Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BG1878

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-10-2008
Datum publicatie
29-10-2008
Zaaknummer
200801620/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 juni 2006 heeft de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de minister) een aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring van vakbekwaamheid inhoudende dat tegen de inschrijving van hem in het register van beroepsbeoefenaren volksgezondheid (hierna: het BIG-register) geen bezwaar bestaat, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200801620/1.

Datum uitspraak: 29 oktober 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/2432 van de rechtbank 's-Gravenhage van 5 februari 2008 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 juni 2006 heeft de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de minister) een aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring van vakbekwaamheid inhoudende dat tegen de inschrijving van hem in het register van beroepsbeoefenaren volksgezondheid (hierna: het BIG-register) geen bezwaar bestaat, afgewezen.

Bij besluit van 13 februari 2007 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 februari 2008, verzonden op 11 februari 2008, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 maart 2008, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De minister en [appellant] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 september 2008, waar [appellant], in persoon, en de minister, vertegenwoordigd door mr. H.J. Sjerps-de Boer en mr. H.J. Stoop, beiden ambtenaar bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: de Wet BIG), voor zover thans van belang, worden registers ingesteld waarin degenen die aan de daarvoor bij en krachtens deze wet gestelde voorwaarden voldoen, op hun aanvrage als tandarts worden ingeschreven.

Ingevolge artikel 6, aanhef en onder a, wordt de inschrijving geweigerd indien de aanvrager niet voldoet aan de in hoofdstuk III bedoelde opleidingseisen.

Ingevolge artikel 20 wordt, om in het desbetreffende register als tandarts te kunnen worden ingeschreven, vereist het bezit van een getuigschrift waaruit blijkt dat de betrokkene voldoet aan de daartoe bij algemene maatregel van bestuur gestelde opleidingseisen.

Ingevolge artikel 41, eerste lid, wordt in afwijking van het in artikel 6, onder a, bepaalde aan een persoon die niet voldoet aan de ter zake van de genoten opleiding bij of krachtens hoofdstuk III voor inschrijving in een register gestelde eisen, inschrijving in het register deswege niet geweigerd indien:

(…);

b. de minister, gelet op een door de betrokkene in het buitenland verkregen getuigschrift en op de daarnaast opgedane beroepservaring en gevolgde opleiding, hem op aanvrage een verklaring heeft afgegeven, inhoudende dat tegen zijn inschrijving in het register voor wat zijn vakbekwaamheid betreft geen bedenkingen bestaan;

(…).

Ingevolge het vijfde lid, voor zover thans van belang, stelt de minister voor elk daarvoor in aanmerking komend beroep een commissie van deskundigen in, die tot taak heeft hem op zijn verzoek of uit eigen beweging van advies te dienen inzake de toepassing van dit artikel. Bij algemene maatregel van bestuur worden de samenstelling, taak en werkwijze van de commissie geregeld. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het afleggen van een kennis- en vaardighedentoets.

2.1.1. In de circulaire "Verklaring vakbekwaamheid buitenslands gediplomeerden volksgezondheid" van 21 april 2006 (Stcrt. 2006, 86; hierna: de circulaire) heeft de minister het beleid neergelegd met betrekking tot de behandeling van aanvragen om een vakbekwaamheidsverklaring. Volgens de circulaire onderzoekt de minister of de vakbekwaamheid van de buitenslands gediplomeerde die een verklaring omtrent de vakbekwaamheid heeft aangevraagd, gelijkwaardig is aan de vakbekwaamheid die volgens de Wet BIG is vereist, namelijk de vakbekwaamheid van een volgens de wettelijke, Nederlandse opleidingseisen opgeleide beroepsbeoefenaar. Relevante en recente beroepservaring - niet ouder dan vijf jaar - kan onder bepaalde voorwaarden leiden tot gehele of gedeeltelijke compensatie van de eventueel geconstateerde tekorten in de opleiding.

