Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BG4089

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-11-2008
Datum publicatie
12-11-2008
Zaaknummer
200800896/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2007:BC1351, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 december 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dongen (hierna: het college) aan Wilstra Vastgoed B.V. (hierna: Wilstra Vastgoed) vrijstelling verleend voor het bouwen van twaalf vrijstaande woningen aan de Haanse Hoef te Dongen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200800896/1.

Datum uitspraak: 12 november 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Dongen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 21 december 2007 in zaken nrs. 06/3634 en 06/3635 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

het college van burgemeester en wethouders van Dongen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 december 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dongen (hierna: het college) aan Wilstra Vastgoed B.V. (hierna: Wilstra Vastgoed) vrijstelling verleend voor het bouwen van twaalf vrijstaande woningen aan de Haanse Hoef te Dongen.

Bij afzonderlijke besluiten van 9 december 2005 heeft het college aan Wilstra Vastgoed bouwvergunning verleend voor het bouwen van een woning op de percelen Haanse Hoef 1 en 1a te Dongen (hierna: de percelen).

Bij afzonderlijke besluiten van 9 juni 2006 heeft het college de door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 december 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, de door [wederpartij] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, de besluiten van 9 juni 2006 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op de gemaakte bezwaren met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 januari 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 28 februari 2008.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 september 2008, waar het college, vertegenwoordigd door mr. A. van der Aa en J.H. Rijken-de Haan, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, en ir. C.A. Louws en mr. drs. M.C. Lammers, beiden werkzaam bij het adviesbureau voor Ruimtelijke Beleid, Ontwikkeling en Inrichting (hierna: het RBOI), en [wederpartij] zijn verschenen. Voorts is ter zitting Wilstra Vastgoed, vertegenwoordigd door mr. drs. B.F.J. Bollen , advocaat te Tilburg, en [belanghebbenden], als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. De bouwplannen zijn in strijd met het bestemmingsplan "Dongen Buitengebied". Om realisering ervan mogelijk te maken, heeft het college krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling verleend.

2.2. Gelet op artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet is het vrijstellingsbesluit van 6 december 2005 in deze procedure uitsluitend aan de orde voor zover het ziet op de op de percelen beoogde woningen.

2.3. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van de op 12 juli 2005 door gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: gedeputeerde staten) verleende verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO.

2.3.1. Aan haar oordeel heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat die verklaring berust op een eerdere versie van het rapport "wilstra vastgoed bv; uitbreiding haanse hoef; ruimtelijke onderbouwing ex artikel 19 lid 1 wro", waarin gegevens over geluidhinder en luchtkwaliteit ontbraken, dat er nog onderzoek naar de flora en fauna uitgevoerd moest worden en dat paragraaf 4.4.3 ontbrak, zodat de aanwezigheid van een uitsnijderij aan de Haanse Hoef 3 mogelijk niet bekend was bij gedeputeerde staten. In de overgelegde, door gedeputeerde staten gewaarmerkte versie van voornoemd rapport, gedateerd op 10 januari 2004, komen de door de rechtbank geschetste tekortkomingen echter niet voor, en in hun brief van 18 februari 2008 bevestigen gedeputeerde staten dat zij over alle relevante informatie beschikten. Daarom acht de Afdeling het niet aannemelijk dat gedeputeerde staten een onjuist dan wel onvolledig beeld hadden van het project. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de datum van 10 januari 2004 moet worden gelezen als 10 januari 2005. Voorts is van belang dat uit de verklaring van geen bezwaar, anders dan de rechtbank heeft overwogen, uitdrukkelijk naar voren komt dat gedeputeerde staten hebben onderkend dat ter plaatse slechts negen van de in totaal twaalf woningen worden opgericht in het kader van de regeling "Ruimte voor Ruimte".

Dat na het afgeven van de verklaring van geen bezwaar nog nadere onderzoeken zijn uitgevoerd en verwerkt in het rapport "wilstra vastgoed bv; uitbreiding haanse hoef; ruimtelijke onderbouwing ex artikel 19 lid 1 wro" van 5 december 2005 (hierna: het rapport), leidt niet tot een ander oordeel, nu uit deze onderzoeken geen relevante nieuwe gezichtspunten naar voren zijn gekomen en de woningen zelf geen wijzigingen hebben ondergaan. Derhalve bestaat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, geen grond voor de conclusie dat het college in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van die verklaring.

