Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BG1209

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-10-2008
Datum publicatie
14-01-2009
Zaaknummer
200707753/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2007:BB5178, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongewenstverklaring / actuele bedreiging voor de nationale veiligheid / individueel ambtsbericht / gemeenschapsonderdaan / godsdienstleraar / gezinsleven / discriminatie

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:29
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 67
Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002
Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 87
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/429
RV20080057 met annotatie van Winter H.B. Heinrich
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707753/1.

Datum uitspraak: 7 oktober 2008

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak in zaken nrs. 06/5940, 06/5944 en 06/5947 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 9 oktober 2007 in de gedingen tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 juni 2005 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) het verblijfsrecht van [appellant] (hierna: de vreemdeling) als gemeenschapsonderdaan beëindigd (zaak 06/5940).

Bij besluit van 14 juni 2005 heeft de minister de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'het verrichten van arbeid in loondienst als godsdienstleraar' ingetrokken en de aanvraag van de vreemdeling om verlenging van de geldigheidsduur van deze vergunning afgewezen (zaak 06/5944).

Bij besluit van 15 juni 2005 heeft de minister de vreemdeling ongewenst verklaard (zaak 06/5947).

Bij afzonderlijke besluiten van 26 januari 2006 heeft de minister de daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Deze besluiten en het advies van de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken (hierna: de ACVZ) van 24 oktober 2005, waarnaar in deze besluiten wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 9 oktober 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle (hierna: de rechtbank), de tegen de besluiten in de zaken 06/5940 en 06/5944 door de vreemdeling ingestelde beroepen niet-ontvankelijk verklaard en het tegen het besluit in de zaak 06/5947 door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 6 november 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) heeft een verweerschrift ingediend.

In het kader van de toepassing van de artikelen 8:29 en 8:45 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), in samenhang met artikel 87 van de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten 2002 (hierna: de WIV 2002), heeft de vreemdeling de Afdeling desgevraagd bij brief van 18 april 2008 toestemming verleend om mede op grondslag van de onderliggende stukken van het individueel ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: de AIVD) van 16 februari 2005 (hierna: het ambtsbericht), waarvan hij geen kennis kan nemen, uitspraak te doen. De staatssecretaris heeft evenbedoelde toestemming verleend bij brief van 25 maart 2008. Op 10 juni 2008 heeft de Afdeling inzage gehad in de desbetreffende stukken.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 juni 2008, waar de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.F. Wijngaarden, advocaat te Amsterdam, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. G.M.H. Hoogvliet, advocaat te 's Gravenhage, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In grief I klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister het verblijfsrecht van de vreemdeling als gemeenschapsonderdaan heeft beëindigd, de verblijfsvergunning regulier van de vreemdeling heeft ingetrokken en de vreemdeling vervolgens ongewenst heeft verklaard, omdat in het ambtsbericht is geconcludeerd dat de vreemdeling een actuele bedreiging vormt voor de nationale veiligheid. Daartoe wordt aangevoerd dat het ambtsbericht slechts stelt dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid, zodat de toevoeging "actuele" afkomstig is van de minister en de rechtbank in zoverre ten onrechte heeft aangenomen dat de AIVD zelf de vreemdeling een actuele bedreiging voor de nationale veiligheid acht.

2.1.1. Bij de aangevallen uitspraak zijn het beroep tegen het besluit tot beëindiging van het verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan en het beroep tegen het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning regulier en afwijzing van de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van die verblijfsvergunning niet-ontvankelijk verklaard. Hiertegen is geen grief gericht. Reeds hierom faalt de grief in zoverre.

2.1.2. In het ambtsbericht is geconcludeerd dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Het behoeft geen betoog dat hiermee is bedoeld dat dit gevaar blijkens het ambtsbericht bestond op het moment waarop het werd uitgebracht, zodat de rechtbank niet ten onrechte heeft aangenomen dat ook in het ambtsbericht is uitgegaan van een actuele bedreiging.

Ook in zoverre faalt de grief.

2.2. In grief II klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op het rapport van het Instituut voor Migratie en Etnische Studies (hierna: het IMES) met de titel "Strijders van eigen bodem" en het deskundigenrapport van prof.dr. R. Meijer, welke rapporten bij brief van 16 juni 2006 door de vreemdeling in het geding zijn gebracht. De rechtbank had deze rapporten, evenals het rapport van prof.dr.mr. R. Peters van 15 november 2005, als concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het ambtsbericht dienen aan te merken.

Voorts klaagt de vreemdeling in grief X, onder verwijzing naar deze rapporten, onder meer dat de ongewenstverklaring in strijd is met het proportionaliteits- en subsidiariteitsvereiste omdat de ongewenstverklaring geen effectief middel is om radicalisering en jihadisering tegen te gaan.