Uit de circulaire volgt dat de minister zich ten aanzien van het al dan niet afgeven van deze verklaring kan laten adviseren door de Commissie buitenslands gediplomeerden volksgezondheid (hierna: de CBGV). Ten behoeve van de advisering door de CBGV kan de minister of de CBGV een waardering van het onderwijskundig niveau van het buitenlands getuigschrift aanvragen. De instelling die een dergelijke diplomawaardering afgeeft is onder meer de Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het Hoger Onderwijs (hierna: de Nuffic). De CBGV kan in het kader van haar adviserende taak referenties over de buitenslands gediplomeerde inwinnen, de buitenslands gediplomeerde uitnodigen voor een gesprek en de buitenslands gediplomeerde uitnodigen de kennis- en vaardighedentoets af te leggen indien de bij de aanvraag overgelegde bescheiden voor de beoordeling inzake niet gelijkwaardigheid dan wel nagenoeg gelijkwaardigheid onvoldoende aanknopingspunten bieden.

2.1.2. De CBGV heeft, teneinde inzichtelijk te maken hoe zij tot haar adviezen komt, op 14 juli 1998 de "Richtlijn Compensatie Buitenslands Gediplomeerde Tandartsen" (hierna: de CBGV-richtlijn) vastgesteld. In de CBGV-richtlijn is neergelegd dat een tekort in de opleiding slechts kan worden gecompenseerd door opgedane beroepservaring of een vervolgopleiding, indien het niveau van de gevolgde opleiding volgens de Nuffic vergelijkbaar is met ten minste vier jaar wetenschappelijk onderwijs tandheelkunde in Nederland en de CBGV met die waardering instemt.

2.2. De minister heeft de aanvraag van [appellant] om een verklaring van vakbekwaamheid als tandarts bij besluit van 22 juni 2006 afgewezen. Het besluit berust op eerdere vergelijkingen van 12 december 2002 en 26 april 2004 van de opleiding van [appellant] in gevallen van andere aanvragers van een vakbekwaamheidsverklaring, waaruit is gebleken dat zijn in het voormalige Joegoslavië gevolgde opleiding tot arts-stomatoloog niet kan gelden als gelijkwaardig of nagenoeg gelijkwaardig aan de Nederlandse basisopleiding tandheelkunde, omdat het behaalde niveau overeenkomt met hooguit drie jaar wetenschappelijk onderwijs tandheelkunde in Nederland. De door [appellant] gevolgde verplichte klinische stage, zijn vervolgopleiding orthodontie en zijn beroepservaring kunnen niet als compensatie dienen voor de tekorten in de basisopleiding, omdat deze niet zijn opgedaan vanaf het niveau van ten minste vier jaar wetenschappelijk onderwijs tandheelkunde, dat daarvoor hier te lande als minimumeis wordt gesteld, aldus de minister.

De minister heeft bij besluit van 13 februari 2007 het besluit van 22 juni 2006 gehandhaafd.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank er ten onrechte aan is voorbijgegaan dat de CBGV-richtlijn in strijd is met artikel 41, eerste lid, van de Wet BIG, dat de implementatie behelst van EG-richtlijn 2001/19/EG (hierna: de EG-richtlijn), voor zover in de CBGV-richtlijn is bepaald dat een tekort in de opleiding slechts kan worden gecompenseerd door opgedane beroepservaring, indien het niveau van de gevolgde opleiding volgens de Nuffic vergelijkbaar is met ten minste vier jaren wetenschappelijk onderwijs. Uit de EG-richtlijn volgt volgens [appellant] dat opgedane werkervaring in de beoordeling moet worden betrokken. [appellant] verzoekt de Afdeling in dit verband prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.

Zoals de Afdeling heeft overwogen in uitspraken van 19 september 2007 in de zaken nrs. 200701040/1 en 200701873/1 is artikel 41, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet BIG een correcte implementatie van de EG-richtlijn. Deze bepaling vereist, in overeenstemming met de EG-richtlijn, een beoordeling van de door een aanvrager van een verklaring opgedane beroepservaring. De CBGV-richtlijn gaat ervan uit dat, wanneer de gevolgde opleiding het niveau heeft van vier jaar of minder wetenschappelijk onderwijs, de opgedane beroepservaring er niet toe kan leiden dat de vakbekwaamheid alsnog als nagenoeg gelijk kan worden beoordeeld, omdat het niveau van de opgedane beroepservaring daartoe niet toereikend is. In die zin is in zijn algemeenheid een oordeel gegeven over de opgedane beroepservaring. De EG-richtlijn verzet zich er niet tegen dat aan het niveau van de genoten opleiding en de opgedane beroepservaring minimumeisen worden gesteld.