Het betoog slaagt.

2.4. Het college betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de ruimtelijke onderbouwing aan een motiveringsgebrek lijdt. Volgens het college heeft de rechtbank miskend dat de motivering voor de planologische aanvaardbaarheid van het project deugdelijk is.

2.4.1. De ruimtelijke onderbouwing van het project wordt onder meer gevormd door het rapport en de "Beantwoording bezwaarschriften vrijstellingsbesluit en bouwvergunningen" van 9 juni 2006 (hierna: de beantwoording van de bezwaarschriften). Daarin wordt ondermeer uiteengezet dat de betrokken woningen aangrenzend aan een bestaande woonwijk worden gebouwd, dat ze passen in de ruimtelijke structuur van de gemeente Dongen en goed kunnen worden ingepast in de omgeving. Vermeld wordt voorts dat het betrokken gebied is aangemerkt als "stedelijk gebied, legenda-eenheid beheer en intensivering" in het naar aanleiding van het streekplan "Brabant in Balans" van 2002 opgestelde "Uitwerkingsplan voor de Stedelijke regio Breda-Tilburg" (hierna: het uitwerkingsplan), dat op 21 december 2004 door gedeputeerde staten is vastgesteld. Verder wordt erop gewezen dat het realiseren van de woningen niet in strijd is met de "Structuurvisie Plus" en het "Groenstructuurplan".

2.4.2. Gelet op die motivering, heeft het college de planologische aanvaardbaarheid van het project voldoende onderbouwd. Dat het betrokken gebied in de "Structuurvisie Plus" wordt aangewezen als zone voor de ontwikkeling van landgoederen, leidt niet tot een ander oordeel. Het college heeft gemotiveerd uiteengezet dat de bouw van de woningen niet in de weg staat aan de ontwikkeling van landgoederen, en voorts dat de percelen in de naar aanleiding van de "Structuurvisie Plus" opgestelde lijst van inbreidings- en herstructureringslocaties al uitdrukkelijk als bouwlocatie zijn aangewezen, zij het ten behoeve van een woning. Voorts heeft het college deugdelijk gemotiveerd dat de bouwplannen geen afbreuk doen aan de in het "Groenstructuurplan" neergelegde uitgangspunten, nu zal worden voorzien in groenzones ten oosten en zuiden van de woningen. Het heeft eveneens afdoende gemotiveerd dat strijd met provinciaal beleid zich niet voordoet, gelet op de in het uitwerkingsplan aan de percelen gegeven bestemming. In dat verband heeft het college er terecht op gewezen dat de in het uitwerkingsplan opgenomen ecologische verbindingszone niet in de directe nabijheid van de woningen ligt. Verder valt niet in te zien dat het college gehouden was nader te onderzoeken of er een objectieve behoefte bestaat aan woningen in de desbetreffende prijsklasse, naar in beroep is aangevoerd. Wat [wederpartij] over de regeling "Ruimte voor Ruimte" naar voren heeft gebracht, heeft geen betrekking op deze woningen en is in deze procedure derhalve niet aan de orde.

Het betoog slaagt.

2.5. Het college betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het de bevindingen van de ecoloog die in het kader van de Flora- en Faunawet onderzoek heeft gedaan naar de ter plaatse aanwezige natuurwaarden, ten onrechte niet nader heeft gecontroleerd naar aanleiding van de daartegen door [wederpartij] aangevoerde bezwaren.

2.5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 juni 2008 in zaak nr. 200706699/1), komt de vraag of voor de uitvoering van een project een ontheffing of vrijstelling nodig is op grond van de Flora- en faunawet, en zo ja, of deze ontheffing of vrijstelling kan worden verleend, aan de orde in een eventueel te voeren procedure op grond van de Flora- en faunawet. Voorts volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 26 september 2007 in zaak nr. 200700052/1 dat de vraag of nader onderzoek naar het effect van de te realiseren woningen op flora en fauna dient te worden verricht, primair in het kader van die procedure moet worden beoordeeld. Slechts indien op voorhand twijfel bestaat of een zodanige vrijstelling of ontheffing kan worden verleend, is er aanleiding een vrijstelling in het kader van artikel 19 van de WRO te weigeren.