2.2.1. De klacht dat de rechtbank ten onrechte niet op het rapport van het IMES en het rapport van prof. Meijer is ingegaan, is terecht voorgedragen doch kan niet tot het ermee beoogde doel leiden.

Na kennisneming van de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende stukken, is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank terecht het rapport van prof. Peters niet als concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het ambtsbericht heeft aangemerkt. Dit rapport heeft in hoofdzaak een algemene strekking en ziet niet op feitelijke gedragingen van de vreemdeling. Weliswaar heeft prof. Peters kennisgenomen van een negental preken van de vreemdeling, doch de omstandigheid dat deze naar zijn mening niet oproepen tot exclusivisme en parallellisme en dat in die preken evenmin anti-Westerse of anti-integratieve tendensen zouden zijn te ontdekken, kan, gelet op de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende stukken, evenmin als concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het ambtsbericht worden aangemerkt.

Gelet op de algemene strekking van de andere in 2.2 genoemde rapporten heeft de rechtbank deze evenmin als concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het ambtsbericht hoeven aanmerken. Om deze reden treft ook de verwijzing in grief X naar deze rapporten ten betoge dat de ongewenstverklaring geen effectief middel is, geen doel.

Grief II faalt en grief X faalt in zoverre.

2.3. In grief III klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het ambtsbericht en het advies van de ACVZ niet met elkaar in tegenspraak zijn. Daartoe voert hij aan dat in het ambtsbericht met zoveel woorden wordt gesteld dat prediking van de 'dawa' een gevaar voor de democratische rechtsorde en daarmee voor de nationale veiligheid oplevert, terwijl de conclusie van de voorzitter van de ACVZ na inzage van de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende stukken luidt dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden die er op wijzen dat de vreemdeling zich heeft geuit op een wijze die in strijd is met de Nederlandse wet dan wel die rechtstreeks aanzet tot handelen dat een gevaar vormt voor de Nederlandse rechtsorde. Als niet wordt aangezet tot handelen dat een gevaar vormt voor de Nederlandse rechtsorde, noch uitingen worden gedaan op een wijze die in strijd is met de Nederlandse wet, kan bezwaarlijk worden gesproken van uitingen die wel een gevaar voor de nationale veiligheid vormen.

In grief X wordt voorts, onder meer, betoogd dat de vreemdeling in het advies van de ACVZ geen concrete gedragingen worden verweten.

2.3.1. De grieven falen in zoverre. Er wordt aan voorbijgegaan dat uitingen, ook zonder dat deze op zich zelf genomen in strijd zijn met de Nederlandse wet dan wel rechtstreeks aanzetten tot handelen dat een gevaar vormt voor de Nederlandse rechtsorde, een gevaar voor de democratische rechtsorde en daarmee voor de nationale veiligheid kunnen zijn indien zij worden gedaan in een context als geschetst in zowel het ambtsbericht als het advies van de ACVZ.

Voorts zijn in dat advies de feiten en omstandigheden zoals die blijken uit het ambtsbericht en de daaraan ten grondslag liggende stukken tot uitgangspunt genomen. De vertrouwelijkheid van die stukken brengt met zich dat feiten en omstandigheden in het advies slechts in abstracte vorm kunnen worden weergegeven.

2.3.2. Voorts wordt in grief III geklaagd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet alleen de preken van de vreemdeling als gedragingen dienen te worden aangemerkt, doch ook een nalaten van zijn kant waar actief handelen verwacht had mogen worden. Daartoe wordt aangevoerd dat in het ambtsbericht noch elders duidelijk is gemaakt waar deze verwachtingen op gebaseerd zijn en op welke situaties of handelingen van derden deze betrekking hebben. Voorts is in het ambtsbericht gesteld noch gebleken dat de gedragingen waartegen de vreemdeling verwacht werd op te treden met zijn medeweten of instemming hebben plaatsgevonden. Hij kan niet verantwoordelijk worden gesteld voor de uitleg die anderen aan zijn preken geven.

2.3.3. Het individueel ambtsbericht luidt als volgt:

"In het kader van zijn wettelijke taak verricht de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst onderzoek naar verbanden tussen de verbreiding van het salafisme ('dawa'), radicalisering en terrorisme.