Het betoog slaagt niet. Gelet op het vorenstaande bestaat voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen geen aanleiding.

2.4. [appellant] komt voorts op tegen de overweging van de rechtbank, de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door hem gevolgde opleiding dient te worden gewaardeerd op een niveau van drie jaar wetenschappelijk onderwijs in de basistandheelkunde in Nederland.

2.4.1. Hij betoogt daartoe dat bij de toetsing van de beoordeling van het niveau van de door hem gevolgde opleiding tot arts-stomatoloog aan de Universiteit van Belgrado de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat de minister zich bij de afwijzing van zijn aanvraag op het standpunt heeft gesteld dat het aanvangsniveau van die opleiding gelijk moet worden gesteld met vijf jaar HAVO, terwijl in de aan die afwijzing ten grondslag gelegde diplomavergelijkingen van 12 december 2002 en 26 april 2004 het aanvangsniveau gelijk is gesteld met vijf jaar VWO.

Dit betoog gaat eraan voorbij dat niet het niveau van de gevolgde vooropleiding, maar het niveau van de gevolgde opleiding tot arts-stomatoloog bepalend is voor de beoordeling van de vakbekwaamheid. Het niveau van de vooropleiding is slechts van belang voor de beoordeling van het aanvangsniveau van de opleiding tot arts-stomatoloog. De CBGV heeft in de eerdere studievergelijkingen, onder meer uitgaande van een aanvangsniveau dat vergelijkbaar is met dat van vijf jaar VWO, de door [appellant] gevolgde opleiding vergelijkbaar geacht met drie jaar wetenschappelijk onderwijs in de tandheelkunde in Nederland.

Voor zover in het in beroep bestreden besluit is uitgegaan van een aanvangsniveau dat vergelijkbaar is met vijf jaar HAVO in plaats van vijf jaar VWO is [appellant] daardoor niet in zijn belang geschaad. Ook indien van een aanvangsniveau vergelijkbaar met vijf jaar VWO was uitgegaan, verandert de beoordeling niet dat de door [appellant] gevolgde opleiding vergelijkbaar is met drie jaar wetenschappelijk onderwijs in de tandheelkunde in Nederland.

Het betoog faalt.

2.4.2. [appellant] betoogt daartoe voorts dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar het werkelijke niveau van de opleiding tot arts-stomatoloog en dat zijn individuele vakbekwaamheid onvoldoende is onderzocht. Dit betoog faalt evenzeer. Aan de waardering van de door [appellant] gevolgde opleiding tot arts-stomatoloog op drie jaar wetenschappelijk onderwijs in de tandheelkunde heeft de CBGV ten grondslag gelegd dat er inhoudelijke verschillen zijn tussen de door [appellant] gevolgde opleiding en de Nederlandse opleiding tandheelkunde. De opleiding van [appellant] is theoretischer en meer gericht op algemeen vormend medisch-biologisch onderwijs dat wezenlijk verschilt van het onderwijs in de Nederlandse opleiding. In de door [appellant] gevolgde opleiding wordt 20 tot 30% minder onderwijs gegeven en praktische ervaring opgedaan dan in de Nederlandse opleiding. Het Nederlandse curriculum bestaat voor 50% uit het toepassen van hoog technologische praktische vaardigheden. De verscheidenheid aan behandelingsmogelijkheden die worden bestreken door de Nederlandse opleiding is daardoor veel groter dan bij de door [appellant] gevolgde opleiding. Tot slot ligt in de Servische opleiding, minder dan in de Nederlandse opleiding de nadruk op de preventieve en curatieve tandheelkunde, aldus de CBGV.

2.4.3. Verder betoogt [appellant] daartoe dat bij de beoordeling van het niveau van de door hem gevolgde opleiding tot arts-stomatoloog ten onrechte niet de door hem gevolgde klinische stage van een jaar is betrokken. Ook dit betoog faalt. In de diplomavergelijking van 26 april 2004 is de eenjarige stage weliswaar opgeteld bij de nominale studieduur van vijf jaar, waarmee de nominale studieduur uitkwam op zes jaar, doch ook in dat geval werd de gevolgde opleiding tot arts-stomatoloog gewaardeerd op een niveau van drie jaar wetenschappelijk onderwijs in de tandheelkunde in Nederland.

