Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BG1877

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-10-2008
Datum publicatie
29-10-2008
Zaaknummer
200801347/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 december 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg (hierna: het college) een verzoek van de vereniging Vereniging voor Protestants Christelijk Primair Onderwijs Chrono (hierna: Chrono) om een uitbreiding met een semi-permanent lokaal ten behoeve van de school "De Regenboog" te Dedemsvaart in het huisvestingsprogramma 2007 voor scholen voor primair en voortgezet onderwijs op te nemen afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet op het primair onderwijs
Wet op het primair onderwijs 100
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200801347/1.

Datum uitspraak: 29 oktober 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. de vereniging Vereniging voor Protestants Christelijk Primair Onderwijs Chrono, gevestigd te Hardenberg,

2. het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg,

appellanten,

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/1122 van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 23 januari 2008 in het geding tussen de vereniging

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg (hierna: het college) een verzoek van de vereniging Vereniging voor Protestants Christelijk Primair Onderwijs Chrono (hierna: Chrono) om een uitbreiding met een semi-permanent lokaal ten behoeve van de school "De Regenboog" te Dedemsvaart in het huisvestingsprogramma 2007 voor scholen voor primair en voortgezet onderwijs op te nemen afgewezen.

Bij besluit van 6 juni 2007 heeft het college het door Chrono daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 januari 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de rechtbank) het door Chrono daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 6 juni 2007 vernietigd en rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben Chrono bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 februari 2008, en het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 maart 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 september 2008, waar Chrono, vertegenwoordigd door R. Bijma en D. Harders, en het college, vertegenwoordigd door J. Klein Kranenburg en M. de Bruijn, werkzaam bij de gemeente Hardenberg, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting heeft het college zijn hoger beroep tegen de uitspraak van 23 januari 2008 ingetrokken.

2.2. Ingevolge artikel 100, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op het Primair Onderwijs (hierna: de WPO) wordt een voorziening in de huisvesting slechts geweigerd, indien de gewenste voorziening niet gerechtvaardigd is op grond van de aard en de omvang van de voorzieningen waarover de school reeds beschikt, voor zover deze uit de openbare kas zijn bekostigd, gelet op de normen, bedoeld in artikel 102, eerste lid, onderdeel b.

Ingevolge artikel 102, eerste lid, aanhef en onder b, stelt de gemeenteraad stelt bij verordening een regeling vast met betrekking tot de oppervlakte en de indeling van schoolgebouwen.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Gemeente Hardenberg (hierna: de Verordening), komen de aangevraagde voorzieningen waarmee in het volgend jaar van vaststelling van het programma een aanvang kan worden gemaakt, in aanmerking voor plaatsing op programma, voor zover het college heeft vastgesteld dat geen van de in de Wet op het primair onderwijs, Wet op de expertisecentra en Wet op het voortgezet onderwijs opgenomen weigeringsgronden van toepassing is. Daarbij past het college de regels toe met betrekking tot:

a. de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I;

b. de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II;

c. de oppervlakte en indeling als bedoeld in bijlage III.

Ingevolge artikel 1.3.1 van deel A van bijlage I bij de Verordening, voor zover hier van belang, blijkt de noodzaak voor uitbreiding met één of meer leslokalen uit het feit dat er ten minste één groep leerlingen extra boven de capaciteit van het gebouw of de gebouwen als vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, aanwezig is, terwijl evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college, de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand verschil in oppervlakte tussen de feitelijk aanwezige bruto-oppervlakte en de genormeerde bruto-oppervlakte, zoals is vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, geheel of gedeeltelijk inpandig één of meer benodigde leslokalen te maken.

Ingevolge artikel 1.1 van deel A van bijlage III bij de Verordening, voor zover hier van belang, wordt de capaciteit van een gebouw voor een basisschool vastgelegd in het aantal groepen waarvoor het gebouw geschikt is. Het aantal groepen is gelijk aan het aantal lokalen in het desbetreffende gebouw. Het aantal lokalen in een gebouw betreft het aantal lesruimten, inclusief het handvaardigheidslokaal, groter dan of gelijk aan 42 vierkante meter. De speellokalen worden niet meegeteld.

2.3. Chrono heeft een aanvraag gedaan voor een tijdelijke uitbreiding van het hoofdgebouw van de hoofdvestiging van de school "De Regenboog" met een leslokaal. Het college heeft het verzoek blijkens plaatsing op het onderwijshuisvestingsoverzicht 2007 afgewezen, op de grond dat niet ten minste één groep leerlingen extra boven de capaciteit van het gebouw of de gebouwen als vastgesteld op grond van bijlage III aanwezig is en aldus niet wordt voldaan aan de criteria als opgenomen in Bijlage I, deel A, 1.3.1 van de Verordening.