2.5.2. In het rapport wordt vermeld dat op 27 augustus 2003 een locatiebezoek heeft plaatsgevonden door een ecoloog. Daaruit is onder meer naar voren gekomen dat in het plangebied geen vaatplanten voorkomen die ingevolge de Flora- en Faunawet zijn beschermd, dat broedvogelsoorten voorkomen die zijn gebonden aan beplanting, dat er ter plaatse mollen en muizen voorkomen, dat de bebouwing niet geschikt lijkt als verblijfplaats voor vleermuizen, dat naar verwachting de gewone pad voorkomt en dat het gebied voor andere soorten amfibieƫn of reptielen ongeschikt is. Op basis hiervan wordt in het rapport geconcludeerd dat een ontheffing krachtens de Flora- en Faunawet niet noodzakelijk is. In aanvulling hierop is het college in de beantwoording van de bezwaarschriften uitgebreid en gemotiveerd ingegaan op de kritiekpunten die [wederpartij] tegen het door de ecoloog uitgevoerde onderzoek naar voren heeft gebracht. Het college mocht daarmee, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, volstaan, nu zich blijkens het door de ecoloog uitgevoerde onderzoek, waarvan de resultaten worden bevestigd in de door het Ecologisch Adviesbureau Cools uitgevoerde "Quick scan beschermde natuurwaarden in het plangebied Haanse Hoef te Dongen" van mei 2008, niet de situatie voordoet dat op voorhand twijfel bestaat of een ontheffing of vrijstelling op grond van de Flora- en Faunawet kan worden verleend, mocht die nodig zijn. Het college heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat die wet niet aan het verlenen van vrijstelling krachtens artikel 19, eerste lid, van de WRO in de weg staat.

Het betoog slaagt.

2.6. Het college betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het onderzoek naar de luchtkwaliteit niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen.

2.6.1. Het college heeft verschillende onderzoeken laten verrichten naar de luchtkwaliteit. Daarbij heeft het gebruik gemaakt van het rekenmodel CAR II, versies 4.0 en 5.0. Voor zover de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd dat in die onderzoeken voor de vaststelling van de achtergrondwaarden ten onrechte gebruik is gemaakt van de Generieke Concentraties Nederland, welke waarden zijn aangeleverd door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (hierna: het RIVM), en het college deze ten onrechte niet zelf heeft gemeten, slaagt het betoog. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 2 juli 2008 in zaak nr. 200706308/1; www.raadvanstate.nl), is het gebruik van deze waarden als de standaard voor achtergrondconcentraties algemeen aanvaard. Dat de gehanteerde waarden in CAR II, versie 4.0 niet hetzelfde zijn als in versie 5.0, zoals de rechtbank heeft opgemerkt, hangt samen met de actualisering van die waarden door het RIVM.

Voorts betoogt het college terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de meetresultaten van de door het RBOI uitgevoerde onderzoeken afgeronde cijfers bevatten en dat dit te onnauwkeurig is om inzicht te kunnen geven in de gevolgen van het project voor de luchtkwaliteit. Uit het met CAR II, versie 5.0 uitgevoerde onderzoek kan worden afgeleid dat ook indien alle meetresultaten naar boven worden afgerond, de concentraties van verontreinigende stoffen na realisering van het project in zeer ruime mate onder de in het Besluit luchtkwaliteit 2005 neergelegde grenswaarden liggen, hetgeen wordt bevestigd in het door het RBOI met CAR II, versie 7.0.1 uitgevoerde aanvullende luchtkwaliteitsonderzoek van 10 juni 2008. De omstandigheid dat de meetresultaten afgeronde cijfers bevatten, is derhalve in dit geval niet van betekenis.

