Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BG1876

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-10-2008
Datum publicatie
29-10-2008
Zaaknummer
200801098/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 juli 2005 heeft de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de staatssecretaris) het bedrag van de aan het Reformatorisch Opleidingscentrum voor middelbaar beroepsonderwijs Hoornbeeck College (hierna: het Hoornbeeck College) voor het schooljaar 2003-2004 de op grond van de Subsidieregeling ESF-3 (Europees Sociaal Fonds) voor onderwijsinstellingen 2000-2006, (hierna: de Subsidieregeling ESF-3 voor onderwijsinstellingen) verleende subsidie naar € 0,00 gewijzigd. Bij besluit van 5 oktober 2005 heeft de staatssecretaris het bedrag van de subsidie voor het schooljaar 2002-2003 op € 0,00 vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:48
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200801098/1.

Datum uitspraak: 29 oktober 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het Reformatorisch Opleidingcentrum voor middelbaar beroepsonderwijs Hoornbeeck College, gevestigd te Amersfoort,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/4409 van de rechtbank Utrecht van 2 januari 2008 in het geding tussen:

appellante

en

de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 juli 2005 heeft de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de staatssecretaris) het bedrag van de aan het Reformatorisch Opleidingscentrum voor middelbaar beroepsonderwijs Hoornbeeck College (hierna: het Hoornbeeck College) voor het schooljaar 2003-2004 de op grond van de Subsidieregeling ESF-3 (Europees Sociaal Fonds) voor onderwijsinstellingen 2000-2006, (hierna: de Subsidieregeling ESF-3 voor onderwijsinstellingen) verleende subsidie naar € 0,00 gewijzigd. Bij besluit van 5 oktober 2005 heeft de staatssecretaris het bedrag van de subsidie voor het schooljaar 2002-2003 op € 0,00 vastgesteld.

Bij besluit van 21 november 2006 heeft de staatssecretaris de door het Hoornbeeck College tegen die besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 januari 2008, verzonden op 9 januari 2008, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door het Hoornbeeck College ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het Hoornbeeck College bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 februari 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn bij brief van 21 april 2008 aangevuld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 september 2008, waar het Hoornbeeck College, vertegenwoordigd door mr. M.J.J. van Geel, advocaat te Almelo, vergezeld door M.A. Rozendaal, J.L.A. van Steenis, E.L. Floor en W. de Potter, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. R.J. Oskam en mr. D.W. Mulder, beiden werkzaam bij het agentschap Centrale Financiën Instellingen van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 4:46, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht stelt het bestuursorgaan, indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, kan de subsidie lager worden vastgesteld, indien de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

Ingevolge artikel 4:48, eerste lid, aanhef en onder b, kan het bestuursorgaan, zolang de subsidie niet is vastgesteld, de subsidieverlening intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen, indien de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

2.2. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder a, van de Subsidieregeling ESF-3 voor onderwijsinstellingen, zoals deze regeling luidde ten tijde hier van belang, verleent de minister op aanvraag projectsubsidie aan aanvragers van projecten met betrekking tot de bestrijding van het voortijdig schoolverlaten.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, hebben projecten bestrijding voortijdig schoolverlaten ten doel dat deelnemers aan het project gedurende de hele looptijd van het project onderwijs gericht op een startkwalificatie volgen, blijkend uit de deelnemersadministratie, dan wel gedurende de looptijd van het project een startkwalificatie behalen.