Het salafisme is een uiterst orthodoxe interpretatie van de islam, die gemakkelijk kan leiden tot intolerante opvattingen en anti Westerse sentimenten. In de AIVD-nota Saoedische invloeden in Nederland (2004) heeft de AIVD reeds aangegeven dat in Nederland zich een klein aantal moskeeën van salafistische signatuur bevindt. In deze moskeeën worden radicale, sterk anti integratieve opvattingen uitgedragen, die bij toehoorders het beeld kunnen bevestigen dat de islam bedreigd wordt. In de praktijk is dat gevoel vaak bepalend voor de bereidheid in radicale kringen zich daadwerkelijk op het jihadistische pad te begeven. Gebleken is dat sommige moslimjongeren hierdoor vatbaar zijn geworden voor rekruteringspraktijken.

De AIVD heeft vastgesteld dat de moskee Al Fourkaan, stichting Islamitisch Cultureel Centrum, Otterstraat 2, 5622 AL Eindhoven, een centrum is waar het salafisme actief wordt uitgedragen. Het gaat daarbij om de sterk anti-Westerse en anti-integratieve stroming binnen het salafisme (salafiyya ilmiyya). Onder verwijzing naar de AIVD-nota Van dawa tot jihad kan de prediking in Al Fourkaan worden aangeduid als openlijke 'dawa': het propageren van exclusivisme en parallellisme die leidt tot radicaal puritanisme. Zoals gesteld in voornoemde nota vormt dit een gevaar voor de democratische rechtsorde en daarmee voor de nationale veiligheid.

Onderstaande informatie heeft de AIVD uit betrouwbare bronnen verkregen.

In hun preken laten de imams van Al Fourkaan duidelijk hun afkeuring blijken over Westerse samenleving. Ook dragen zij in hun preken gedachten uit over een vergaande afzondering en mijding van andersgezinden, waarmee feitelijk wordt aangezet tot een extreem isolationisme. De daarmee gepaard gaande oriëntatie op de eigen gemeenschap van ware moslims en afwijzing van ongelovige buitenstaanders kan leiden tot een intolerantie ten aanzien van iedereen die niet de streng puriteinse islamopvatting van het salafisme aanhangt, en tot tendensen om de islamitische wet boven de Nederlandse wetgeving te stellen. Gebleken is dat een aantal reguliere bezoekers van Al Fourkaan als gevolg van de gepredikte leer in dergelijke gedachten van extreem isolationisme, intolerantie en 'eigenrichting' gesterkt wordt.

Binnen Al Fourkaan is een radicale onderstroom aanwezig van reguliere bezoekers met jihadistische sympathieën. De anti Westerse en isolationistische prediking van de imams van Al Fourkaan, vooral het door de imams aangehaalde thema van de 'bedreigde, onderdrukte en aangevallen islam', kunnen toehoorders met radicale sentimenten verder in hun overtuiging versterken en hierin de 'gezochte' rechtvaardiging vinden om zich daadwerkelijk met jihadisme in te laten. In die zin vormen de activiteiten in en rond Al Fourkaan een broedplaats voor radicalisering, zowel in de extreem isolationistische als in de jihadistische zin.

Vastgesteld is dat het bestuur en de imams van Al Fourkaan deze radicale onderstroom binnen Al Fourkaan niet effectief bestrijden. Juist vanwege de vooraanstaande rol die een imam speelt binnen de islamitische geloofsgemeenschap dragen zij door hun optreden willens en wetens bij aan de voedingsbodem voor radicalisering, zowel in de extreem isolationistische als in de jihadistische zin.

Ook is vastgesteld dat rekruteurs zich in het verleden hebben gericht op de radicale onderstroom binnen Al Fourkaan, daarbij gebruik makend van het feit dat zij nauwelijks tot geen weerstand ondervonden van bestuur en imams. Tijdens het KLPD-onderzoek naar een in 2002 aangehouden verdachte van rekrutering voor de jihad is gebleken dat hij door de leiding van Al Fourkaan in staat was gesteld om als docent een studiegroep te leiden. Eén van de twee in Kashmir omgekomen gerekruteerde jongens maakte deel uit van deze studiegroep. In een tijdens een huiszoeking aangetroffen document spreekt genoemde verdachte zijn dank uit aan de verantwoordelijken van Al Fourkaan en met name één van de Imams "voor het feit dat hij mij deze kans heeft gegeven".

De AIVD beschikt over informatie waaruit blijkt dat een aantal van de in 2002 van rekrutering verdachte personen Al Fourkaan nog steeds bezoekt. Uit de uitzending van het televisieprogramma Zembla op 10 februari jl. blijkt dat de leiding van Al Fourkaan dit desgevraagd heeft bevestigd. Het blijkt dat bestuur en imams van Al Fourkaan niet bereid zijn doortastend tegen rekruteringspraktijken op te treden.

