Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BG5895

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2008
Datum publicatie
03-12-2008
Zaaknummer
200800052/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 november 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Barneveld (hierna: de raad) bij besluit van 3 april 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Burgemeester Aschofflaan 1" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2008/2760
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200800052/1.

Datum uitspraak: 3 december 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Blokker Holding B.V., Blokker B.V. en Marskramer B.V., onderscheidenlijk gevestigd te Laren, Amsterdam en Gouda,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 november 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Barneveld (hierna: de raad) bij besluit van 3 april 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Burgemeester Aschofflaan 1" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Blokker Holding B.V., Blokker B.V. en Marskramer B.V. (hierna: Blokker Holding en anderen) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 januari 2008, beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben het college van burgemeester en wethouders van Barneveld namens de raad en Intratuin Barneveld B.V., [belanghebbende] en Intratuin Nederland B.V. (hierna: Intratuin en anderen) een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Blokker Holding en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 oktober 2008, waar Blokker Holding en anderen, vertegenwoordigd door mr. A.R. Klijn, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.J.R.M. Nelissen, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door mr. M. van der Voet, ambtenaar in dienst van de gemeente, en Intratuin en anderen, vertegenwoordigd door mr. J. Hoekstra, advocaat te Amsterdam.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan voorziet in een planologische regeling voor de reeds in Barneveld bestaande vestiging van Intratuin aan de Burgemeester Aschofflaan 1.

2.3. In het plan hebben de gronden van de Intratuinvestiging de bestemming "Detailhandel" met de aanduiding "tuincentrum".

Ingevolge artikel 3.1.1 sub a van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor Detailhandel aangewezen gronden bestemd voor detailhandel ter plaatse van de aanduiding tuincentrum: een tuin/ sfeercentrum.

Ingevolge artikel 3.1.1 sub b van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor Detailhandel aangewezen gronden bestemd voor detailhandel in aanvullend assortiment I tot een verkoopvloeroppervlak van maximaal 440 m².

Ingevolge artikel 1 van de planvoorschriften wordt in deze voorschriften onder detailhandel in aanvullend assortiment I verstaan: detailhandel in de vorm van verkoop van artikelen die voor het koken worden gebruikt (pannen, potten, keukengereedschappen, keukentextiel), verkoop van artikelen i.v.m. het nuttigen van maaltijden (tafels, stoelen, serviezen, bestekken, tafelaankleding), verkoop van foodartikelen (koffie, thee, delicatessen, kruiden/specerijen, oliën, azijnen en sauzen), het verzorgen van (kook)demonstraties.

Ingevolge artikel 3.1.1 sub c van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor Detailhandel aangewezen gronden bestemd voor detailhandel in aanvullend assortiment II tot een verkoopvloeroppervlakte van maximaal 1.060 m², waarbij:

1 overige detailhandel tot een verkoopvloeroppervlak van maximaal 500 m² per artikelgroep is toegestaan, met uitzondering van detailhandel in bruin- en witgoed, juweliersartikelen, drogisterijartikelen, lingerie-artikelen, huishoudelijke artikelen en andere kleding dan tuin- en outdoorkleding;

2 detailhandel in dagelijkse vers-artikelen als een supermarkt niet is toegestaan.

Ingevolge artikel 1 van de planvoorschriften wordt in deze voorschriften onder detailhandel in aanvullende assortiment II verstaan: detailhandel in de vorm van de verkoop van grootschalige artikelen (waaronder in ieder geval begrepen zwembaden en speeltoestellen) alsmede het leveren van aan een tuincentrum gerelateerde diensten in de vorm van exposities, seminars en shows, alsmede overige detailhandel.

Ingevolge artikel 3.1.1 sub d van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor Detailhandel aangewezen gronden bestemd voor detailhandel in het kader van een tijdelijke actie tot een maximum vloeroppervlakte van 50 m².

Ingevolge artikel 1 van de planvoorschriften wordt in deze voorschriften onder detailhandel verstaan: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die de goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

Ingevolge artikel 3.3.1 van de planvoorschriften kan het college van burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van:

a het bepaalde in artikel 3.1.1 sub c onder 1 ten aanzien van de uitgezonderde artikelen tot een maximum vloeroppervlak van 1.060 m²;

b de in artikel 3.1.1 sub c onder 1 bepaalde maximum vloeroppervlakte van 500 m² tot maximaal 1.060 m².