Dat de Afdeling in de uitspraak van 23 juli 2008 in zaak nr. 200707454/1, waarnaar [appellant] verwijst, met betrekking tot een andere aanvrager om een vakbekwaamheidsverklaring heeft overwogen dat niet zonder meer kan worden volgehouden dat de gevolgde stage geen deel uitmaakt van de opleiding en om die reden de afwijzing van de aanvraag heeft vernietigd, maakt dat niet anders, reeds omdat in dat geval los van het jaar klinische stage sprake was van een nominale studieduur van diens opleiding tot arts-stomatoloog van zes jaar.

2.4.4. Derhalve heeft de rechtbank terecht overwogen dat de minister voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de door [appellant] gevolgde opleiding tot arts-stomatoloog dient te worden gewaardeerd op een niveau van drie jaar wetenschappelijk onderwijs in de basistandheelkunde in Nederland.

2.4.5. De Afdeling ziet in het in het kader van het hoger beroep op verzoek van de minister door de CBGV ten behoeve van [appellant] uitgebrachte advies van 28 augustus 2008 geen aanleiding om over het voorgaande anders te oordelen aangezien dit advies in lijn is met de eerdere reeds genoemde studievergelijkingen van 12 december 2002 en 26 april 2004.

2.5. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister zich ten aanzien van de door hem gevolgde vervolgopleiding in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze niet kan gelden als compensatie voor het tekort in opleiding tot basistandarts omdat deze opleiding zo specifiek is dat hiaten in de basisopleiding daardoor niet worden gecompenseerd. Hij voert in dat verband aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat daaraan niet afdoet dat de minister in een zaak met betrekking tot een Peruaanse tandarts een ander standpunt heeft ingenomen over het in aanmerking nemen van een postdoctorale opleiding, nu het in die zaak om een algemene aanvullende opleiding ging. Volgens [appellant] dient de minister ook in zijn geval de vervolgopleiding in positieve zin te betrekken.

2.5.1. Uit de overgelegde door Nuffic op 11 december 2001 opgemaakte diplomavergelijking van een Peruaanse tandarts blijkt dat deze vijf jaar tandheelkundig onderwijs heeft gevolgd. Deze opleiding is gewaardeerd op een niveau van drie jaar wetenschappelijk onderwijs in de tandheelkunde in Nederland. In de diplomavergelijking valt niet te lezen dat de door deze tandarts gevolgde vervolgopleiding bij de diplomawaardering is betrokken. Het betoog faalt reeds hierom.

2.6. [appellant] betoogt ten slotte tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de belangen van een aanvraag om een vakbekwaamheidsverklaring niet opwegen tegen de belangen van een goede gezondheidszorg. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 30 januari 2008 in zaak nr. 200702936/1), staat de Wet BIG eraan in de weg dat in het geval de minister van oordeel is dat de vakbekwaamheid van een aanvrager niet gelijk of nagenoeg gelijk kan worden geacht aan de vakbekwaamheid van de in Nederland opgeleide beroepsbeoefenaar, de belangen van de aanvrager van de verklaring ertoe zouden kunnen leiden dat de minister de verklaring niettemin dient af te geven.

Het betoog dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat [appellant] onevenredig in zijn belangen is geschaad, doordat de minister hem geen supervisietraject heeft aangeboden en hij dientengevolge de gehele vijfjarige Nederlandse opleiding tandheelkunde moet doorlopen, doet aan het vorenstaande niet af, nu thans de beoordeling van de door hem in het voormalige Joegoslavië gevolgde opleiding voorligt en niet de vraag of hij in aanmerking diende te komen voor een supervisietraject. Daarnaast kan het doorlopen van een supervisietraject, in aanmerking genomen dat de door [appellant] gevolgde opleiding tot arts-stomatoloog niet kan gelden als gelijkwaardig of nagenoeg gelijkwaardig aan de Nederlandse basisopleiding tandheelkunde, niet als compensatie dienen voor de specifieke tekorten in zijn basisopleiding en derhalve niet leiden tot het door [appellant] beoogde resultaat.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. G.J. van Muijen, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Groenendijk

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2008

47-502.