Al Fourkaan oefent aantrekkingskracht uit op salafisten van verschillende gezindten (ook jihadistische) in heel Europa. Sinds eind jaren negentig zijn er honderden bezoekers uit het buitenland naar Al Fourkaan gekomen, aangetrokken door het salafistische gedachtegoed dat aldaar wordt uitgedragen.

De AIVD heeft vastgesteld dat in Al Fourkaan preken zoals hiervoor bedoeld worden gehouden door:

Naam : [appellant]

Voornamen : [...] (alias [alias])

Geboortedatum : [...] 1971

Geboorteplaats : [geboorteplaats], Kenya

Nationaliteit : Keniaans

Verblijfstatus : VTV tot 6 juli 2005

Als imam is [appellant] binnen Al Fourkaan één van de meest invloedrijke personen. Als zodanig is hij direct (mede) verantwoordelijk voor hetgeen hiervoor over Al Fourkaan is gesteld.

Op grond van de hiervoor gepresenteerde bevindingen komt de AIVD tot de conclusie dat betrokkene willens en wetens bijdraagt aan het uitdragen van de salafiyya ilmiyya en het propageren van exclusivisme en parallellisme en daarmee mede verantwoordelijk is voor het ontstaan van voedingsbodem voor radicaal puritanisme en de vatbaarheid voor rekrutering voor de jihad. Tevens kan betrokkene nalatigheid worden verweten wegens het niet bestrijden van de jihadistische elementen en de rekrutering binnen Al Fourkaan.

Op grond van voorstaande stelt de AIVD dat betrokkene een gevaar vormt voor de nationale veiligheid."

2.3.4. Na kennisneming van de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende stukken, is de Afdeling van oordeel dat deze een voldoende feitelijke grondslag vormen voor de in het ambtsbericht vermelde omstandigheden en gebeurtenissen met betrekking tot de Al Fourkaan moskee en de betrokkenheid van de vreemdeling daarbij. Dat de vreemdeling naar gesteld geen weet heeft gehad van hetgeen zich in en rond de moskee afspeelde, is gelet op evengenoemde stukken niet aannemelijk, nog daargelaten dat hij reeds vanwege zijn positie daarvoor mede verantwoordelijk kan worden gehouden. Tot die verantwoordelijkheid behoort in dit verband ook dat hij zich rekenschap had moeten geven van de effecten die zijn prediking onder de gegeven omstandigheden zou kunnen hebben.

Ook dit onderdeel van grief III faalt.

2.4. In grief IV klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het opvragen van nadere informatie bij de AIVD en het in kennis stellen van de vreemdeling van deze informatie zich niet verhouden met de geheimhoudingsplicht van de AIVD en dat de vreemdeling dan ook niet wordt gevolgd in zijn stelling dat de minister gehouden zou zijn om nadere vragen te stellen.

In grief VII klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij de niet aan de vreemdeling ter kennis gebrachte stukken die aan het ambtsbericht ten grondslag liggen, heeft ingezien en aldus de door de minister gemaakte afwegingen op basis van die stukken heeft beoordeeld en dat, nu de rechtbank als onafhankelijke rechterlijke instantie deze inzage heeft gehad, de vreemdeling in zijn nadelige bewijspositie is gecompenseerd en er geen sprake is van strijd met het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).

De vreemdeling betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat hij bij een inbreuk op zijn grondrechten recht heeft op een procedure op tegenspraak ("adversarial proceedings") hetgeen zijns inziens meebrengt dat hij op enigerlei wijze de beschikking krijgt over de feitelijke grondslag van het ambtsbericht. Ter toelichting op grief IV voert de vreemdeling voorts aan dat de overweging waartegen deze grief zich richt onbegrijpelijk is, nu immers de minister naar aanleiding van de door de vreemdeling in zijn zienswijze opgeworpen vragen de AIVD een aantal vragen heeft voorgelegd, waarop deze dienst schriftelijk heeft gereageerd.

2.4.1. In het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 20 juni 2002, nr. 50963/99, Al Nashif tegen Bulgarije (JV 2002/239), is het volgende overwogen:

"123. Even where national security is at stake, the concepts of lawfulness and the rule of law in a democratic society require that measures affecting fundamental human rights must be subject to some form of adversarial proceedings before an independent body competent to review the reasons for the decision and relevant evidence, if need be with appropriate procedural limitations on the use of classified information (…)".

