Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BG1822

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-10-2008
Datum publicatie
29-10-2008
Zaaknummer
200806648/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 juli 2008 heeft college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) aan [verzoeker] een last onder dwangsom opgelegd wegens het in strijd met artikel 8.1 van de Wet milieubeheer houden van meer varkens dan waarvoor vergunning is verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200806648/1.

Datum uitspraak: 22 oktober 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 juli 2008 heeft college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) aan [verzoeker] een last onder dwangsom opgelegd wegens het in strijd met artikel 8.1 van de Wet milieubeheer houden van meer varkens dan waarvoor vergunning is verleend.

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bezwaar gemaakt.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 augustus 2008, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 9 oktober 2008, waar [verzoeker], vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.N.J. van der Stappen, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 22 juli 2008 heeft het college [verzoeker] gelast om binnen 3 maanden na verzending van dat besluit het aantal in de inrichting gehouden varkens terug te brengen tot 5.040, zoals vergund bij de op 30 maart 1999 verleende revisievergunning. De dwangsom bedraagt € 5,00 per week, per varken dat wordt gehouden boven het aantal van 5.040, met een maximum van € 50.000,00.

2.2. [verzoeker] voert aan dat geen sprake is van een overtreding, omdat hij op grond van een op 1 juli 1997 aan hem verleende veranderingsvergunning en een op 30 maart 1999 verleende revisievergunning beschikt over een vergunning voor het houden van 6.048 vleesvarkens. De veranderingsvergunning is volgens hem niet komen te vervallen, omdat de revisievergunning van 30 maart 1999 als een reparatiebesluit dient te worden aangemerkt van de vernietigde revisievergunning van 26 januari 1995, nu beide vergunningen op dezelfde aanvraag zijn gebaseerd. Hij stelt dat het ontbreken van een connexe revisievergunning slechts een tijdelijke leemte was die door het reparatiebesluit is hersteld.

Voorts voert hij aan dat de stichting Anti Big Pig, die een verzoek om handhaving heeft ingediend, niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Wet milieubeheer kan worden aangemerkt. Daarom kan in het verzoek van die stichting geen grond worden gevonden voor handhavend optreden, aldus [verzoeker].

2.2.1. Bij besluit van 26 januari 1995 is aan [verzoeker] voor de door hem gedreven varkenshouderij een revisievergunning verleend voor het houden van 5.040 vleesvarkens. Bij besluit van 1 juli 1997 is een op deze revisievergunning gebaseerde veranderingsvergunning verleend voor onder meer een uitbreiding van het aantal vleesvarkens van 5.040 naar 6.048. De Afdeling heeft bij uitspraak van 30 oktober 1998, nr. E03.95.0503 het besluit van 26 januari 1995 vernietigd. Bij besluit van 30 maart 1999 is opnieuw een revisievergunning verleend voor het houden van 5.040 varkens.

2.2.2. Bij uitspraak van heden in zaak no. 200806320/2 heeft de voorzitter geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de veranderingsvergunning van 1 juli 1997 is vervallen en aan de vigerende revisievergunning rechten kunnen worden ontleend voor het houden van 5.040 vleesvarkens. Niet in geschil is dat ten tijde van het nemen van het besluit van 22 juli 2008 in de inrichting meer dan 5.040 varkens werden gehouden. Het college was daarom bevoegd ter zake handhavend op te treden. De stelling van [verzoeker] dat de stichting Anti Big Pig niet als belanghebbende kan worden aangemerkt begrijpt de voorzitter aldus dat hij daarmee aanvoert dat die stichting geen verzoek om handhaving op de voet van artikel 18.14 van de Wet milieubeheer kon indienen. Daargelaten het antwoord op de vraag of de stichting Anti Big Pig als belanghebbende kan worden aangemerkt overweegt de voorzitter dat dit niet afdoet aan de bevoegdheid van het college om handhavend op te treden.

2.3. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4. [verzoeker] voert aan dat concreet zicht op legalisatie bestaat omdat een aanvraag voor een revisievergunning is ingediend voor het houden van 8.946 varkens. Deze aanvraag is door het college ten onrechte buiten behandeling gelaten, aldus [verzoeker].

2.4.1. Bij uitspraak van heden in zaak no. 200806320/2 heeft de voorzitter geoordeeld dat de desbetreffende aanvraag door het college terecht buiten behandeling is gelaten. Hieruit volgt dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geen ontvankelijke aanvraag voor een vergunning was ingediend. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat geen concreet zicht op legalisatie bestond.

2.5. [verzoeker] voert aan dat handhavend optreden onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, omdat lange tijd is berust in de situatie waartegen het besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom zich thans richt. Het college had om deze reden van handhavend optreden dienen af te zien.

2.5.1. Het enkele feit dat geruime tijd niet handhavend is opgetreden is niet aan te merken als een bijzondere omstandigheid om van handhaving af te zien.

2.6. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Taal

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2008

325-578.