Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BG1831

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-10-2008
Datum publicatie
29-10-2008
Zaaknummer
200802355/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven (hierna: het college) aan [vergunninghouders] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een loonwerkersbedrijf en veehouderij aan de [locatie] te [plaats].

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.1
Wet milieubeheer 8.18
Wet milieubeheer 8.40
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2009/47 met annotatie van W.J. Bosma
M en R 2009, 8K
M en R 2009, 35 met annotatie van Mr. K.J. de Graaf
Gst. 2009, 7 met annotatie van P.P.A. Bodden
Milieurecht Totaal 2008/5295
Omgevingsvergunning in de praktijk 2008/1640
JOM 2008/867
JM 2008/132 met annotatie van Zigenhorn
OGR-Updates.nl 09-08
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200802355/1.

Datum uitspraak: 29 oktober 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven (hierna: het college) aan [vergunninghouders] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een loonwerkersbedrijf en veehouderij aan de [locatie] te [plaats].

Dit besluit is bij uitspraak van 1 maart 2006 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200504840/1&verdict_id=13025&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200504840/1&utm_term=200504840/1">200504840/1</a> door de Afdeling vernietigd. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft het college bij besluit van 13 februari 2008 een nieuw besluit genomen. Dit besluit is op 25 februari 2008 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] (hierna: [appellant]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 april 2008, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op

28 april 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ingediend door het college. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 oktober 2008, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. W. Kattouw, en het college, vertegenwoordigd door drs. E.M. Herben en ir. R. Roël zijn verschenen. Voorts is [vergunninghouder] daar als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1 Bij het bestreden besluit is vergunning verleend voor het houden van 271 vleesvarkens, 60 stuks melkvee, 30 stuks vrouwelijk jongvee en 5 pony's. Sinds 26 juni 2008 worden binnen de inrichting echter geen varkens meer gehouden en heeft het melkvee plaats gemaakt voor jongvee. [vergunninghouders] hebben in verband hiermee overeenkomstig artikel 7 van het Besluit landbouw milieubeheer gemeld dat deze algemene maatregel van bestuur op de inrichting van toepassing is geworden.

2.1.1 Het college stelt onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 13 september 2006 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200510491/1&verdict_id=14939&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200510491/1&utm_term=200510491/1">200510491/1</a>, dat onder deze omstandigheden de bij het bestreden besluit verleende vergunning van rechtswege is vervallen en [appellant] daarom niet langer belang heeft bij een beoordeling van het beroep.

2.1.2 Ten aanzien van de vraag onder welke omstandigheden een milieuvergunning vervalt wanneer een krachtens artikel 8.40 van de Wet milieubeheer vastgestelde algemene maatregel van bestuur op de inrichting van toepassing wordt, overweegt de Afdeling als volgt.

In artikel 8.18 van de Wet milieubeheer is bepaald in welke gevallen een vergunning vervalt. Het van toepassing worden van een krachtens artikel 8.40 vastgestelde algemene maatregel van bestuur is niet een van deze gevallen. Mede gezien deze wettelijke regeling leidt - anders dan zou kunnen worden afgeleid uit de uitspraak van 13 september 2006 - het enkele feit dat een inrichting zodanig wordt veranderd dat daarop krachtens artikel 8.40 gestelde regels van toepassing worden, niet tot het vervallen van de vergunning. Dit wordt niet anders wanneer van dit feit melding wordt gedaan aan het bevoegde gezag. Zo lang de vergunning niet wordt ingetrokken, bestaat het recht om wederom de vergunde (en onverminderd vergunningplichtige) activiteiten te gaan uitvoeren.

Van deze situatie moet worden onderscheiden de situatie dat, als gevolg van het in werking treden of wijzigen van een krachtens artikel 8.40 vastgestelde maatregel van bestuur, voor een inrichting zoals vergund geen vergunning meer is vereist. In een dergelijk geval staat vast dat aan de vergunning - afgezien van het mogelijk tijdelijk doorwerken als nadere eis of maatwerkvoorschrift van onderdelen daarvan - geen betekenis meer zal toekomen. De Afdeling is van oordeel dat in die situatie een redelijke uitleg van artikel 8.1 samen met artikel 8.40 van de Wet milieubeheer meebrengt dat, ondanks het ontbreken van een expliciete wettelijke grondslag, moet worden aangenomen dat de vergunning van rechtswege is vervallen.

