Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BG5886

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2008
Datum publicatie
03-12-2008
Zaaknummer
200803761/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 april 2008, nr. 1327962, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Deurne (hierna: de raad) bij besluit van 28 augustus 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Kom Helenaveen, 1e herziening".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803761/1.

Datum uitspraak: 3 december 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats], waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], wonend te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 april 2008, nr. 1327962, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Deurne (hierna: de raad) bij besluit van 28 augustus 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Kom Helenaveen, 1e herziening".

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, per faxbericht bij de Raad van State ingekomen op 23 mei 2008, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 20 juni 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 november 2008, waar [appellante], vertegenwoordigd door [maat A] en mr. D.M.E.F.L. van Hoof-Pijnenburg, werkzaam bij JBD Advies, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.J.J.M. Danen, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de raad, vertegenwoordigd door H. Moors, ambtenaar in dienst van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan betreft een samenvoeging en actualisering van de bestemmingsplannen voor de bebouwde kom van Helenaveen. Aan het perceel van het glastuinbouwbedrijf van [appellante] aan de Aardbeiweg, dat grenst aan het perceel [locatie], is de bestemming "Agrarisch gebied, kassen toegestaan (Agk)" toegekend. Binnen deze bestemming zijn geen nieuwe bedrijfswoningen toegelaten.

Volgens de raad had het perceel [locatie] op grond van het vorige bestemmingsplan geen agrarische bestemming meer, zodat de woning op dat perceel niet meer als bedrijfswoning kan worden aangemerkt. Hierbij verwijst de raad naar de uitspraak van de Afdeling van 25 juli 2001 in zaak nr. 200003351/1, Gst. 2001, no. 7152/6. Omdat binnen de bestemming "Agrarische doeleinden B" in het vorige plan echter niet een bedrijfswoning was toegelaten, is bij de vaststelling van het voorliggende plan de bepaling opgenomen dat binnen de bestemming "Agrarisch gebied, kassen toegestaan (Agk)" geen nieuwe bedrijfswoningen zijn toegestaan.

2.3. Het college acht het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied, kassen toegestaan (Agk)" betreffende het perceel van [appellante] aan de Aardbeiweg niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening en heeft daaraan goedkeuring verleend. Volgens het college volgt uit de plankaart en kaart 1 bij het vorige plan dat de woning [locatie] daarin als bedrijfswoning is bestemd. Een bedrijfswoning op het afgesplitste perceel aan de Aardbeiweg zou derhalve als een tweede bedrijfswoning moeten worden aangemerkt. Het college stelt dat de bedrijfsmatige noodzaak daartoe niet is aangetoond.

2.4. [appellante] stelt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied, kassen toegestaan (Agk)" betreffende haar perceel aan de Aardbeiweg, voor zover daarmee de bouw van een nieuwe bedrijfswoning ter plaatse niet is toegelaten. Volgens haar heeft het college zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de woning op het aangrenzende perceel [locatie] moet worden aangemerkt als de bedrijfswoning bij haar agrarische bedrijf en dat de gewenste bedrijfswoning mitsdien de realisering van een tweede bedrijfswoning zou betekenen. Daartoe voert [appellante] aan dat die woning in het vorige plan met de bestemming "Buitenlint" is aangemerkt als burgerwoning en derhalve planologisch is onttrokken aan de agrarische bestemming. Gelet hierop kan de woning [locatie] niet meer worden toegerekend aan haar bedrijf, aldus [appellante]. Hierbij wijst zij op de voornoemde uitspraak van de Afdeling van 25 juli 2001.

2.5. In het bestemmingsplan "Helenaveen", dat het college bij besluit van 30 juli 1997 gedeeltelijk heeft goedgekeurd, was aan de gronden van het perceel [locatie] de bestemming "Buitenlint" toegekend. Voorts was aan het achterliggende perceel de bestemming "Agrarische doeleinden B" toegekend. Op kaart 1 (bestaande toestand) zijn de percelen tezamen aangegeven als "Agrarisch bedrijf met kassen (Ak)".

