Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BG1851

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-10-2008
Datum publicatie
29-10-2008
Zaaknummer
200806129/1 en 200806129/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juni 2008, nr. 1400453, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden (hierna: het college van burgemeester en wethouders) bij besluit van 8 januari 2008 vastgestelde wijzigingsplan "Bestemmingsplan Buitengebied '98, 23e wijziging (ex artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening)".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200806129/1 en 200806129/2.

Datum uitspraak: 24 oktober 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden,

appellant,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2008, nr. 1400453, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden (hierna: het college van burgemeester en wethouders) bij besluit van 8 januari 2008 vastgestelde wijzigingsplan "Bestemmingsplan Buitengebied '98, 23e wijziging (ex artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening)".

Tegen dit besluit heeft het college van burgemeester en wethouders bij brief, per faxbericht bij de Raad van State ingekomen op 8 augustus 2008, beroep ingesteld. Bij deze brief heeft het college van burgemeester en wethouders de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 25 september 2008, waar het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door N. Ansems en D. van Laerhoven-van Veen, ambtenaren in dienst van de gemeente, en het college, vertegenwoordigd door P.J.A.G. van Veldhoven, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar [partij] als partij gehoord.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan kan worden gewijzigd binnen bij het plan te bepalen grenzen. Bij het besluit omtrent goedkeuring van het wijzigingsplan dient het college te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust daarnaast op het college de taak om te onderzoeken of het plan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.3. Het plan voorziet in een wijziging van het bestaande bouwblok voor de intensieve veehouderij op het perceel [locatie] te [locatie].

2.4. Het college acht het wijzigingsplan in strijd met een goede ruimtelijke ordening en heeft daaraan goedkeuring onthouden, omdat de voorziene wijziging van het agrarische bouwblok volgens het college in strijd is met het Reconstructieplan Beerze-Reusel (hierna: reconstructieplan).

Ten eerste stelt het college dat sprake is van een vergroting van het bouwblok, hetgeen in strijd is met het reconstructieplan.

Voorts stelt het college dat het plan door vormverandering van het bestaande bouwblok in andere bouwmogelijkheden voorziet dan het bestemmingsplan, zodat geen sprake is van een bestaand bouwrecht als bedoeld in het reconstructieplan, dat zou moeten worden gerespecteerd.

Verder stelt het college zich op het standpunt dat de noodzaak voor vormverandering van het bestaande bouwblok onvoldoende is aangetoond. Daarnaast leidt het plan, door de mogelijkheid van nieuwbouw van stallen, tot bestendiging van de intensieve veehouderij ter plaatse. Volgens het college schaadt dit de belangen die het reconstructieplan beoogt te beschermen.

2.5. Het college van burgemeester en wethouders betoogt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan het plan.

Het college van burgemeester en wethouders stelt voorop dat geen sprake is van een vergroting van het bestaande bouwblok.

Voorts stelt het dat op basis van het voorliggende plan een stal mag worden gebouwd van 4225 m², terwijl op basis van het thans geldende bestemmingsplan een stal van 6300 m² mag worden gebouwd. Het wijzigingsplan voorziet derhalve niet in andere bouwmogelijkheden dan het geldende bestemmingsplan.

Verder stelt het college van burgemeester en wethouders dat de bouwmogelijkheden binnen het bestaande bouwblok in bedrijfseconomisch opzicht zodanig ongunstig zijn dat vormverandering noodzakelijk is. Daartoe voert het aan dat korte looplijnen nodig zijn om efficiënt en hygiënisch te werken en om besmettingen te voorkomen. Deze korte looplijnen kunnen niet worden gerealiseerd op basis van het geldende bestemmingsplan. Nu de afstand van het bouwblok tot de bebouwde kom en de omliggende natuurgebieden wordt vergroot, heeft het plan per saldo geen negatieve invloed op de belangen die het reconstructieplan beoogt te beschermen, aldus het college van burgemeester en wethouders.

2.6. Het plangebied is gelegen in extensiveringsgebied als bedoeld in het reconstructieplan. Ingevolge artikel 1 van de Reconstructiewet concentratiegebieden wordt onder extensiveringsgebied verstaan: ruimtelijk begrensd gedeelte van een reconstructiegebied met het primaat wonen of natuur, waar uitbreiding, hervestiging of nieuwvestiging van in ieder geval intensieve veehouderij onmogelijk is of in het kader van de reconstructie onmogelijk zal worden gemaakt.

