Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BG1836

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-10-2008
Datum publicatie
29-10-2008
Zaaknummer
200708784/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 8 maart 2007 heeft de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: de hoofddirectie) het verzoek van [appellante] om het reeds betaalde lesgeld voor het cursusjaar 2006-2007 te restitueren, afgewezen.

Wetsverwijzingen
Les- en cursusgeldwet
Les- en cursusgeldwet 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200708784/1.

Datum uitspraak: 29 oktober 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/1723 van de rechtbank Leeuwarden van 21 november 2007 in het geding tussen:

[appellante]

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep.

1. Procesverloop

Bij brief van 8 maart 2007 heeft de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: de hoofddirectie) het verzoek van [appellante] om het reeds betaalde lesgeld voor het cursusjaar 2006-2007 te restitueren, afgewezen.

Bij besluit van 21 juni 2007 heeft de hoofddirectie het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 november 2007, verzonden op 22 november 2007, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 december 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 14 januari 2008.

De hoofddirectie heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 september 2008, waar de hoofddirectie, vertegenwoordigd door mr. G.J.M. Naber, werkzaam bij de Informatie Beheer Groep (hierna: de IB-Groep), is verschenen. [appellante] is met kennisgeving niet ter zitting verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Les- en cursusgeldwet (hierna: Lcw), voor zover hier van belang, is lesgeld verschuldigd ter zake van het door een leerling die op de eerste dag van het desbetreffende cursusjaar de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt, volgen van uit de openbare kas bekostigd onderwijs aan een dagschool.

Ingevolge het tweede lid is het lesgeld door de leerling verschuldigd per cursusjaar en wordt het voldaan aan de Informatie Beheer Groep.

Ingevolge artikel 9b kan de Informatie Beheer Groep voor bepaalde gevallen de wet buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

2.2. Ter invulling van de beleidsvrijheid die de hoofddirectie op grond van artikel 9b van de wet toekomt, heeft zij bij besluit van 11 oktober 2004 de Beleidsregel buiteninvorderingstelling lesgeld asielzoekers en bepaalde categorieën vreemdelingen (Stcrt 2004, nr. 197, p. 130; hierna: de Beleidsregel), vastgesteld.

Volgens artikel 4, tweede lid, van de beleidsregel leidt de buiteninvorderingstelling niet tot een kwijtschelding van het verschuldigde lesgeld.

Volgens het derde lid kan, indien het lesgeld reeds geheel of ten dele is betaald, achteraf op grond van een buiteninvorderingstelling geen restitutie plaatsvinden.

2.3. [appellante] heeft de hoofddirectie verzocht om buiteninvorderingstelling van lesgeld als bedoeld in de Beleidsregel voor het cursusjaar 2006-2007 (€ 963,00). Hangende haar verzoek is op 8 januari 2007 door Stichting Vluchtelingenzorg Witmarsum het lesgeld voor haar betaald. Bij besluit van 15 januari 2007 heeft de hoofddirectie het lesgeld buiten invordering gesteld. [appellante] heeft de hoofddirectie verzocht om terugbetaling aan de Stichting Vluchtelingenzorg Witmarsum van het reeds betaalde lesgeld. Bij brief van 8 maart 2007 heeft de hoofddirectie dit verzoek afgewezen.

Bij het bij de rechtbank bestreden besluit van 21 juni 2007 heeft de hoofddirectie het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft geoordeeld dat de hoofddirectie onzorgvuldig handelt, door haar restitutieverzoek af te wijzen. Daartoe voert zij aan dat zij van de zijde van de IB-Groep onder druk is gezet het lesgeld te voldoen, ook al was nog niet op haar verzoek om buiteninvorderingstelling beslist, onder meer door toezending van een herinnering en telefonische dreiging met een deurwaarder.

2.4.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het door de hoofddirectie gevoerde beleid dat een buiteninvorderingstelling niet leidt tot kwijtschelding van het lesgeld en dat indien het lesgeld reeds geheel of ten dele is betaald, achteraf op grond van een buiteninvorderingstelling geen restitutie plaatsvinden, niet onredelijk is. Aan de orde is de vraag of de hoofddirectie vanwege aan haar te wijten bijzondere omstandigheden met betrekking tot de invordering van het lesgeld van dit beleid dient af te wijken en alsnog aan [appellante] het reeds betaalde lesgeld dient te restitueren.

De hoofddirectie heeft desgevraagd ter zitting uiteengezet dat wanneer een verzoek om buiteninvorderingstelling wordt gedaan dat verzoek niet leidt tot opschorting van de invordering van het lesgeld. Eerst wanneer het verzoek is gehonoreerd, wordt de invorderingsprocedure, die voor alle leerlingen gelijk is, gestaakt. Deze handelwijze is niet onredelijk, nu het reeds op grond van het indienen van een verzoek om buiteninvorderingstelling opschorten van de invorderingsprocedure zou kunnen leiden tot oneigenlijk gebruik van de buiteninvorderingsregeling. Daarbij is van belang dat wanneer het verzoek om buiteninvorderingstelling tijdig is gedaan, in de invorderingsprocedure niet aan invorderingsmaatregelen als het inschakelen van een deurwaarder wordt toegekomen. Invordering door een deurwaarder vindt, naar de staatssecretaris onweersproken heeft gesteld, eerst plaats in de maand februari van het lopende cursusjaar. Wordt het verzoek om buiteninvorderingstelling direct na inschrijving voor het onderwijs gedaan, dan wordt uiterlijk in de maand december van het lopende cursusjaar een beslissing genomen op dat verzoek.

Uit de dossierstukken blijkt dat [appellante] op 26 juli 2006 de onderwijskaart voor het cursusjaar 2006-2007 heeft getekend en dat zij, eerst nadat zij een acceptgiro van de hoofddirectie voor het lesgeld had ontvangen, op 1 november 2006 het verzoek tot buiteninvorderingstelling heeft gedaan. Weliswaar heeft [appellante] gesteld dat zij bij aanvang van het cursusjaar de IB-Groep heeft verzocht haar een aanvraagformulier voor buiteninvorderingstelling toe te zenden en dat zij dit formulier niet heeft ontvangen, maar die stelling heeft zij niet nader onderbouwd. Nu [appellante] niet bij aanvang van het cursusjaar heeft verzocht om buiteninvordering van het lesgeld, kan de omstandigheid dat overeenkomstig de invorderingsprocedure aan [appellante] een aanmaning is verzonden en in het telefonisch contact met de IB-Groep dat daarop volgde aan haar is medegedeeld dat uiteindelijk een deurwaarder tot invordering van het lesgeld zou overgaan, niet leiden tot het oordeel dat sprake is van aan de hoofddirectie te wijten omstandigheden die haar nopen tot afwijking van het door haar gevoerde beleid ter zake van de buiteninvorderingstelling van het lesgeld.

Gelet op het vorenoverwogene, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de hoofddirectie het verzoek van [appellante] om restitutie terecht heeft afgewezen.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Poot

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2008

362.