De rechtbank en de Afdeling hebben de niet aan de vreemdeling ter kennis gebrachte stukken die ten grondslag liggen aan het ambtsbericht ingezien en aldus de door de minister gemaakte afweging op basis van die stukken beoordeeld. Uit voornoemd arrest, noch uit de arresten van 1 maart 2005, nr. 14015/02, Haliti tegen Zwitserland (JV 2005/373), van 8 juni 2006, nr. 10337/04, Lupsa tegen Roemenië (JV 2006/311) en van 28 juni 2007, nr. 31753/02, Kaya tegen Duitsland (JV 2007/437), is af te leiden dat slechts sprake is van "adversarial proceedings" wanneer de vreemdeling de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende stukken of samenvattingen daarvan mag inzien, dan wel een derde voor hem in de gelegenheid wordt gesteld om op de feitelijke bevindingen van de rechter, na kennisneming van die stukken alleen door die derde, te reageren.

Ten betoge dat het onbegrijpelijk is dat zijn verzoek om de AIVD nadere vragen te stellen over de feitelijke grondslag van het ambtsbericht is afgewezen, heeft de vreemdeling aangevoerd dat de minister eerder wel vragen aan de AIVD heeft gesteld.

Deze vragen betreffen het verzoek van de minister aan de AIVD om te reageren op de kanttekeningen die de vreemdeling in zijn zienswijze over het voornemen om hem ongewenst te verklaren heeft geplaatst bij het ambtsbericht. De minister heeft de AIVD verzocht hierop te reageren ten behoeve van het te nemen besluit inzake de ongewenstverklaring van de vreemdeling. In de reactie van de AIVD is louter ingegaan op in de zienswijze gestelde tegenstrijdigheden met andere publicaties van de AIVD en uitlatingen van haar directeur in de media. Over de feitelijke grondslag van het ambtsbericht is geen nadere informatie verstrekt, zodat geen sprake is van een precedent.

Het betoog ter afsluiting van de toelichting bij grief IV dat gelet op hetgeen in de grieven I tot en IV is aangevoerd de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister het ambtsbericht als uitgangspunt heeft kunnen nemen voor de door de vreemdeling bestreden besluiten, treft blijkens het voorgaande geen doel.

De grieven falen.

2.5. In grief IX klaagt de vreemdeling dat de rechtbank hem ten onrechte niet heeft gevolgd in zijn standpunt dat, nu een periode van ruim twee jaar is verstreken tussen het door de AIVD ingestelde onderzoek en het besluit op bezwaar van 26 januari 2006 waarbij het besluit van 15 juni 2005 is gehandhaafd, dit onderzoek niet meer de conclusie rechtvaardigt dat ten tijde van het besluit van 26 januari 2006 sprake was van een bedreiging van de openbare orde die actueel was.

In grief X wordt voorts betoogd dat, omdat niet is vastgesteld dat de mogelijke gevolgen van de gedragingen van de vreemdeling zich daadwerkelijk hebben gemanifesteerd, diens ongewenstverklaring een preventief karakter heeft en dat dit in strijd is met artikel 27 van Richtlijn 2004/38/EG.

2.5.1. Bij Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de unie en hun familieleden (hierna: Richtlijn 2004/38) is onder meer Richtlijn 64/221/EEG van de Raad van 25 februari 1964 voor de coördinatie van de voor vreemdelingen geldende bijzondere maatregelen ten aanzien van verplaatsing en verblijf, die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid (hierna: Richtlijn 64/221), ingetrokken met ingang van 30 april 2006. Artikel 3 van Richtlijn 64/221 bepaalde dat, voor zover hier van belang, maatregelen van openbare orde of openbare veiligheid uitsluitend berusten op het persoonlijk gedrag van de betrokkene.

In artikel 27, tweede lid, van Richtlijn 2004/38 is bestendige jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het HvJEG) inzake de uitlegging van het begrip openbare orde, zoals verwoord in artikel 3 van Richtlijn 64/221, vastgelegd. Zoals het arrest van het HvJEG van 31 januari 2006, Commissie/Spanje, C-503/03, Jur. I-1097 (JV 2006/123) bevestigt, ziet deze uitlegging ook op het geval waarin de vreemdeling onderdaan van een derde staat is die gehuwd is met een onderdaan van een lidstaat.

In het arrest van het HvJEG van 27 oktober 1977, Bouchereau, 30/77, Jur. blz. 1999 (RV 1977, 87), is overwogen dat het aan de nationale autoriteiten en eventueel aan de nationale rechterlijke instanties is in elk afzonderlijk geval te oordelen over het bestaan van een persoonlijk gedrag dat een actuele bedreiging van de openbare orde vormt, gelet op de bijzondere rechtspositie van de onder het gemeenschapsrecht vallende personen en op het fundamentele karakter van het beginsel van het vrij verkeer van personen (punten 28 - 30). De specifieke omstandigheden die een beroep op het begrip openbare orde zouden kunnen rechtvaardigen, kunnen naar land en tijd verschillen; mitsdien moet ten deze aan de bevoegde nationale autoriteiten een beoordelingsmarge worden toegekend, binnen de door het Verdrag en de ter uitvoering daarvan vastgestelde bepalingen gestelde grenzen (punt 34; vergelijk ook het arrest van het HvJEG van 10 juli 2008, Jipa, C 33/07, punt 23).