Ingevolge artikel 3.3.2 van de planvoorschriften verleent het college van burgemeester en wethouders slechts dan vrijstelling indien ter zake geen sprake zal zijn van een duurzame ontwrichting (zoals omschreven in de toelichting) in de betreffende detailhandelssector, waartoe het college van burgemeester en wethouders in voorkomend geval kan verlangen dat terzake een (distributieplanologisch) onderzoek wordt verricht, alvorens vrijstelling te verlenen.

Het college heeft, voor zover hier van belang, aan artikel 3.1.1 sub c onder 1 en artikel 3.3.1 sub a en b, van de planvoorschriften goedkeuring onthouden.

2.4. Ter zitting hebben Blokker Holding en anderen aangevoerd dat de begripsbepaling van een tuin/ sfeercentrum als bedoeld in artikel 3.1.1 sub a van de planvoorschriften dusdanig ruim is geformuleerd dat niet meer gesproken kan worden van een tuincentrum. Dit is niet verwoord in het door Blokker Holding en anderen ingediende beroepschrift. Blijkens de in het beroepschrift gegeven toelichting op de beroepsgrond dat het goedgekeurde niet-tuincentrum gerelateerde assortiment in strijd is met artikel 10 van de WRO, heeft deze grond betrekking op het in artikel 3.1.1 sub b en d van de planvoorschriften toegelaten aanvullend assortiment I en detailhandel in het kader van een tijdelijke actie. Nu Blokker Holding en anderen de reikwijdte van het in artikel 3.1.1 sub a bedoelde begrip tuin/ sfeercentrum als zodanig eerst ter zitting hebben aangevoerd, dient deze grond met het oog op een goede procesorde buiten beschouwing te worden gelaten. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat Blokker Holding en anderen geen bijzondere omstandigheden hebben aangevoerd op grond waarvan van hen redelijkerwijs niet kon worden verlangd dat zij dit eerder naar voren hadden gebracht. Deze beroepsgrond kan derhalve niet bij de beoordeling van het bestreden besluit worden betrokken.

2.5. Blokker Holding en anderen stellen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 3.3.2 van de planvoorschriften, omdat dit artikel geen zelfstandige betekenis meer heeft, aangezien goedkeuring is onthouden aan artikel 3.3.1 sub a en b.

2.5.1. Aan de vrijstellingsmogelijkheid in artikel 3.3.1 sub a en b van de planvoorschriften is door het college goedkeuring onthouden. In artikel 3.3.2 van de planvoorschriften is een voorwaarde opgenomen waaronder van de vrijstellingsmogelijkheid als voornoemd gebruik kan worden gemaakt. Na de onthouding van goedkeuring mist artikel 3.3.2 zelfstandige betekenis. Door dit voorschrift niettemin goed te keuren, is het plan in zoverre in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

2.5.2. De conclusie is dat hetgeen Blokker Holding en anderen hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het college, door de onthouding van goedkeuring te beperken tot artikel 3.3.1 sub a en b van de planvoorschriften en deze niet mede te betrekken op artikel 3.3.2 van de planvoorschriften, in strijd heeft gehandeld met het rechtszekerheidsbeginsel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan artikel 3.3.2 van de planvoorschriften.

Uit het vorenstaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan artikel 3.3.2 van de planvoorschriften.

2.6. Blokker Holding en anderen stellen dat ten onrechte goedkeuring is verleend aan artikel 3.1.1 sub d van de planvoorschriften. Zij voeren daartoe aan dat de mogelijkheid om detailhandel te voeren in het kader van een tijdelijke actie tot een maximum vloeroppervlakte van 50 m² niet als ondergeschikt is aan te merken, omdat aan de inhoud van het assortiment geen enkele beperking is gesteld en het begrip "tijdelijke actie" niet nader is gedefinieerd. Voorts strookt het voeren van een dergelijk assortiment volgens Blokker Holding en anderen niet met het in het Streekplan Gelderland 2005 (hierna: het streekplan) geformuleerde uitgangspunt.

