Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BG5890

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2008
Datum publicatie
03-12-2008
Zaaknummer
200801488/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 september 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren (hierna: het college) [wederpartij], gelast binnen drie weken na het van kracht worden van dit besluit een einde te maken aan overtreding van artikel 27, eerste lid, van de voorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Het Wijde Blik 2004" - te weten dat op het perceel [locatie], te [plaats] (hierna: het perceel) in strijd met de daaraan gegeven bestemming (steiger)pontons worden opgeslagen - onder oplegging van een dwangsom van € 7000,00 (zegge: zevenduizend euro) per week, tot een maximum van € 70000,00 (zegge: zeventigduizend euro).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200801488/1.

Datum uitspraak: 3 december 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/883 van de rechtbank Amsterdam van 8 februari 2008 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 september 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren (hierna: het college) [wederpartij], gelast binnen drie weken na het van kracht worden van dit besluit een einde te maken aan overtreding van artikel 27, eerste lid, van de voorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Het Wijde Blik 2004" - te weten dat op het perceel [locatie], te [plaats] (hierna: het perceel) in strijd met de daaraan gegeven bestemming (steiger)pontons worden opgeslagen - onder oplegging van een dwangsom van € 7000,00 (zegge: zevenduizend euro) per week, tot een maximum van € 70000,00 (zegge: zeventigduizend euro).

Bij besluit van 17 januari 2007 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 februari 2008, verzonden op 12 februari 2008, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 17 januari 2007 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 februari 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 26 maart 2008.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 november 2008, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M.P. Boot, ambtenaar in dienst van de gemeente, en [wederpartij], bijgestaan door mr. J.P. Bol, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het college komt uitsluitend op tegen het oordeel van de rechtbank dat het in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) de hoogte van de dwangsom onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd.

2.2. Anders dan het college ter zitting heeft betoogd, is de rechtbank niet in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb buiten de omvang van het geding getreden. Op zichzelf is juist dat [wederpartij] in zijn beroepschrift, anders dan in zijn bezwaarschrift, niet met zoveel woorden de hoogte van de dwangsom heeft bestreden. Nu hij echter in zijn beroepschrift heeft aangevoerd dat het college niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid handhavend op te treden en hij daarin voorts heeft vermeld dat hetgeen hij in eerdere procedures heeft aangevoerd als herhaald en ingelast moet worden beschouwd, brengt een redelijke uitleg met zich dat [wederpartij] de hoogte van de dwangsom in beroep mede aan de orde heeft willen stellen.

2.3. Ingevolge artikel 5:32, vierde lid, van de Awb - voorzover thans van belang - stelt het bestuursorgaan de dwangsom vast per overtreding van de last. Het bestuursorgaan stelt tevens een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd. Het vastgestelde bedrag staat in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.

2.4. Het college betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de hoogte van een dwangsom slechts terughoudend mag worden getoetst. Voorts stelt het college dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de hoogte van de dwangsom onvoldoende is gemotiveerd, nu uit het besluit van 28 september 2006 blijkt dat het als dwangsom vastgestelde bedrag overeenstemt met de zwaarte van het geschonden belang.

2.4.1. Het betoog faalt. In het besluit van 28 september 2006 wordt verwezen naar door het college ontvangen verzoeken tot handhaving. Ook wordt er in dit besluit op gewezen dat als gevolg van de overtreding natuurwaarden worden geschonden.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het besluit op bezwaar niet berust op een deugdelijke motivering. Het college heeft in zijn besluit van 28 september 2006 slechts in algemene bewoordingen gesteld dat de hoogte van de dwangsom in overeenstemming is met artikel 5:32, vierde lid, van de Awb. Nu [wederpartij] dit in zijn bezwaarschrift gemotiveerd had bestreden, had het college in de beslissing op bezwaar niet mogen volstaan met de stelling dat [wederpartij] geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de opgelegde dwangsom onevenredig hoog is en dat deze feiten of omstandigheden evenmin op andere wijze zijn gebleken.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.6. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt het college tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Wijdemeren aan [wederpartij], onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III. verstaat dat de secretaris van de Raad van State van het college griffierecht ten bedrage van € 412,00 (zegge: vierhonderdtwaalf euro) heft;

Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Mouton w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2008

17-593.