De rechtbank heeft het besluit van 6 juni 2007 waarbij het college het bezwaar van Chrono tegen de afwijzing van haar aanvraag ongegrond heeft verklaard, vernietigd. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het college in strijd met artikel 3:47, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft nagelaten te vermelden op welke weigeringsgrond van artikel 100 van de WPO de afwijzing is gebaseerd, het college in het bestreden besluit is uitgegaan van een onjuiste vloeroppervlakte en in de Verordening waarop het bestreden besluit is gebaseerd, in strijd met artikel 95 van de WPO, de bevoegdheid het huisvestingsprogramma vast te stellen aan de gemeenteraad is gelaten. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het besluit van 6 juni 2007 evenwel in stand gelaten, omdat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat van noodzaak voor uitbreiding niet is gebleken en om die reden het verzoek terecht heeft afgewezen.

2.4. Chrono betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat van noodzaak voor uitbreiding niet is gebleken. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat het college de gemeenschapsruimte mocht aanmerken als lesruimte als bedoeld in artikel 1.1 van deel A van bijlage III en is er daarbij ten onrechte aan voorbijgegaan dat een gemeenschapsruimte onontbeerlijk is in het basisonderwijs, aldus Chrono.

2.4.1. Chrono baseert haar betoog voor een belangrijk deel op het advies van de commissie Londo betreffende normen voor huisvesting. Dit advies is opgesteld in 1985. Bij wet van 4 juli 1996, houdende wijziging van de Wet op het basisonderwijs (hierna: de WBO; thans de WPO), de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, alsmede de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de decentralisatie van de huisvestingsvoorzieningen (hierna: decentralisatiewet; Stb 1996, 402), heeft de wetgever de verantwoordelijkheid voor huisvesting van scholen, die voorheen bij de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap lag, bij de gemeenten gelegd. De wetgever heeft er uitdrukkelijk niet voor gekozen in de WBO voor te schrijven welke normen de gemeenten dienen te hanteren bij de huisvesting van scholen en evenmin is voorgeschreven uit welke ruimten een schoolgebouw ten minste moet bestaan. Blijkens de parlementaire geschiedenis bij de decentralisatiewet (Kamerstukken II 1995-1996, 24 455, nr. 3 p. 21 en p. 23) dienen de gemeenten zelf de normen neer te leggen in een gemeentelijke verordening. Deze normen dienen zodanig te zijn dat kan worden voldaan aan de redelijke eisen en behoeften die het onderwijs aan de huisvesting van scholen in de gemeente stelt. Anders dan Chrono stelt, betekent de omstandigheid dat de Verordening niet vereist dat een schoolgebouw een gemeenschapsruimte kent, niet, dat niet wordt voldaan aan de redelijke eisen en behoeften die het onderwijs aan de huisvesting van scholen in de gemeente stelt. De Verordening onderscheidt, met uitzondering van het speellokaal, niet naar de aard van de ruimten, maar kent een normatief aantal vierkante meters per groep, in te zetten naar gelang de behoefte. Niet aannemelijk is gemaakt dat met het normatief aantal vierkante meters dat de Verordening per groep voorschrijft niet wordt voldaan aan de redelijke eisen en behoeften die het onderwijs aan de huisvesting van scholen stelt. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat het college de Verordening niet heeft mogen toepassen.

2.4.2. Gelet op het bepaalde in artikel 1.1 van deel A van bijlage III bij de Verordening, voor zover hier van belang, wordt iedere lesruimte, groter dan of gelijk aan 42 vierkante, anders dan een speellokaal, aangemerkt als lokaal. Zoals reeds overwogen kent de Verordening niet een gemeenschapsruimte. Dat in de toelichting bij de Verordening is vermeld dat voor gebruik van minder dan vier jaren wordt uitgegaan van opvang binnen het bestaande gebouw, bijvoorbeeld in de gemeenschapsruimte doet, daargelaten hoe deze passage moet worden uitgelegd, aan de tekst van de Verordening niet af. Het college heeft de gemeenschapsruimte, nu deze ten minste 42 vierkante meter is, dan ook terecht geteld als lokaal. Gelet hierop heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de capaciteit 11 lokalen bedraagt, zodat niet ten minste één groep leerlingen extra boven de capaciteit van het gebouw of de gebouwen aanwezig is.

2.4.3. Nu niet ten minste één groep leerlingen extra boven de capaciteit van het gebouw aanwezig is, staat, gelet op artikel 1.3.1 van deel A van bijlage I bij de Verordening, vast dat niet blijkt van noodzaak voor uitbreiding met één of meer leslokalen. Het verzoek van Chrono voor uitbreiding met een semi-permanent lokaal is terecht reeds op deze grond afgewezen. Aan het betoog van Chrono met betrekking tot de oppervlakte van het gebouw komt de Afdeling derhalve niet meer toe.

2.5. De conclusie is dat de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het besluit van 6 juni 2007 in stand heeft gelaten.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Poot

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2008

362.