Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BG1165

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-10-2008
Datum publicatie
22-10-2008
Zaaknummer
200707470/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 augustus 2007, kenmerk 5.3/2007010657, heeft het college van gedeputeerde staten van Drenthe (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Aa en Hunze (hierna: de raad) bij besluit van 20 december 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Zandwinning Gasselterveld".

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Ontgrondingenwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2009, 58 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
JOM 2008/855
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707470/1.

Datum uitspraak: 22 oktober 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de stichting Milieu Federatie Drenthe, gevestigd te Assen,

2. Staatsbosbeheer, gevestigd te Driebergen,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Drenthe,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 augustus 2007, kenmerk 5.3/2007010657, heeft het college van gedeputeerde staten van Drenthe (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Aa en Hunze (hierna: de raad) bij besluit van 20 december 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Zandwinning Gasselterveld".

Tegen dit besluit hebben de Stichting Milieu Federatie Drenthe (hierna: de Federatie) bij brief, bij de Raad van State ingekomen 24 oktober 2007 en Staatsbosbeheer bij brief, bij de Raad van State ingekomen 25 oktober 2007, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. De raad, het college en Zandzuigbedrijf Gasselte B.V. (hierna: Gasselte B.V.) hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

Gasselte B.V. en Staatsbosbeheer hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 september 2008, waar de Federatie, vertegenwoordigd door [gemachtigde], Staatsbosbeheer, vertegenwoordigd door mr. drs. M. Uittenbos, drs. E.A.J. Wanders, A.A. Witvoet en B. Jenster, en het college, vertegenwoordigd door G. Folmer, J. Grotenhuis en C. Schaafsma, ambtenaren in dienst van de provincie.

Voorts zijn daar gehoord de raad, vertegenwoordigd door J. ten Cate-Pekel, ambtenaar in dienst van de gemeente, en Gasselte B.V., vertegenwoordigd door mr. M.B.W. Litjens, advocaat te Assen.

2. Overwegingen

2.1. Gasselte B.V. heeft ter zitting betoogd dat het beroep van Staatsbosbeheer niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat het niet is ingediend door de directeur van Staatsbosbeheer, zoals in artikel 13, derde lid, van de Wet verzelfstandiging Staatsbosbeheer is voorgeschreven, maar door de directeur van Staatsbosbeheer regio Noord.

2.1.1. Artikel 13, derde lid, van de Wet verzelfstandiging Staatsbosbeheer bepaalt dat Staatsbosbeheer in en buiten rechte wordt vertegenwoordigd door de directeur.

2.1.2. De Afdeling leidt uit de brief van de directeur van Staatsbosbeheer van 14 november 2007 af dat hij de directeur Staatsbosbeheer regio Noord heeft gemachtigd om namens Staatsbosbeheer beroep in te stellen tegen het besluit van het college betreffende de goedkeuring van het bestemmingsplan Zandwinning Gasselterveld. Gezien die machtiging is bevoegd beroep ingesteld. Dit betoog van Gasselte B.V. faalt.

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.3. Het plan voorziet in een uitbreiding van de winplaats voor beton- en metselzand in het Gasselterveld tot 1 januari 2013 en een natuurbestemming nadien.

Beroepsgronden van de Federatie en Staatsbosbeheer

2.4. De Federatie en Staatsbosbeheer betogen dat het college het plan ten onrechte heeft goedgekeurd, aangezien door het winnen van zand in het Gasselterveld de Ecologische Hoofd Structuur (hierna: EHS) nog verder wordt aangetast, zonder dat daarvoor zwaarwegende maatschappelijke redenen zijn. Volgens hen dient het beleid van het college om zoveel mogelijk te voorzien in de eigen behoefte aan bouwgrondstoffen hier niet te worden toegepast, omdat het slechts om een relatief kleine zandbehoefte gaat voor een relatief korte periode. Daarbij is er volgens hen onvoldoende onderzoek verricht naar alternatieve winlocaties in de provincie Drenthe en is voorbijgegaan aan de mogelijkheid om van buiten de provincie zand te kopen of te lenen, temeer omdat de meerkosten daarvan slechts tot minimale verhoging van de totale bouwkosten leiden. De Federatie en Staatsbosbeheer hebben hun standpunt dat er binnen en buiten de provincie Drenthe verschillende alternatieven zijn voor de zandwinning in het Gasselterveld onderbouwd met een rapport van Arcadis Nederland B.V. (hierna: Arcadis) van 11 augustus 2008, getiteld "Industriezand in Groningen en Drenthe", waaruit volgens hen blijkt dat er in de komende 10 jaar voldoende beton- en metselzand beschikbaar zal zijn in Groningen en Drenthe en dat er door de toegenomen marktwerking na 2009 zand kan worden aangevoerd uit de provincies Groningen en Overijssel of uit Duitsland.