2.6.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de toegestane detailhandel in artikel 3.1.1 sub d van de planvoorschriften in strijd is met het streekplan. Volgens het college is het echter wenselijk om af te wijken van het streekplan, aangezien de tijdelijkheid en omvang van de detailhandel voldoende objectief begrensd zijn en deze detailhandel ondergeschikt is.

2.6.2. Blijkens pagina 66 en volgende van het streekplan wil de provincie ruimte bieden om veranderingen in vraag en aanbod van detailhandel op perifere locaties mogelijk te maken, onder de voorwaarde dat de bestaande voorzieningenstructuur niet duurzaam wordt aangetast. Voor detailhandel op een perifere locatie geldt verder als uitgangspunt dat alleen detailhandel is toegestaan die vanwege de specifieke ruimtelijke eisen moeilijk inpasbaar is in bestaande winkelgebieden. Het vorenstaande is in het streekplan gekwalificeerd als een richtinggevende beleidsuitspraak en niet als een essentiële beleidsuitspraak. Wanneer zich een ontwikkeling voordoet die niet past binnen een richtinggevende beleidsuitspraak kan het college, zoals blijkt uit pagina 235 en 236 van het streekplan, overwegen een afwijkingsprocedure te volgen. Een voornemen tot afwijken van het streekplan kan door het college worden voorgelegd aan de Provinciale Commissie Fysieke Leefomgeving (hierna: PCFL). Het college dient bij de streekplanafwijking aan te tonen dat de voorgenomen afwijking niet in strijd is met een essentiële beleidsuitspraak en dat de afwijking niet ten koste gaat van de samenhang van het ruimtelijk beleid, aldus het streekplan.

2.6.3. Anders dan Blokker Holding en anderen betogen, bestaat er, gelet op het voorgaande, ruimte om van het beleid in het streekplan inzake perifere detailhandel af te wijken. Uit de brief van het college van 17 oktober 2007 blijkt voorts dat de PCFL in een advies kenbaar heeft gemaakt dat zij zich kan verenigen met de voorgenomen afwijking van het streekplan.

In het bestreden besluit is gemotiveerd waarom in dit geval van het streekplan kan worden afgeweken. Het standpunt van het college dat de tijdelijkheid en omvang van de detailhandel voldoende objectief zijn begrensd en de detailhandel ondergeschikt is, kan de Afdeling niet volgen. Uit de bewoordingen "detailhandel in het kader van een tijdelijke actie" blijkt naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende welke detailhandel is toegestaan en voor welke duur. In dit verband wordt overwogen dat het woord "tijdelijke" en het soort detailhandel niet nader zijn omschreven, zodat geen sprake is van een objectieve beperking van de duur van de actie en het soort detailhandel. Ter zitting is namens de raad ook erkend dat het voorschrift tijdelijke acties steeds gedurende enkele weken toelaat en dat het gehele jaar door. Van tijdelijkheid is gelet hierop geen sprake. Ten aanzien van het soort detailhandel overweegt de Afdeling dat de bewoordingen van het bestreden voorschrift de verkoop van de in artikel 3.1.1 sub c onder 1 genoemde artikelen, aan welk voorschrift het college goedkeuring heeft onthouden, niet uitsluiten. Ook laat artikel 3.1.1 sub d de verkoop van de in artikel 3.1.1 sub c onder 2 uitgesloten detailhandel in dagelijkse versartikelen toe. Verder is de vraag of de toegestane detailhandel ondergeschikt is naar het oordeel van de Afdeling niet alleen afhankelijk van een maximum oppervlakte. Dit dient eveneens in samenhang gezien te worden met de soort artikelen die verkocht worden op de betreffende oppervlakte.

2.6.4. De conclusie is dat hetgeen Blokker Holding en anderen hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat artikel 3.1.1 sub d van de planvoorschriften is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid. Door het plan in zoverre goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan artikel 3.1.1 sub d van de planvoorschriften.

Uit het vorenstaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan artikel artikel 3.1.1 sub d.