In het reconstructieplan, zoals dat luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, is het beleid neergelegd dat in extensiveringsgebieden uitbreiding, hervestiging en nieuwvestiging niet is toegestaan. Bouwrechten van reeds bestaande intensieve veehouderijen in het extensiveringsgebied, opgenomen in een bestemmingsplan dat is getoetst aan het streekplan 1992 of het streekplan 2002, worden echter gerespecteerd.

Het reconstructieplan verstaat blijkens de begripsbepaling in verband met de zonering van de intensieve veehouderij onder uitbreiding van een agrarisch bedrijf: een vergroting van het bestaande bouwblok.

Het reconstructieplan verstaat blijkens de begripsbepaling in verband met de zonering van de intensieve veehouderij onder bouwrecht: een rechtstreeks - zonder vrijstellings- of wijzigingsprocedure - aan een bestemmingsplan of een daarbinnen opgenomen bouwblok te ontlenen recht om bebouwing te mogen oprichten, uitgezonderd omschakeling.

Het reconstructieplan verstaat blijkens de begripsbepaling in verband met de zonering van de intensieve veehouderij onder bouwblok: een in een bestemmingsplan vastgelegde ruimtelijke eenheid, waarbinnen de bebouwing en voorzieningen ten behoeve van een bestemming dienen te worden geconcentreerd.

2.7. Blijkens het verhandelde ter zitting is tussen partijen niet langer in geschil dat de totale oppervlakte van het toegekende bouwblok gelijk is aan de omvang van het bestaande bouwblok in het geldende bestemmingsplan.

Het college heeft echter naar voren gebracht dat een deel van de bestaande verharde toegangsweg ten onrechte niet - zoals in het geldende bestemmingsplan - binnen het bouwblok is opgenomen, nu het een voorziening ten behoeve van de bestemming betreft. Gelet hierop is volgens het college feitelijk sprake van een vergroting van het bestaande bouwblok.

Hoewel een deel van de bestaande verharde toegangsweg in het geldende bestemmingsplan is gelegen binnen het bouwblok, is niet in geschil dat deze weg op basis van dat plan ook buiten dat bouwblok is toegelaten. Het voorliggende plan voorziet derhalve niet in een vergroting van de toegelaten bebouwingsoppervlakte ten opzichte van het geldende bestemmingsplan, zodat geen sprake is van een uitbreiding van het agrarische bedrijf als bedoeld in het reconstructieplan.

2.8. De voorzitter overweegt dat de tekst van het reconstructieplan, zoals dat luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, zich niet verzette tegen een vormverandering van het bouwblok. Voor zover het college heeft betoogd dat het vast beleid is van het college om geen planologische medewerking te verlenen aan vormverandering van een bestaand bouwblok, acht de voorzitter, onder verwijzing naar de uitspraak van 6 juli 2005 in zaak nr. 200405077/1, dit uitgangspunt in beginsel niet onredelijk. Naar het oordeel van de voorzitter heeft het college echter in het voorliggende geval, bij afweging van alle bij de vormverandering betrokken belangen, niet in redelijkheid kunnen besluiten geen aanleiding te zien voor het maken van een uitzondering op dit uitgangspunt. Dienaangaande overweegt de voorzitter het volgende.

Tussen partijen is niet in geschil dat geen planologische of milieuhygiënische belemmeringen bestaan voor de bouw van de gewenste nieuwe stal binnen het bestaande bouwblok. De door het college ongewenst geachte bestendiging van de intensieve veehouderij is derhalve reeds op basis van het geldende bestemmingsplan mogelijk. Voorts is blijkens het verhandelde ter zitting niet in geschil dat het voorliggende plan zowel vanuit het oogpunt van milieuhygiëne en het woon- en leefklimaat voor omwonenden, als uit bedrijfseconomisch oogpunt, tot een verbetering leidt ten opzichte van de situatie dat de nieuwe stal wordt gebouwd binnen het bestaande bouwblok. Uit het vorenstaande volgt dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het wijzigingsplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Door niettemin om deze reden goedkeuring aan het plan te onthouden heeft het college gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

Uit het vorenstaande volgt tevens dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat aanleiding bestaat om alsnog goedkeuring te verlenen aan het plan.

2.9. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.10. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 10 juni 2008, nr. 1400453;

III. verleent goedkeuring aan het wijzigingsplan "Bestemmingsplan Buitengebied '98, 23e wijziging (ex artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening)";

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het onder II. genoemde besluit;

V. wijst het verzoek af;

VI. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) voor de behandeling van het beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. I.M. van der Heijden, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Van der Heijden

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2008

516.