In het arrest van het HvJEG van 29 april 2004, Orfanopoulos en Oliveri, C 482/01 en C 493/01, Jur. I-5257 (JV 2004/227), wordt overwogen dat noch de bewoordingen van artikel 3 van Richtlijn 64/221 noch de rechtspraak van het HvJEG precieze aanwijzingen geven over het tijdstip op basis waarvan moet worden bepaald of de bedreiging "actueel” is.

2.5.2. Zoals hiervoor is overwogen vormen de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende stukken voldoende feitelijke grondslag voor de in het ambtsbericht vermelde omstandigheden en gebeurtenissen met betrekking tot de Al Fourkaan moskee en de betrokkenheid van de vreemdeling daarbij. De AIVD heeft op grond van voormelde omstandigheden en gebeurtenissen geconcludeerd dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid.

In aanmerking genomen dat de vreemdeling blijkens zijn verklaringen volhardt in zijn houding en dat het gevaar van radicalisering en terrorisme nog immer actueel is, moet ervan worden uitgegaan dat de conclusie van de AIVD ook ten tijde van het besluit van 26 januari 2006 gold.

Het betoog dat de ongewenstverklaring (slechts) een preventief karakter heeft treft derhalve, voor zover het de gedragingen van de vreemdeling betreft, geen doel.

De grief faalt.

2.6. In grief V klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister op goede gronden aan het door de overheid te behartigen algemeen belang, dat is gelegen in bescherming van de openbare orde en de nationale veiligheid, meer gewicht heeft toegekend dan aan het persoonlijk belang van de vreemdeling dat is gediend met het in Nederland uitoefenen van familie- of gezinsleven met zijn echtgenote en kinderen. Daartoe wordt – samengevat weergegeven - aangevoerd dat de inbreuk op het gezinsleven van de vreemdeling, zoals beschermd door artikel 8 van het EVRM, disproportioneel is, althans dat niet (kenbaar) een op de concrete zaak toegespitste belangenafweging heeft plaatsgevonden.

2.6.1. Blijkens het besluit van 15 juni 2005 waarbij de vreemdeling ongewenst is verklaard, is de minister van oordeel dat de aanwezigheid van de vreemdeling in Nederland een dusdanig ernstige bedreiging voor de openbare orde, de nationale veiligheid en de internationale betrekkingen vormt dat de bescherming van deze fundamentele belangen zwaarder dient te wegen dan het belang van de vreemdeling dat is gediend met het hier te lande kunnen uitoefenen van familie- of gezinsleven met zijn echtgenote en zijn kinderen. Daartoe heeft de minister in aanmerking genomen dat de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier onder de beperking 'het verrichten van arbeid in loondienst als godsdienstleraar' steeds een tijdelijk karakter heeft gehad en hij slechts een korte periode hier te lande rechten heeft ontleend aan het gemeenschapsrecht, dat de beëindiging van het verblijfsrecht van de vreemdeling niet leidt tot stopzetting van de medische behandeling van zijn minderjarige zoon nu diens uitzetting niet aan de orde is, dat de echtgenote en de kinderen van de vreemdeling in het bezit zijn van een Zweeds paspoort en de Zweedse nationaliteit hebben en gesteld noch gebleken is dat de vreemdeling geen toegang zou hebben tot Zweden of tot zijn land van herkomst, Kenya, en dat de kinderen dermate jong zijn dat niet kan worden gesteld dat zij in de Nederlandse samenleving geworteld zijn. In het advies van de ACVZ, dat wat betreft de strekking en de overwegingen deel uitmaakt van het besluit op bezwaar van 26 januari 2006 waarbij het besluit van 15 juni 2005 is gehandhaafd, wordt voorts in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat de vreemdeling, zijn echtgenote en kinderen een bijzondere band met Nederland hebben opgebouwd. Daartoe wordt in het advies gewezen op de jeugdige leeftijd van de kinderen, het korte verblijf van de echtgenote in Nederland en de omstandigheid dat de vreemdeling ondanks een verblijf van bijna tien jaar op geen enkele wijze heeft laten blijken het Nederlands machtig te zijn.

De klacht dat geen kenbare belangenafweging heeft plaatsgevonden mist derhalve feitelijke grondslag.