2.7. Blokker Holding en anderen stellen dat ten onrechte goedkeuring is verleend aan artikel 3.1.1 sub b van de planvoorschriften. Zij voeren daartoe aan dat deze bepaling in strijd is met het streekplan en met het gemeentelijk detailhandelsbeleid in de "Nota toelatingsbeleid detailhandel op perifere plaatsen" van 16 juni 1999 (hierna: de nota) en de structuurvisie "Kompas naar 2015" (hierna: de structuurvisie). Zij stellen zich, met verwijzing naar rapportages van Locatus van 7 november 2005 en 5 april 2006, op het standpunt dat het in dit artikel toegestane assortiment zal leiden tot een duurzame ontwrichting van de voorzieningenstructuur.

2.7.1. Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat afwijking van het streekplan gerechtvaardigd is, omdat de locatie van Intratuin op termijn wordt opgenomen binnen nieuw stedelijk gebied, de oppervlakte van 440 m² ondergeschikt is aan de totale oppervlakte van Intratuin, er reeds op de voorgaande perifere locatie een soortgelijk assortiment werd gevoerd en de bestaande voorzieningenstructuur niet zal worden aangetast. Daarvoor baseert het college zich op het rapport "Barneveld, Branchegericht dpo huishoudelijke artikelen" van BRO van 7 november 2005 (hierna: het dpo-rapport).

2.7.2. Zoals hiervoor is overwogen, kan van het beleid in het streekplan inzake perifere detailhandel onder voorwaarden worden afgeweken.

Met het advies van de PCFL is aan een van de gestelde voorwaarden uit het streekplan voldaan. Voorts is niet gebleken dat de afwijking van het streekplan in strijd is met een essentiële beleidsuitspraak. Ten aanzien van de voorwaarde dat de afwijking niet ten koste gaat van de samenhang van het ruimtelijk beleid, overweegt de Afdeling het volgende. Volgens de nota en de (ontwerp-) structuurvisie richt het gemeentelijk detailhandelsbeleid zich op de concentratie van detailhandel in het centrum van Barneveld en dient terughoudend te worden omgegaan met detailhandel op perifere plaatsen. Blijkens de plantoelichting is in de nota geen specifiek beleid geformuleerd met betrekking tot het voeren van (ondergeschikte) nevenassortimenten bij perifere detailhandelsvestigingen. Het college heeft voorts gewezen op de meer recente Detailhandelsstructuurvisie kern Barneveld (hierna: detailhandelsstructuurvisie), vastgesteld door de raad in mei 2007, waarin staat dat tuincentra zijn toegestaan in de periferie. Voor assortimentsverbreding en brancheverbreding geldt hierbij de voorwaarde dat een goede afweging gemaakt wordt ten opzichte van de bestaande centra in de structuur. In de detailhandelsstructuurvisie staat verder dat de dynamiek in met name de tuin- en doe-het-zelfbranche er toe leidt dat steeds meer randassortimenten worden gevoerd op het gebied van 'tuin', 'in en om het huis' en aanverwante artikelen en dat ook in de kern Barneveld grootschaliger uitbreidingen en eigentijdse concepten rond het thema 'huis', 'tuin' en 'doe-het-zelf', mogelijk moeten zijn. Daarbij gelden volgens de detailhandelsstructuurvisie wel de voorwaarden van een goede inpassing in de omgeving en afstemming ten opzichte van de gewenste structuurontwikkeling in Barneveld en het beheersbaar blijven van echt grootschalige ontwikkelingen en grootschaliger omvang van randassortimenten zoals elders in de detailhandelsstructuurvisie genoemd. Hieruit volgt dat het door Blokker Holding en anderen genoemde ruimtelijk beleid niet op voorhand in de weg staat aan detailhandel in een breder assortiment op perifere locaties.

De Afdeling stelt aan de hand van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting vast dat het bij het zogeheten Aan de Dis-concept waarop artikel 3.1.1 sub b van de planvoorschriften betrekking heeft om een afzonderlijke afdeling binnen Intratuin gaat waarin sprake is van assortimentsverbreding als bedoeld in de detailhandelsstructuurvisie.

