Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BG4053

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-11-2008
Datum publicatie
12-11-2008
Zaaknummer
200800830/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 december 2005 heeft de raad van de gemeente Wester-Koggenland, voor zover thans van belang, een verzoek van [appellant sub 1] om vergoeding van planschade afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 49
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/223
OGR-Updates.nl 09-32
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200800830/1.

Datum uitspraak: 12 november 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. de raad van de gemeente Koggenland,

appellanten,

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/2131 van de rechtbank Alkmaar van 19 december 2007 in het geding tussen:

[appellant sub 1]

en

de raad van de gemeente Koggenland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 december 2005 heeft de raad van de gemeente Wester-Koggenland, voor zover thans van belang, een verzoek van [appellant sub 1] om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 11 mei 2006 heeft de raad van de gemeente

Wester-Koggenland het daartegen door [appellant sub 1] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 december 2007, verzonden op 21 december 2007, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant sub 1] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en de raad van de gemeente Koggenland bij onderscheiden brieven, bij de Raad van State ingekomen op 30 januari 2008, hoger beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft de gronden van zijn beroep bij brief van 27 februari 2008 aangevuld.

[appellant sub 1] en de raad van de gemeente Koggenland hebben een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 oktober 2008, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. H.J. van der Hauw, advocaat te Velsen, en de raad van de gemeente Koggenland, vertegenwoordigd door W. Zilver, werkzaam bij de gemeente Koggenland, vergezeld door mr. ir. P.F. Schreiber, werkzaam bij de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ), zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals die bepaling tot 1 september 2005 luidde, kent de gemeenteraad, voor zover een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2. Voor de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding op de voet van artikel 49 WRO dient te worden onderzocht of een belanghebbende door een wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de gestelde schadeveroorzakende planologische maatregel te worden vergeleken met het voordien geldende planologische regime. Daarbij is wat betreft het oude planologische regime niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van dat regime maximaal kon worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking van die mogelijkheden heeft plaatsgevonden.

2.3. [appellant sub 1] is eigenaar van een perceel met bedrijfsgebouwen en parkeergelegenheid, kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nr. […], en een belendend perceel met onbebouwd agrarisch land, kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nr. […]. Aan het verzoek heeft [appellant sub 1] ten grondslag gelegd dat door de inwerkingtreding van het bestemmingsplan Kom Avenhorn/De Goorn van 12 september 2002 de bebouwingsmogelijkheden ter plaatse van de percelen zijn beperkt en de percelen in waarde zijn gedaald.

2.4. In het advies van de SAOZ van januari 2005, dat aan het besluit van 8 december 2005 en aan dat van 11 mei 2006 ten grondslag is gelegd, is - samengevat weergegeven - vermeld dat de afname van het bebouwbare oppervlak met 766,65 m² weliswaar tot een waardevermindering van € 84.260,00 heeft geleid, maar de wijziging van de bestemming van de percelen tot een waardevermeerdering van € 503.868,75, zodat [appellant sub 1] per saldo een voordeel van € 419.608,75 bij de planologische wijziging heeft en hij geen aanspraak op vergoeding van planschade kan maken.

2.5. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de besluiten van 8 december 2005 en 11 mei 2006 ten onrechte op het advies van de SAOZ zijn gebaseerd. Daartoe voert hij aan dat de rechtbank heeft miskend dat de SAOZ geen onafhankelijke deskundige is. Voorts voert hij aan dat de berekening van de afname van het bouwvlak, gezien het kadastrale oppervlak van de percelen en de bij het verzoek overgelegde brieven van de toenmalige gemeente Avenhorn van 27 november 1974 en 22 november 1976, onbegrijpelijk en onjuist is en dat de verlaging van de maximale bouwhoogte met 0,30 meter, anders dan in het advies is vermeld, tot waardevermindering van de bedrijfsruimten heeft geleid. Ten slotte voert hij aan dat bij de planologische vergelijking geen juiste huurwaarden zijn toegepast, dat daarbij ten onrechte met de mogelijkheid van het realiseren van appartementen op de percelen onder het nieuwe planologische regime rekening is gehouden en dat daarbij de op een deel van de percelen rustende erfdienstbaarheid en de onder het oude planologische regime gerealiseerde vrijstellingen van de bij het oude bestemmingsplan behorende planvoorschriften ten onrechte buiten beschouwing zijn gelaten.