De vreemdeling heeft ter motivering van zijn standpunt dat de inbreuk op zijn gezinsleven disproportioneel is, gewezen op de duur van zijn verblijf in Nederland, het ontbreken van iedere strafrechtelijke vervolging, het feit dat de verweten gedragingen hem nooit eerder in enig verband zijn tegengeworpen en dateren van na het ontstaan van zijn huwelijk, de jonge leeftijd en gezondheidssituatie van zijn kinderen en de problemen voor het gezin zich elders te vestigen.

Hetgeen in de grief omtrent deze aspecten is aangevoerd geeft in het licht van hetgeen de minister hierover in de besluiten van 15 juni 2005 en 26 januari 2006 heeft overwogen en in aanmerking genomen de redenen die aan de ongewenstverklaring van de vreemdeling ten grondslag liggen, geen aanleiding voor het oordeel dat de minister ten onrechte niet heeft geoordeeld dat geen sprake is van een "fair balance" tussen enerzijds het belang van de vreemdeling bij familie- of gezinsleven hier te lande en anderzijds het belang van de bescherming van de openbare orde.

De grief faalt.

2.7. In grief VI klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat - samengevat weergegeven – artikel 9 van het EVRM niet is geschonden. Daartoe wordt aangevoerd dat de ongewenstverklaring niet voldoet aan het in het tweede lid van artikel 9 van het EVRM opgenomen vereiste dat beperking van het in het eerste lid vermelde recht op vrijheid van godsdienst bij de wet moet zijn voorzien. Bij gebrek aan enige nationale regelgeving over de inhoud van het begrip 'nationale veiligheid' kon de vreemdeling niet voorzien dat zijn handelen of nalaten daarmee in strijd was, zodat de vreemdeling zijn gedrag daar niet op kon afstemmen.

2.7.1. In het arrest van het EHRM van 20 juni 2002, nr. 50963/99, Al Nashif tegen Bulgarije (JV 2002/239), is het volgende overwogen:

"121. (…)

It considers that the requirement of "foreseeability" of the law does not go so far as to compel States to enact legal provisions listing in detail all conduct that may prompt a decision to deport an individual on national security grounds. By the nature of things, threats to national security may vary in character and may be unanticipated or difficult to define in advance."

Anders dan in de grief wordt betoogd, bevat dit arrest geen aanknopingspunten voor de stelling van de vreemdeling dat hij bij gebrek aan voorafgaande nadere concretisering niet kon voorzien dat zijn handelen en nalaten in strijd was met de nationale veiligheid, een – naar de rechtbank terecht heeft geoordeeld – dynamisch begrip, dat zich bezwaarlijk voor nadere definiëring leent. In dit verband wordt ook verwezen naar het arrest van het EHRM van 24 april 2008, nr. 1365/07, C.G. e.a. tegen Bulgarije (JV 2008/264):

"It is true that the notion of "national security" is not capable of being comprehensively defined (…) It may, indeed, be a very wide one, with a large margin of appreciation left to the executive to determine what is in the interests of that security. However, that does not mean that its limits may be stretched beyond its natural meaning."

Het betoog dat de inzichten over hetgeen van de vreemdeling verwacht mocht worden met name zijn ontstaan na november 2004, terwijl de informatie die aan het ambtsbericht ten grondslag ligt zich niet over die periode uitstrekt, treft geen doel. Gelet op hetgeen uit het ambtsbericht blijkt aan gedragingen en nalaten, heeft de vreemdeling niet kunnen menen dat nadat voornoemde gedragingen en nalaten bekend werden, deze niet tot optreden van de autoriteiten zouden leiden. Het optreden was derhalve in zoverre 'foreseeable'. Nu voorts, zoals onder 2.5.2 is overwogen, de vreemdeling blijkens zijn verklaringen volhardt in zijn opvattingen, gold de conclusie van de AIVD ook ten tijde van het besluit van 26 januari 2006.

2.7.2. De vreemdeling stelt voorts dat artikel 9, tweede lid, van het EVRM is geschonden omdat niet wordt voldaan aan het proportionaliteits- en subsidiariteitsvereiste. Daartoe betoogt hij dat een rechtstreeks verband tussen zijn gedragingen en radicalisering van bezoekers van de Al Fourkaan moskee nimmer is aangetoond, dat hij niet op de hoogte is geweest van de aanwezigheid van reguliere bezoekers met jihadistische sympathieën zodat hem niet verweten kan worden dat hij daartegen niet is opgetreden, dat hem niet verweten wordt dat hij deze heeft aangewakkerd, dat hem op geen enkele wijze bekend kon zijn wat van hem werd verwacht, dat uit wetenschappelijke rapportages blijkt dat de politieke en apolitieke salafi's zoals de vreemdeling geen opstapje naar maar een drempel tegen jihadistische standpunten zijn en dat de stelling dat door zijn ongewenstverklaring ongewenste ontwikkelingen worden tegengegaan speculatief is.