2.7.3. De plantoelichting vermeldt met betrekking tot het Aan de Dis-concept dat BRO onderzoek heeft verricht naar de distributieplanologische mogelijkheden in de branche huishoudelijke artikelen in Barneveld en naar de effecten op de detailhandelsstructuur van het in de Barneveldse Intratuin-vestiging aanwezige aanbod aan huishoudelijke artikelen. In het dpo-rapport staat dat de kans dat een of meer van de bestaande Barneveldse huishoudelijke artikelenzaken zullen verdwijnen door de aanwezigheid van het Aan de Dis-concept in Intratuin zeer klein wordt geacht. Ook indien een van de aanwezige huishoudelijke artikelenzaken zou verdwijnen onder druk van de marktomstandigheden, dan kan volgens het dpo-rapport nog niet van een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau gesproken worden. Er blijven dan immers nog diverse zaken in Barneveld over die hetzelfde assortiment voeren. De conclusie uit het dpo-rapport is dat de aanwezigheid van het Aan de Dis-concept op zichzelf niet zal resulteren in een duurzame ontwrichting van de voorzieningenstructuur en dat deze daarmee ook geen afbreuk zal doen aan de aantrekkingskracht van het centrum.

Voor zover Blokker Holding en anderen betogen dat de effecten van de in het plan toegestane detailhandel op de bestaande voorzieningenstructuur niet zijn onderbouwd, mist dit, voor wat betreft het Aan de Dis-concept, feitelijke grondslag.

In het door Blokker Holding en anderen ingebrachte rapport van Locatus van 7 november 2005 staat dat in Barneveld reeds sprake is van een overaanbod in de sector huishoudelijke artikelen en dat duurzame ontwrichting in deze branche aannemelijk is, nu door het overaanbod geen ruimte is voor branchevreemde aanbieders.

De Afdeling overweegt dat niet valt uit te sluiten dat overaanbod in de huishoudelijke artikelenbranche ontstaat. Enige omzetdaling en overaanbod in een branche brengen evenwel als zodanig geen duurzame ontwrichting van de voorzieningenstructuur met zich. Nu de conclusie, dat duurzame ontwrichting aannemelijk is, in het rapport van Locatus enkel is gebaseerd op overaanbod in de sector huishoudelijke artikelen, acht de Afdeling geen grond aanwezig voor het oordeel dat dit rapport voldoende basis biedt om van duurzame ontwrichting te kunnen spreken.

2.7.4. Gezien het vorenstaande wordt in hetgeen Blokker Holding en anderen hebben aangevoerd geen grond gevonden voor het oordeel dat het college heeft miskend dat de detailhandel in het in artikel 3.1.1. sub b van de planvoorschriften bedoelde aanvullend assortiment zal leiden tot een duurzame ontwrichting van de voorzieningenstructuur.

2.8. Blokker Holding en anderen voeren aan dat in het bestreden besluit niet is ingegaan op hun bezwaar dat enkel aandacht wordt besteed aan de ontwikkelingen in de tuincentrabranche en niet aan de positie van de retailers in de directe nabijheid, die onder het geldende beleid juist beschermd zouden moeten worden.

2.8.1. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, staan het provinciale en gemeentelijke beleid niet op voorhand in de weg aan detailhandel in een breder assortiment op perifere locaties en is aan de in dit beleid genoemde voorwaarden voor een dergelijk assortiment naar het oordeel van de Afdeling voldaan. Uit de verwijzing naar dit beleid en het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde distributieplanologisch onderzoek blijkt dat de belangen van Blokker Holding en anderen, anders dan gesteld, zijn meegewogen bij de besluitvorming. Bovendien is met de onthouding van goedkeuring aan artikel 3.1.1 sub c onder 1 en artikel 3.3.1 sub a en b van de planvoorschriften reeds een beperking aangebracht in het toegestane assortiment van overige detailhandel. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college meer gewicht had moeten toekennen aan de belangen van Blokker Holding en anderen dan het heeft gedaan.

2.9. Blokker Holding en anderen voeren aan dat in het bestreden besluit niet is gemotiveerd waarom de mogelijkheid om buiten het kernwinkelgebied een detailhandelsassortiment in huishoudelijke artikelen te voeren wel open staat voor Intratuin en niet voor andere winkels. Gelet op de uitstekende bereikbaarheid, veel en gratis parkeergelegenheid en lage huisvestingslasten, is volgens Blokker Holding en anderen sprake van rechtsongelijkheid.

2.9.1. Ten aanzien van de door Blokker Holding en anderen gemaakte vergelijking tussen de verkoop van huishoudelijke artikelen door Intratuin op een locatie in de periferie enerzijds en door winkels in het kernwinkelgebied anderzijds, wordt overwogen dat het college zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie, omdat assortimentsverbreding met huishoudelijke artikelen binnen een perifere detailhandelsvestiging niet gelijk te stellen is met het assortiment van winkels zoals Blokker en Marskramer in het kernwinkelgebied. In hetgeen Blokker Holding en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door Blokker Holding en anderen genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

2.10. Blokker Holding en anderen stellen dat ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de effecten van het plan op de verkeersaantrekkende werking en de luchtkwaliteit. Weliswaar is het tuincentrum gerealiseerd met een in het verleden verleende vrijstelling, doch deze had geen betrekking op de in het plan voorziene uitbreiding met 440 m² voor detailhandel die niet gerelateerd is aan het tuincentrum. Met deze uitbreiding is een verslechtering van de luchtkwaliteit aannemelijk, aldus Blokker Holding en anderen.

2.10.1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Besluit luchtkwaliteit 2005 nemen bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden dan wel bij toepassing van wettelijke voorschriften die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de in paragraaf 2 genoemde grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes, lood, koolmonoxide en benzeen in acht.

Ingevolge het tweede lid, voor zover van belang, worden onder de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden in ieder geval begrepen de vaststelling en goedkeuring van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 7, derde lid, sub a, kunnen bestuursorganen de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, in afwijking van dat lid mede uitoefenen indien de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft.

2.10.2. Voor de Intratuinvestiging is op 26 juli 2001 een vrijstelling en een bouwvergunning verleend. In de plantoelichting staat dat het plan de bestaande situatie vastlegt en dat de verkeers- en parkeersituatie hiermee niet worden gewijzigd. Vanuit deze optiek is verder onderzoek naar de luchtkwaliteit volgens de toelichting niet aan de orde.

2.10.3. Het plan strekt er grotendeels toe de geldende planologische regeling in overeenstemming te brengen met de onherroepelijke vrijstelling voor de bestaande Intratuinvestiging. Deze vrijstelling voorzag niet in detailhandel in aanvullend assortiment I tot een verkoopvloeroppervlak van maximaal 440 m2 . Het college heeft zich evenwel terecht op het standpunt gesteld dat redelijkerwijs op voorhand uitgesloten moet worden geacht dat ten opzichte van de detailhandel die met de verleende vrijstelling was toegestaan een verslechtering van de luchtkwaliteit zal optreden. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat, anders dan Blokker Holding en anderen stellen, het totale verkoopvloeroppervlak voor detailhandel waarvoor de vrijstelling is verleend in het plan gelijk is gebleven en dat uit oogpunt van verkeersaantrekkende werking geen wezenlijk verschil bestaat tussen de in het plan toegestane detailhandel in aanvullend assortiment I in een deel van het tuincentrum en de detailhandel in tuinartikelen waarvoor vrijstelling is verleend. Voorts betrekt de Afdeling hierbij dat Intratuin en anderen ter zitting hebben toegelicht dat een onderzoek heeft plaatsgevonden aan de hand van kassabonnen, waaruit blijkt dat twee procent van de klanten, waarvan naar gesteld een deel per fiets komt, uitsluitend artikelen van het Aan de Dis-concept heeft gekocht. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat kon worden afgezien van een onderzoek naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit.

2.11. De conclusie is dat hetgeen Blokker Holding en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat artikel 3.1.1 sub b van de planvoorschriften niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is voor het overige ongegrond.

2.12. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 6 november 2007, kenmerk 2007-008203, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan artikel 3.1.1. sub d en artikel 3.3.2 van de planvoorschriften;

III. onthoudt goedkeuring aan artikel 3.1.1 sub d en artikel 3.3.2. van de planvoorschriften;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 6 november 2007;

V. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij Blokker Holding B.V., Blokker B.V. en Marskramer B.V. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Gelderland aan Blokker Holding B.V., Blokker B.V. en Marskramer B.V. onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VII. gelast dat de provincie Gelderland aan Blokker Holding B.V., Blokker B.V. en Marskramer B.V. het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, voorzitter, en mr. W. van den Brink en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Oosting w.g. Boermans

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2008

429-586.