.nl was verbonden.

2.3.1. Het betoog van [appellant] dat de indiening van een verzoek om toepassing van de Wob vormvrij is en dat daarom de Wob als lex specialis derogeert aan afdeling 2.3 van de Awb, slaagt niet. Ook voor elektronische verzoeken op grond van de Wob geldt dat een aan te zoeken bestuursorgaan de gelegenheid moet hebben dergelijke verzoeken eerst in behandeling te nemen indien het in staat is deze op een ordelijke en efficiënte wijze te behandelen met voldoende waarborgen voor de betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid van de uitgewisselde berichten. Het feit dat een op de Wob gebaseerd verzoek ook mondeling kan worden ingediend en de omstandigheid dat indiening via een e-mailbericht een snelle en praktische behandeling van een dergelijk verzoek zou kunnen bevorderen, doen daaraan niet af.

2.3.2. Anders dan [appellant] betoogt, vloeit uit het feit dat op de website van een bestuursorgaan aan het publiek de gelegenheid wordt geboden om vragen te stellen door het invullen van een formulier, op zichzelf niet voort dat de elektronische weg is geopend voor het indienen van verzoeken als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wob. Zoals blijkt uit de memorie van toelichting bij de Wet elektronisch bestuurlijk verkeer (Kamerstukken II 2001/02, 28 483, nr. 3, blz. 12 en 13), waarbij afdeling 2.3 van de Awb is ingevoerd, kan een bestuursorgaan voor zover het dat wenselijk acht de elektronische weg openen voor een of meer categorieën van berichten, opdat het zijn organisatie en werkprocessen vooraf afdoende gereed kan maken voor het afhandelen van elektronisch ingediende berichten van de desbetreffende categorie. Daarbij is differentiatie mogelijk. Hieruit volgt dat een bericht slechts langs elektronische weg bij een bestuursorgaan kan worden ingediend indien voldoende duidelijk is dat deze weg voor de desbetreffende berichtencategorie is opengesteld. Uit het feit dat aan het op de website van de politieregio Rotterdam-Rijnmond geplaatste vragenformulier het e-mailadres info@rijnmond.politie.nl was verbonden, kan, gelet op het algemene karakter van het formulier en het e-mailadres, niet worden afgeleid dat dit formulier behalve voor het stellen van publieksvragen ook voor het indienen van verzoeken als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wob was bestemd.

2.3.3. De bij de brief van 1 mei 2007 gedane mededeling op grond van artikel 2:15, eerste lid, van de Awb dat de elektronische weg niet uitdrukkelijk is opengesteld voor het indienen van op de Wob gebaseerde verzoeken is geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, waartegen ingevolge art. 8:1, eerste lid, van die wet bezwaar en beroep kan worden ingesteld. Het gaat hier om een mededeling van feitelijke aard. De tevens gedane mededeling dat het informatieverzoek niet in behandeling zal worden genomen draagt geen ander karakter, omdat uit het gegeven dat een verzoek niet langs elektronische weg kan worden ingediend, voortvloeit dat een langs die weg ingediend verzoek niet voor behandeling in aanmerking kan komen. Overigens zou ook indien deze mededeling als een besluit inhoudende een weigering op grond van artikel 2:15, eerste lid, van de Awb wordt opgevat, daartegen evenmin bezwaar en beroep openstaan, gelet op het bepaalde in artikel 8:4, aanhef en onder k, van de Awb.

2.3.4. De rechtbank heeft dan ook met juistheid geoordeeld dat de korpsbeheerder het bezwaar van [appellant] tegen de brief van 1 mei 2007 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Pikart-van den Berg

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2008

350-582.