Dit betoog treft geen doel. Uit hetgeen is overwogen ten aanzien van de hiervoor beoordeelde grieven volgt dat de conclusie van de rechtbank dat de minister in redelijkheid tot de slotsom heeft kunnen komen dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid en dat de minister de vreemdeling ongewenst heeft kunnen verklaren op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c en e, van de Vw 2000, niet met vrucht is bestreden. Hetzelfde geldt voor het betoog dat de ongewenstverklaring geen effectief middel is.

2.7.3. Verder stelt de vreemdeling zich op het standpunt, onder verwijzing naar het arrest van het EHRM van 20 september 1994, nr. 13470/87, A295 A, Otto Preminger Instituut tegen Oostenrijk (NJ 1995, 366), dat de gestelde inbreuk op zijn vrijheid van godsdienst niet "necessary in a democratic society" is nu deze onverenigbaar is met de eisen van pluralisme, tolerantie en verdraagzaamheid zonder welke die democratische samenleving niet kan bestaan.

Ook dit betoog treft geen doel, nu, zoals hierboven overwogen, de conclusie van de rechtbank dat de minister in redelijkheid tot de slotsom heeft kunnen komen dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid en dat de minister de vreemdeling ongewenst heeft kunnen verklaren op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c en e, van de Vw 2000, niet met vrucht is bestreden.

2.7.4. Ten slotte voert de vreemdeling onder verwijzing naar grief V aan dat geen concrete op de individuele zaak toegespitste belangenafweging heeft plaatsgevonden.

Hetgeen in grief V is aangevoerd betreft het gestelde ontbreken van een belangenafweging in het kader van artikel 8, tweede lid, van het EVRM. Nu wat betreft het gestelde ontbreken van een belangenafweging in het kader van artikel 9, tweede lid, van het EVRM door de vreemdeling is volstaan met een verwijzing naar grief V, wordt verwezen naar hetgeen met betrekking tot die grief is overwogen.

De grief faalt.

2.8. In grief VIII klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het in artikel 14 van het EVRM vervatte verbod van discriminatie op grond van nationaliteit niet is geschonden. Daartoe betoogt hij dat de 'dawa' in Nederland in verschillende moskeeën wordt gepredikt, doch dat alleen is opgetreden tegen imams die niet de Nederlandse nationaliteit bezitten, te weten de vreemdeling en een mede-imam. In grief X wordt in dit verband gewezen op "het Europese discriminatieverbod".

2.8.1. De enkele omstandigheid dat in sommige moskeeën een vergelijkbaar gedachtegoed wordt uitgedragen betekent niet dat sprake is van vergelijkbare situaties die om een vergelijkbare aanpak vragen. Dat in andere moskeeën waar de 'dawa' wordt gepredikt een vergelijkbare situatie bestaat, is niet gebleken. Overigens is van de zijde van de staatssecretaris verklaard, onder verwijzing naar de "hindermacht" van de AIVD, dat geenszins de situatie bestaat dat aan Nederlanders geen strobreed in de weg wordt gelegd.

De grief faalt.

2.9. In grief X klaagt de vreemdeling dat de rechtbank onvoldoende inhoudelijk heeft gereageerd op hetgeen hij op grond van het EU-recht tegen het besluit van 26 januari 2006 heeft aangevoerd. Daartoe wijst hij op het betoog dat hetgeen hem wordt verweten actualiteit mist, dat de ongewenstverklaring in strijd is met het Europees discriminatieverbod omdat jegens Nederlandse onderdanen die als imam de 'dawa' prediken geen maatregelen worden genomen, dat de ongewenstverklaring in strijd is met het proportionaliteits- en subsidiariteitsvereiste omdat hij niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de interpretaties van zijn preken door derden en omdat de ongewenstverklaring geen effectief middel is om radicalisering en jihadisering tegen te gaan, dat in het advies van de ACVZ hem geen concrete gedragingen worden verweten, dat de ongewenstverklaring in strijd is met het effectiviteitsvereiste dat in artikel 27 van Richtlijn 2004/38/EG besloten ligt omdat niet is vastgesteld dat de mogelijke gevolgen van zijn gedragingen zich daadwerkelijk hebben gemanifesteerd en de ongewenstverklaring een preventief karakter heeft.

Blijkens hetgeen hiervoor is overwogen kan de grief niet tot het ermee beoogde doel leiden, zodat deze faalt.

2.10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. M.G.J. Parkins de Vin, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. De Groot

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2008

210.

Verzonden: 7 oktober 2008

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak