Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BG5893

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2008
Datum publicatie
03-12-2008
Zaaknummer
200802367/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 26 februari 2005 en 24 augustus 2005 heeft de staatssecretaris van Justitie, voorheen de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna aan te duiden als de staatssecretaris), een verzoek van [wederpartij] om vergoeding van schade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2009, 65 met annotatie van T. Barkhuysen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200802367/1.

Datum uitspraak: 3 december 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/42074 van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 4 maart 2008 in het geding tussen:

[wederpartij] e/v [echtgenoot], mede namens haar twee minderjarige kinderen en haar twee pleegdochters [naam 1] en [naam 2]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 26 februari 2005 en 24 augustus 2005 heeft de staatssecretaris van Justitie, voorheen de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna aan te duiden als de staatssecretaris), een verzoek van [wederpartij] om vergoeding van schade afgewezen.

Bij besluit van 3 augustus 2006 heeft de staatssecretaris de door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 maart 2008, verzonden op 5 maart 2008, heeft de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 3 augustus 2006 vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) nieuwe besluiten op de bezwaren neemt. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 april 2008, hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] hebben een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 oktober 2008, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. A. van Blankenstein, advocaat te Den Haag, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. N.J.A. Hennipman-Karelse, advocaat te Utrecht, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 16 november 2001 is Atakilti in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Op 23 oktober 2002 heeft [wederpartij], mede namens haar minderjarige kinderen, een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

Bij besluit van 1 juni 2004 zijn deze aanvragen ingewilligd.

Op 28 augustus 2003 hebben de pleegdochters van [wederpartij] een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

Bij besluit van 1 juni 2004 is deze aanvraag ingewilligd.

2.2. [wederpartijen] hebben, voor zover thans van belang, de staatssecretaris verzocht de schade te vergoeden die zij hebben geleden, omdat hij niet conform de wettelijke termijn binnen zes maanden heeft beslist op de aanvragen om verblijfsvergunningen, maar dit eerst op 1 juni 2004 heeft gedaan. Als gevolg van het niet tijdig verlenen van de verblijfsvergunningen hebben zij inkomen, in de vorm van een bijstanduitkering voor het gezin, gemist en hebben zij kosten moeten maken voor de aanschaf van studieboeken.

2.3. Bij besluit van 3 augustus 2006 heeft de staatssecretaris het verzoek om vergoeding van schade afgewezen, omdat de regels uit de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) op grond waarvan [wederpartijen] recht hadden op een tijdige verlening van verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd, in beginsel tot doel hebben bescherming te bieden tegen schendingen door autoriteiten in het land van herkomst en er niet toe strekken haar vermogensrechtelijke positie te beschermen door haar toegang te verschaffen tot voorzieningen die bestemd zijn voor Nederlanders of vreemdelingen met een verblijfsvergunning.

2.4. De rechtbank heeft het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard. Daartoe heeft zij, voor zover thans van belang, overwogen dat de geschonden norm, het niet beslissen binnen de wettelijke termijn van zes maanden op de aanvragen van [wederpartij], ertoe strekt de vermogensrechtelijke positie van [wederpartij] te beschermen. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 4:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en van artikel 42 van de Vw 2000, waaruit blijkt dat niet beoogd is af te wijken van artikel 4:13, eerste lid, van de Awb, leidt de rechtbank af dat de wettelijke beslistermijn mede strekt tot bescherming van de vermogensrechtelijke belangen van asielvragers in verband met schade geleden door een te late beslissing. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in dit geval vaststaat dat de beslissingen die binnen de termijn genomen hadden moeten worden, ook positief voor de aanvragers zouden zijn uitgevallen.

Daaraan doet het arrest van de Hoge Raad van 13 april 2007 in zaak nr. C06/081HR (JV 2007/322) volgens de rechtbank niet af, omdat in dat geval na een bezwaar- en beroepsprocedure vast was komen te staan dat de staatssecretaris een materiële norm had geschonden. In het onderhavige geval heeft de staatssecretaris wel juiste beslissingen genomen, maar heeft dat niet tijdig gedaan en daarmee een formele rechtsregel geschonden die voorschrijft dat beslissingen binnen een bepaalde tijd moeten worden genomen, aldus de rechtbank.

2.5. De staatssecretaris betoogt dat de rechtbank aldus heeft miskend dat het verzoek om schadevergoeding terecht is afgewezen omdat niet is voldaan aan het in artikel 6:163 van het Burgerlijk Wetboek (BW) neergelegde relativiteitsvereiste.

2.6. Dat betoog slaagt.

In de uitspraak van 20 juni 2007 in zaak nr. 200608917/1 (JV 2007/348) heeft de Afdeling in een procedure tot verlening van een verblijfsvergunning overwogen dat de regels uit de Vw 2000 op grond waarvan recht op een vergunning tot verblijf bestond, die uiteindelijk ook is verleend, tot doel hebben een recht op bestendig verblijf in Nederland te verlenen en niet strekken tot bescherming van vermogensrechtelijke belangen. De Afdeling heeft voorts overwogen dat als de Staat in het kader van de procedure tot toelating een voor die procedure geldende regel heeft geschonden, de aanvrager toegang tot de rechter heeft om deze schending te doen herstellen. Deze schending geeft in beginsel echter geen recht op vergoeding van vermogensrechtelijke schade. De Afdeling heeft te dezen het arrest van de Hoge Raad van 13 april 2007, nr. C06/081HR (JV 2007/322) gevolgd.

In het onderhavige geval gaat het om schending van de wettelijke beslistermijn in de Vw 2000. Van belang is dat in dit geval de plicht om binnen de daartoe gestelde wettelijke termijn een beslissing op de aanvraag te nemen, niet los kan worden gezien van de aard van het besluit. Het tijdig nemen van een inwilligende beslissing op de aanvraag stelt [wederpartij] weliswaar in staat in Nederland eerder een bestaan op te bouwen door inkomen uit uitkering te verwerven en om voor andere voorzieningen, zoals de vergoeding van studieboeken, in aanmerking te komen, maar dit betekent niet dat het nemen van een tijdige en juiste beslissing omtrent het recht op verblijf in Nederland strekt tot bescherming van hun vermogensrechtelijke belangen.

De rechtbank heeft derhalve miskend dat het relativiteitsvereiste aan vergoeding van vermogensschade, zoals door [wederpartij] verzocht, in de weg staat.

2.7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 3 augustus 2006 van de staatssecretaris alsnog ongegrond verklaren.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 4 maart 2008 in zaak nr. 06/42074;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. O. de Savornin Lohman en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Planken

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2008

299.