Ingevolge artikel 6, tweede lid, is een project bestrijding voortijdig schoolverlaten gericht op deelnemers die:

a. de leeftijd van 23 jaren nog niet hebben bereikt,

b. voor wie naar het oordeel van de instelling een verhoogd risico van voortijdig schoolverlaten bestaat indien voor hen geen extra activiteiten worden ondernomen,

c. die aan een instelling zijn ingeschreven voor een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder a of b van de Wet educatie en beroepsonderwijs in de beroepsopleidende leerweg,

d. die ongediplomeerd zijn dan wel slechts in het bezit zijn van een diploma voorbereidend beroepsonderwijs verkregen op grond van een eindexamen waarbij één of meer vakken volgens het A-programma, vier of meer vakken volgens het B-programma zijn geëxamineerd of in het bezit zijn van een getuigschrift basisberoepsgerichte leerweg vmbo, en niet in het bezit zijn van een overgangsbewijs van het derde naar het vierde leerjaar HAVO/VWO, en

e. die door de instelling zijn geregistreerd als deelnemer aan het ESF-project en aangemeld bij 'het Regionale Meld- en Coördinatiefunctie-meldpunt'.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, dient de aanvrager een inzichtelijke en controleerbare deelnemersadministratie en een financiële administratie met betrekking tot het project en een administratie van de ontvangen en te ontvangen subsidie per deelnemer bij te houden of te doen bijhouden.

Ingevolge het tweede lid geeft de deelnemersadministratie inzicht in de geplande en gerealiseerde deelnemersprestaties, bedoeld in artikel 4.

Ingevolge het vijfde lid worden bij de vastlegging van de gegevens in ieder geval de eisen in acht genomen die in bijlage 2 bij dit besluit ter zake worden gesteld, alsmede de eisen zoals opgenomen in het door de minister vastgestelde Handboek ESF-3 voor uitvoerders.

Ingevolge bijlage 2, voor zover thans van belang, dient per deelnemer een intakeformulier aanwezig te zijn, waaruit blijkt dat deze voldoet aan de kenmerken opgenomen in artikel 6 en waarin de activiteiten zijn opgenomen die voor de deelnemer worden ondernomen.

2.3. Het Hoornbeeck College betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat niet is gebleken dat de staatssecretaris onzorgvuldig heeft gehandeld door geen verslag van de afrondende controle over het schooljaar 2002-2003 op te maken, heeft miskend dat zonder dat verslag niet kan worden beoordeeld of de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het Hoornbeeck College niet aan haar bij de subsidieverlening opgelegde verplichtingen heeft voldaan.

2.3.1. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat, voor zover thans van belang, de Subsidieregeling ESF-3 voor onderwijsinstellingen geen verplichting tot het opmaken van een verslag van een afrondende controle behelst en het bovendien gaat om de feitelijke vaststelling van het gegeven dat 95% van de intakeformulieren niet door een docent ter bevestiging van de deelname van de desbetreffende deelnemer aan het project tot het einde van de projectperiode zijn getekend. Aangezien dit gegeven op zichzelf tussen partijen niet in geschil is, heeft de rechtbank terecht geen betekenis toegekend aan het ontbreken van een verslag als door het Hoornbeeck College bedoeld.

Het betoog faalt.

2.4. Het Hoornbeeck College betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat het geen deugdelijke deelnemersadministratie heeft bijgehouden, heeft miskend dat de door de staatssecretaris benodigde gegevens op relatief eenvoudige wijze aan de hand van de reguliere administratie kunnen worden vastgesteld. Voorts betoogt het Hoornbeeck College dat het op nihil stellen van subsidie in verband met de door de staatssecretaris gestelde gebreken buiten proportie is en dat de intakeformulieren aan de hand van een door de staatssecretaris in het ESF-handboek voor uitvoerders gegeven voorbeeld zijn ingevuld.

2.4.1. Voor projecten die ten doel hebben voortijdig schoolverlaten te bestrijden en die worden uitgevoerd door reguliere onderwijsinstellingen, is essentieel dat bij aanvang van de projecten per deelnemer wordt vastgesteld dat de desbetreffende deelnemers aan de in de Subsidieregeling ESF-3 voor onderwijsinstellingen geformuleerde selectiecriteria voldoen en welke activiteiten zullen worden ondernomen om de doelstelling van de projecten te bereiken en dat bij beëindiging van de projecten wordt vastgesteld of de desbetreffende deelnemers tot aan het einde van de projectperiode aan het project hebben deelgenomen.