Ook overigens bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het onderzoek naar de luchtkwaliteit niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Dat in het latere onderzoek naar de luchtkwaliteit een verkeersintensiteit wordt gehanteerd die aanzienlijk lager is dan die waarvan het college eerder uitging, leidt niet tot een ander oordeel. Het college heeft voldoende gemotiveerd uiteengezet dat in eerste instantie niet precies duidelijk was welke ontwikkelingen ter plaatse zouden mogen worden verwacht. Daarom heeft het de verkeersintensiteit beoordeeld aan de hand van verschillende scenario's en van de aldus verkregen resultaten het gemiddelde genomen. Ten tijde van het uitvoeren van de latere onderzoeken bestond meer duidelijkheid over de toekomstige ontwikkelingen en heeft het gerichter de gevolgen daarvan in kaart kunnen brengen, hetgeen heeft geleid tot de lagere verkeersintensiteit. Niet aannemelijk is gemaakt dat de gehanteerde intensiteit een onjuist beeld geeft van de werkelijkheid.

Het betoog slaagt.

2.7. Wat het oordeel van de rechtbank betreft dat bij de aanvraag om het vaststellen van hogere geluidgrenswaarden ten onrechte geen inzicht is gegeven in de gecumuleerde geluidhinder, wijst het college er terecht op dat het desbetreffende besluit van gedeputeerde staten onherroepelijk is geworden. Verder blijkt uit het rapport en de beantwoording van de bezwaarschriften dat de geluidbelasting aan de gevels van de woningen als gevolg van het wegverkeer van de Vierbundersweg en de Kanaaldijk Noord lager is dan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Wat de Haanse Hoef betreft wordt daarin opgemerkt dat deze deel zal gaan uitmaken van een 30 km/uur-zone. Dit wordt bevestigd in het door het RBOI uitgevoerde aanvullende akoestische onderzoek van 10 juni 2008. Niet aannemelijk is gemaakt dat aan die onderzoeken zodanige gebreken kleven dat zij een onjuist beeld geven van de te verwachten geluidhinder.

2.8. Anders dan het college voorts betoogt, heeft de rechtbank uit de tekst van de verleende verklaring van geen bezwaar en vrijstelling terecht geconcludeerd dat deze alleen betrekking hebben op de twaalf vrijstaande woningen en niet op de ontsluitingsweg Leeuweriklaan met rotonde. Dat in de ruimtelijke onderbouwing wordt ingegaan op de ontsluiting van de woningen, doet aan de duidelijke bewoordingen van de verklaring van geen bezwaar en vrijstelling niet af en leidt derhalve niet tot een ander oordeel. Het voorgaande biedt evenwel, anders dan de rechtbank heeft geconcludeerd, geen grond voor vernietiging van het besluit op bezwaar, nu, zoals ter zitting bij de Afdeling is gebleken, tussen partijen niet in geschil is dat de aanleg van voornoemde weg met rotonde niet noodzakelijk is voor de ontsluiting van de hier aan de orde zijnde woningen, aangezien deze een directe ontsluiting hebben op de bestaande weg Haanse Hoef.

2.9. Het college betoogt ten slotte terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de realisering van groene erfafscheidingen op geen enkele wijze is gewaarborgd. De verplichting tot realisering van de erfafscheidingen wordt opgenomen in de desbetreffende koopovereenkomsten. Daarmee is de realisering van die erfafscheidingen voldoende verzekerd.

2.10. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling dat niet aannemelijk is gemaakt dat de bouwplannen een zodanig negatieve invloed op de verkeerssituatie zullen hebben dat daarvoor in redelijkheid geen vrijstelling kan worden verleend. Ook overigens zijn de door [wederpartij] gestelde gevolgen van het realiseren van de bouwplannen niet van dien aard dat het college niet in redelijkheid groter gewicht heeft kunnen toekennen aan de belangen die zijn gebaat bij het verlenen van vrijstelling voor de bouw van de woningen dan aan de belangen van de omwonenden. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het groene karakter van het gebied door de aanleg van groenstroken en groene erfafscheidingen zoveel mogelijk in stand wordt gelaten. Het college heeft de vrijstelling dan ook in redelijkheid kunnen verlenen. Gelet hierop, zal de Afdeling de bij de rechtbank door [wederpartij] ingestelde beroepen alsnog ongegrond verklaren.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Breda van 21 december 2007 in zaken nrs. 06/3634 en 06/3635;

III. verklaart de bij de rechtbank ingestelde beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Van Roessel

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2008

457.