2.5.1. Volgens vaste rechtspraak (onder meer de uitspraak van de Afdeling van 7 september 2005, zaak nr. 200410630/1), is de SAOZ te beschouwen als een onafhankelijke deskundige op het gebied van planschade en mag een gemeenteraad, indien uit een advies van de SAOZ op objectieve wijze blijkt welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies zonder nadere toelichting niet onbegrijpelijk zijn, bij het nemen van een besluit op een verzoek om planschadevergoeding in beginsel van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van dat advies naar voren zijn gebracht. Het advies van de SAOZ van januari 2005 biedt op de wijze als hiervoor bedoeld inzicht in de feiten en omstandigheden die de conclusie kunnen dragen dat de planologische wijziging voor [appellant sub 1] niet tot een planologisch nadeel heeft geleid.

Ook al zou de toenmalige gemeente Avenhorn in de door [appellant sub 1] bij het verzoek overgelegde brieven van 27 november 1974 en 22 november 1976 hebben toegezegd dat de percelen in een nieuw bestemmingsplan een bedrijfsbestemming zouden krijgen, dan laat dat onverlet dat de percelen in het op 3 oktober 1977 vastgestelde bestemmingsplan Landelijk Gebied, gelet op de bij dat plan behorende kaart en voorschriften, mede voor agrarische doeleinden en groenvoorzieningen zijn bestemd. Bij het vaststellen van het bouwvlak voor bedrijfsgebouwen onder het oude planologische regime is dan ook, anders dan [appellant sub 1] kennelijk meent, niet de kadastrale oppervlakte van de percelen bepalend, maar slechts de oppervlakte van het deel van die percelen dat een bedrijfsbestemming had. Dat betekent dat het betoog van [appellant sub 1] geen concrete aanknopingspunten oplevert voor twijfel aan de juistheid van de berekening door de SAOZ, die de verminderde bebouwingsmogelijkheden als gevolg van de planologische wijziging aan dat deel van de percelen heeft gerelateerd.

Vaststaat dat de verlaging van de maximale bouwhoogte geen invloed op het aantal bouwlagen van de bebouwing heeft. De enige bouwlaag voldoet nog steeds aan de eisen van het Bouwbesluit 2003. Daarvan uitgaande, bestaat, anders dan [appellant sub 1] stelt, geen grond voor het oordeel dat de verlaging tot een waardevermindering van de percelen heeft geleid.

In het advies van de SAOZ is uiteengezet aan de hand van welke feiten en omstandigheden de huurwaarden van het bedrijfspand op de peildatum onder het oude en het nieuwe planologische regime zijn getaxeerd. Dat in een door [appellant sub 1] overgelegd makelaarsrapport van 3 maart 2005 andere huurwaarden zijn vermeld, levert geen concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid van dat onderdeel van het advies op, aangezien uit dat makelaarsrapport niet valt af te leiden dat de waarden naar de maximale mogelijkheden van het oude en het nieuwe planologische regime op de peildatum zijn geschat. Anders dan [appellant sub 1] betoogt, is bij de planologische vergelijking acht geslagen op de op een deel van de percelen rustende erfdienstbaarheid en is rekening gehouden met de onder het oude planologische regime gerealiseerde vrijstellingen van de bij het oude bestemmingsplan behorende planvoorschriften. Niet valt in te zien dat de erfdienstbaarheid voor de planologische vergelijking betekenis heeft. Verder is de mogelijkheid van het realiseren van appartementen onder het nieuwe planologische regime, anders dan [appellant sub 1] stelt, in het advies van de SAOZ buiten beschouwing gelaten.

2.6. Dit betekent dat het betoog van [appellant sub 1] faalt en dat het hoger beroep van [appellant sub 1] ongegrond is.

2.7. Nu het besluit van 11 mei 2006 stand houdt, heeft de raad van de gemeente Koggenland geen belang bij het door hem ingestelde hoger beroep tegen het oordeel van de rechtbank over de uitleg van artikel 8, eerste lid, van de bij het nieuwe bestemmingsplan behorende planvoorschriften, zodat dat hoger beroep niet-ontvankelijk is. Het besluit van 11 mei 2006 tot ongegrondverklaring van de bezwaren tegen het besluit van 8 december 2005 is immers daarmee onaantastbaar geworden en de raad van de gemeente Koggenland is bij het eventueel nemen van besluiten in de toekomst juridisch niet gebonden aan dat oordeel.

2.8. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van de raad van de gemeente Koggenland niet-ontvankelijk;

II. bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Hazen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2008

452.