2.4.2. Niet in geschil is dat in het schooljaar 2002-2003 ongeveer 95% van de intakeformulieren niet door een docent zijn getekend ter bevestiging van de deelname van de desbetreffende deelnemer aan het project tot het einde van de projectperiode. Voorts staat vast dat de voor het schooljaar 2003-2004 gebruikte intakeformulieren op een aantal belangrijke punten niet de gegevens, bedoeld in artikel 11, vijfde lid, gelezen in verbinding met bijlage 2 van de Subsidieregeling ESF-3 voor onderwijsinstellingen bevatten. Zo zijn slechts in enkele gevallen de intakeformulieren volledig ingevuld en zijn gegevens zoals de extra activiteiten die door het Hoornbeeck College voor de deelnemers worden ondernomen zelden vermeld. Verder blijkt uit de intakeformulieren niet dat de deelnemers terecht zijn gekwalificeerd als voortijdig schoolverlaters die voldoen aan de eisen als opgenomen in artikel 6, tweede lid, van de Subsidieregeling ESF-3 voor onderwijsinstellingen.

Aldus heeft het Hoornbeeck College voor beide schooljaren geen inzichtelijke en door de staatssecretaris controleerbare deelnemersadministratie bijgehouden en derhalve in strijd met artikel 11, gelezen in verbinding met artikel 4, eerste lid, van de Subsidieregeling ESF-3 voor onderwijsinstellingen gehandeld. Dat, naar het Hoornbeeck College stelt, de hier bedoelde informatie uit de reguliere administratie valt af te leiden doet, wat daar ook van zij, aan het vorenstaande niet af. Aan de eisen die ingevolge de Subsidieregeling ESF-3 voor onderwijsinstellingen gelden voor de projectadministratie dient mede uit een oogpunt van transparantie van de financiële verantwoording van de subsidie strikt de hand te worden gehouden. Het betoog van het Hoornbeeck College dat uit de afgegeven goedkeurende accountantsverklaring blijkt dat zijn huisaccountant van oordeel is dat het Hoornbeeck College volledig heeft voldaan aan de in de ESF regelgeving opgenomen verplichtingen en dat uit de per groep gedefinieerde, door het Hoornbeeck College te verrichten inspanningen via klassenlijsten per deelnemer kan worden vastgesteld welke inspanningen voor de desbetreffende deelnemer zijn verricht, maakt evenmin dat de door het Hoornbeeck College bijgehouden administratie voldoet aan de eisen die de Subsidieregeling ESF-3 voor onderwijsinstellingen daaraan stelt.

Het betoog van het Hoornbeeck College, dat de intakeformulieren op dezelfde wijze als het door de staatssecretaris in het Handboek ESF-3 voor uitvoerders gegeven voorbeeld zijn ingevuld, kan niet leiden tot het ermee beoogde doel, aangezien uit dat voorbeeld, anders dan het Hoornbeek College stelt, blijkt dat bij projecten ter bestrijding van voortijdig schoolverlaten de docent of begeleider op het intakeformulier een handtekening dient te plaatsen ter bevestiging van deelname aan het project tot het einde van de projectperiode.

Nu geen sprake is van een projectadministratie die voldoet aan de daaraan gestelde eisen kan niet worden vastgesteld of, en zo ja, welke kosten subsidiabel zijn, als bedoeld in artikel 5 Subsidieregeling ESF-3 voor onderwijsinstellingen, hetgeen wezenlijk is voor een juiste uitvoering van die regeling. Het wijzigingen van de voor het schooljaar 2003-2004 verleende subsidie naar nihil en het vaststellen van de subsidie voor het schooljaar 2002-2003 op nihil is dan ook niet onevenredig in verhouding tot het met deze besluiten te dienen doel.

Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. G.J. van Muijen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Bindels

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2008

47/452-502.