2.1.3 Gezien het voorgaande is in dit geval de bij het bestreden besluit verleende vergunning niet vervallen. Anders dan het college meent, bestaat dan ook nog een belang bij een beoordeling van het beroep.

2.2 In haar uitspraak van 1 maart 2006 heeft de Afdeling geoordeeld dat op grond van de vergunningvoorschriften niet duidelijk was hoeveel mestvarkens gedurende het jaar na inwerkingtreding van de vergunning gehouden mochten worden. Voorts stelde de Afdeling vast dat in deze periode mogelijk niet werd voldaan aan de op grond van de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn) vereiste afstand. Naar aanleiding hiervan heeft het college aan de bij het thans bestreden besluit verleende vergunning de voorschriften 5.1 en 10.1 verbonden. In voorschrift 5.1 is bepaald dat in de inrichting ten hoogste 271 vleesvarkens mogen worden gehouden. In voorschrift 10.1 is bepaald dat alle geopende ventilatievoorzieningen van dierenverblijven op ten minste 75 meter van woningen van derden dienen te liggen.

2.2.1 [appellant] betoogt dat ook thans niet is gewaarborgd dat wordt voldaan aan de afstanden die volgens de door het college gehanteerde Richtlijn moeten worden aangehouden. Daarom vreest hij onaanvaardbare stankhinder te ondervinden.

2.2.2 In het bestreden besluit heeft het college gemotiveerd aangegeven dat bij het houden van het in voorschrift 5.1 genoemde aantal vleesvarkens, en rekening houdend met de in voorschrift 10.1 gestelde regels over de plaatsing van de ventilatievoorzieningen, wordt voldaan aan de volgens de Richtlijn aan te houden afstanden tot omliggende bebouwing. De niet nader onderbouwde stelling van [appellant] dat niet aan de afstanden wordt voldaan, geeft de Afdeling geen aanleiding om aan te nemen dat het college zich ten onrechte op dit standpunt heeft gesteld.

De beroepsgrond faalt.

2.3 [appellant] voert aan dat de aan de vergunning verbonden geluidgrenswaarden te ruim zijn omdat ze niet aansluiten bij de landelijke omgeving.

2.3.1 In haar uitspraak van 1 maart 2006 heeft de Afdeling reeds geoordeeld dat de gestelde geluidgrenswaarden aansluiten bij de omgeving van de inrichting. Er is geen aanleiding om daar thans anders over te oordelen.

De beroepsgrond faalt.

2.4. Voorts stelt [appellant] dat de gestelde geluidgrenswaarden niet naleefbaar zijn. Hij stelt dat loonwerkersbedrijven vooral in de zomerperiode dag en nacht doorwerken, waarbij de geluidproductie zodanig is dat de geluidgrenswaarden worden overschreden.

[appellant] heeft deze stelling niet met concrete, op de inrichting in kwestie toegesneden, argumenten onderbouwd. De stelling geeft de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college er ten onrechte van is uitgegaan dat de gestelde geluidgrenswaarden naleefbaar zijn.

De beroepsgrond faalt.

2.5. [appellant] voert tot slot aan dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd, omdat daarin niet is gereageerd op alle bedenkingen die hij tegen het ontwerp van het besluit van 12 april 2005 heeft ingebracht. In de tegen het ontwerp van het thans bestreden besluit ingebrachte bedenkingen is immers verwezen naar deze "bezwaren", aldus [appellant].

Het college heeft in het bestreden besluit - kort weergegeven - in reactie op de verwijzing naar de in 2005 ingebrachte bedenkingen verwezen naar hetgeen het over die bedenkingen in het besluit van 12 april 2005 heeft overwogen. Een dergelijke motivering volstaat naar het oordeel van de Afdeling als reactie op een enkele verwijzing naar in eerdere procedure(fases) ingediende stukken.

Deze beroepsgrond faalt.

2.6. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van der Zijpp

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2008

262-584.