Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BG1844

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-10-2008
Datum publicatie
29-10-2008
Zaaknummer
200707666/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 september 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oost Gelre (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een veehouderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 5 oktober 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/347
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707666/1.

Datum uitspraak: 29 oktober 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Gelderse Milieufederatie, gevestigd te Arnhem, en anderen,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Oost Gelre,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 september 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oost Gelre (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een veehouderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 5 oktober 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben de stichting Stichting Gelderse Milieufederatie en anderen (hierna: de Gelderse Milieufederatie en anderen) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 november 2007, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 oktober 2008, waar de Gelderse Milieufederatie en anderen, vertegenwoordigd door mr. drs. J. Rutteman en ing. A.H. Stoltenborg, en het college, vertegenwoordigd door ing. R.A.M. Reinders, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De Gelderse Milieufederatie en anderen betogen dat het bestreden besluit zich niet verdraagt met de Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (Pb L 206; hierna: de Habitatrichtlijn). Volgens hen heeft de toename van de ammoniakdepositie als gevolg van de bij het bestreden besluit vergunde verandering van de inrichting significante gevolgen voor de kwaliteit van het door de Habitatrichtlijn beschermde natuurgebied "Zwillbrocker Venn".

2.2. Het Duitse natuurgebied "Zwillbrocker Venn" is geplaatst op de lijst van gebieden van communautair belang, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Zodra een gebied op deze lijst is geplaatst, gelden voor dat gebied ingevolge artikel 4, vijfde lid, van de Habitatrichtlijn de bepalingen van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn.

Ingevolge artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, voor zover hier van belang, wordt voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen en projecten significante gevolgen kan hebben voor het gebied, een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. De bevoegde instanties mogen slechts toestemming voor het plan of project geven nadat zij zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Vaststaat dat het bestreden besluit betrekking heeft op een plan of project als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het natuurgebied "Zwillbrocker Venn". Blijkens het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 7 september 2004, zaak C-127/02, JM 2004/112, dient te worden bezien of het college op grond van objectieve gegevens kon uitsluiten dat het plan of project, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen heeft voor dit gebied, afgezet tegen de instandhoudingsdoelstellingen daarvan.

2.3. De bij het bestreden besluit vergunde verandering van de inrichting leidt tot een toename van de ammoniakdepositie op het gebied "Zwillbrocker Venn". Niet in geschil is verder dat de ammoniakdepositie op dit gebied reeds hoger is dan de kritische depositiewaarde van het gebied. Het college heeft bij de beoordeling of op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat de toename van de ammoniakdepositie als gevolg van de verandering van de inrichting significante gevolgen heeft voor het gebied "Zwillbrocker Venn" aansluiting gezocht bij het 'Toetsingskader ammoniak rondom Natura 2000 gebieden' (hierna: het toetsingskader), dat bij brief van 22 mei 2007 door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is aangeboden aan de Voorzitter van de Tweede Kamer. Het toetsingskader heeft betrekking op veehouderijen in de nabijheid van Natura 2000-gebieden en houdt, voor zover hier van belang, in dat een vergunning voor een veehouderij kan worden verleend indien de ammoniakdepositie door de veehouderij op de dichtstbijzijnde rand van het gebied niet meer bedraagt dan 5% van de kritische depositiewaarde van het gebied. In dat geval wordt er van uitgegaan dat de veehouderij geen significante negatieve gevolgen voor het gebied veroorzaakt. Ter onderbouwing van dit uitgangspunt wordt verwezen naar het rapport 'Onderzoek naar de ammoniakdepositie op 5 habitatgebieden ten behoeve van het interim toetsingskader Natura 2000 en Ammoniak' van Alterra, gepubliceerd op 15 mei 2007.

2.4. De Afdeling overweegt, onder verwijzing naar haar uitspraak van 24 september 2008 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200708180/1&verdict_id=31004&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200708180/1&utm_term=200708180/1">200708180/1</a>, dat op grond van dat rapport niet met voldoende zekerheid kan worden gesteld dat een veehouderij in de nabijheid van een natuurgebied geen significante negatieve gevolgen voor dat gebied veroorzaakt, indien de ammoniakdepositie door de veehouderij op de dichtstbijzijnde rand van het gebied niet meer bedraagt dan 5% van de kritische depositiewaarde. Door aan te sluiten bij het toetsingskader en de daarin opgenomen drempelwaarde van 5% heeft het college onvoldoende gemotiveerd waarom de bij het bestreden besluit vergunde verandering van de inrichting, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, geen significante gevolgen heeft voor het gebied "Zwillbrocker Venn", afgezet tegen de instandhoudingsdoelstellingen daarvan. Het bestreden besluit berust in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet op een deugdelijke motivering.

2.5. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

2.6. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Oost Gelre van 24 september 2007;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Oost Gelre tot vergoeding van bij de stichting Stichting Gelderse Milieufederatie en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 40,68 (zegge: veertig euro en achtenzestig cent); het dient door de gemeente Oost Gelre aan de stichting Stichting Gelderse Milieufederatie en anderen onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

IV. gelast dat de gemeente Oost Gelre aan de stichting Stichting Gelderse Milieufederatie en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Van Grinsven

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2008

462.