Ingevolge artikel 15.1, aanhef en onder b en d, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, waren de op de plankaart voor "Buitenlint" aangewezen gronden bestemd voor woondoeleinden, voor zover het betreft bestaande woningen, en grondgebonden agrarische doeleinden en voor zover op kaart 1 aangeduid als "Agrarisch bedrijf met kassen (Ak)" tevens voor glastuinbouw.

Ingevolge artikel 15.2.1, aanhef en onder h, voor zover hier van belang, gold voor agrarische bedrijven dat de hoofdgebouwen van bestaande agrarische bedrijven alleen binnen deze bestemming ("Buitenlint") gebouwd mochten worden en dat in deze bestemming tevens overige gebouwen waren toegestaan die ten dienste staan aan de agrarische bedrijven, zoals kassen.

Ingevolge artikel 19.1, aanhef en onder a, voor zover hier van belang, waren de op de plankaart voor "Agrarische doeleinden B" aangewezen gronden bestemd voor agrarische doeleinden, met dien verstande dat in het tot "Agrarische doeleinden B" bestemde gebied geen nieuwvestiging, maar wel uitbreiding ten behoeve van bestaande agrarische bedrijven, met uitzondering van de hoofdgebouwen, was toegestaan.

Ingevolge artikel 19.2.1, aanhef en onder b, mochten in het gebied "Agrarische doeleinden B" tevens kassen worden gebouwd als uitbreiding van een bestaand bedrijf.

2.6. In de toelichting op de voorschriften bij de bestemming "Buitenlint" is opgenomen dat in de buitenlinten als beleid de consolidatie van de bestaande bebouwing en activiteiten geldt. Ten aanzien van agrarische bedrijven is in de toelichting als uitgangspunt geformuleerd dat de hoofdgebouwen van de bedrijven geconcentreerd worden in de linten en dat bestaande agrarische bedrijven uitbreidingsmogelijkheden hebben binnen onder meer de bestemming "Agrarische doeleinden B".

2.7. Ingevolge artikel 15.1, aanhef en onder b en d, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Helenaveen", bezien in samenhang met kaart 1, waren de gronden van het perceel [locatie] met de bestemming "Buitenlint" bestemd voor woondoeleinden, voor zover het betreft bestaande woningen, grondgebonden agrarische doeleinden en glastuinbouw, in samenhang met het aangrenzende perceel aan de Aardbeiweg met de bestemming "Agrarische doeleinden B", alwaar ingevolge artikel 19.1, aanhef en onder a, en artikel 19.2.1, aanhef en onder b, het bestaande agrarische bedrijf onder meer met kassen mocht worden uitgebreid. Binnen de bestemming "Buitenlint" was het gebruik als burgerwoning in beginsel niet uitgesloten. Daaruit volgt echter niet dat de woning [locatie] planologisch is onttrokken aan de bestemming "Agrarische doeleinden B". Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het perceel [locatie] en het aangrenzende perceel aan de Aardbeiweg tezamen op kaart 1 betreffende de bestaande toestand waren aangegeven als "Agrarisch bedrijf met kassen (Ak)" en dat het beleid voor de bestemming "Buitenlint" blijkens de plantoelichting was gericht op consolidatie van de bestaande bebouwing en de bestaande activiteiten. Van een vorenbedoelde planologische onttrekking zou derhalve eerst sprake zijn geweest indien de woning blijkens kaart 1 niet werd gebruikt ten behoeve van het agrarische bedrijf. Deze situatie doet zich niet voor. Het college heeft zich derhalve op goede gronden op het standpunt gesteld dat de bouw van een bedrijfswoning op het afgesplitste perceel aan de Aardbeiweg zou moeten worden aangemerkt als een tweede bedrijfswoning. [appellante] heeft niet bestreden dat de bedrijfsmatige noodzaak daartoe niet is aangetoond. Het betoog faalt derhalve.

2.8. De conclusie is dat hetgeen [appellante] heeft aangevoerd, geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied, kassen toegestaan (Agk)" betreffende het perceel van [appellante] aan de Aardbeiweg niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.M. van der Heijden, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Van der Heijden

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2008

516.