Verder betogen zij, kort weergegeven, dat de natuurcompensatie die wordt aangeboden voor de aantasting van de EHS niet voldoet aan de op de Nota Ruimte gebaseerde "Spelregels EHS", die er immers van uitgaan dat de planologische regeling van de compensatiemaatregelen gelijktijdig plaatsvindt met de planologische ingreep in de EHS. Zonder die eis van gelijktijdigheid is het volgens hen niet gegarandeerd dat de natuurcompensatie plaatsvindt op de voorgestelde wijze, temeer nu ook op dit moment nog geen gronden ten behoeve van die compensatie zijn bestemd of aangekocht. De wijze waarop de compensatie moet worden uitgevoerd had volgens hen moeten worden vastgelegd in een publiekrechtelijk besluit dat een ieder bindt en niet in de privaatrechtelijke overeenkomst die op 28 augustus 2007 is gesloten tussen Gasselte B.V., de provincie en de gemeente Aa en Hunze, reeds omdat geen van die partijen eigenaar is van gronden die voor compensatie in aanmerking komen. Ook kan die overeenkomst nadien worden gewijzigd. Bovendien laat die overeenkomst volgens hen ten onrechte toe dat kan worden volstaan met financiële compensatie.

2.4.1. Het college stelt dat deze uitbreiding van de winning van beton- en metselzand in het Gasselterveld is voorzien in het Provinciaal Omgevingsplan (hierna: POP II) en voldoet aan de daarin opgenomen beleidsuitgangspunten van zelfvoorziening in de provinciale bouwstoffenbehoefte, concentratie van de oppervlaktedelfstoffenwinning in de grootste en de meest hoogwaardige winplaatsen en continuïteit van de zandvoorziening. Volgens hem dienen die beleidsuitgangspunten ook in deze tijdelijke situatie zoveel mogelijk gevolgd te worden, omdat het in de zand- en zandverwerkende sector van wezenlijk belang is altijd over voldoende zand te kunnen beschikken en omdat iedere kleine verstoring van de zandaanvoer aanzienlijke gevolgen kan hebben voor die sector en aldus voor alle lopende bouwprojecten in de provincie Drenthe. Volgens het college is er in de andere provincies onvoldoende geschikt zand beschikbaar om te kunnen lenen en verplicht het lenen van zand bovendien op enig moment tot teruggave. Invoer van zand vanuit Duitsland kan vrijwel alleen per as en leidt daarom tot een ongewenste milieu- en transportdruk. Ondanks de relatief korte periode tot 2013 voor deze winning en ondanks de toenemende mogelijkheden van marktwerking voor grondstoffen blijft het volgens het college nodig zoveel mogelijk te voorzien in de eigen behoefte, om de continuïteit van de branche te waarborgen en de problemen rond de zandbehoefte van de provincie niet naar elders te verschuiven, temeer omdat de bijdrage van beton- en metselzand uit het Gasselterveld in ongeveer 50% van de provinciale behoefte voorziet.

Het standpunt van het college dat er tot het jaar 2013 geen reële alternatieven zijn voor uitbreiding van de zandwinning in het Gasselterveld is gebaseerd op onderzoek van NITG/TNO uit 2000 naar de winmogelijkheden in de provincie en op het milieueffectrapport Gasselterveld van 24 september 2003 (hierna: het MER). Volgens het college volgt daaruit dat er geen andere locatie in de provincie Drenthe is waar voldoende beton- en metselzand van deze kwaliteit tegen vergelijkbare kosten beschikbaar is.

Wat de compensatie betreft stelt het college dat ten tijde van het nemen van het besluit de spelregels EHS nog niet van toepassing waren en de compensatie daarom is getoetst aan het aan de provinciale modelverordening ten grondslag liggende beleid. In de MER, die bij de aanvraag om de ontgrondingsvergunning was gevoegd, is volgens het college genoegzaam weergegeven hoe en in welke mate de aantasting van de natuur in het Gasselterveld zal worden gecompenseerd en op welke locatie deze compensatie bij voorkeur zal plaatsvinden. Voor iedere hectare die voor zandwinning wordt afgegraven worden twee hectare gecompenseerd, waarvan ten minste de helft door middel van het aanplanten van nieuw bos. Bovendien krijgt de winlocatie zelf na afloop van de zandwinning weer een natuurbestemming. Overeenkomstig het beleid van de modelverordening is de uitvoering van de compensatie vastgelegd in de privaatrechtelijke overeenkomst die op 28 augustus 2007 is gesloten tussen Gasselte B.V., de provincie en de gemeente Aa en Hunze (hierna: de Compensatieovereenkomst). Daarin is onder meer bepaald dat de aantasting van de natuurwaarden in de EHS ten gevolge van de zandwinning moet worden gecompenseerd door Gasselte B.V. en indien dat niet mogelijk is door de gemeente Aa en Hunze, zij het op kosten van Gasselte B.V. Namens de raad is die uitleg ter zitting bevestigd. De Compensatieovereenkomst is getekend op de dag waarop het plan is goedgekeurd en de ontgrondingsvergunning is verleend. Uit voorschrift A.11 van die vergunning volgt dat de natuurcompensatie moet worden uitgevoerd overeenkomstig de Compensatieovereenkomst. Volgens het college kon het in dit geval redelijkerwijs niet worden verlangd dat de compensatiegronden al als zodanig waren bestemd vóórdat het plan en de ontgrondingsvergunning onherroepelijk zijn, aangezien de eigenaar van de te ontgronden percelen nog niet vrijwillig meewerkt en het bovendien niet vaststaat hoeveel ha moet worden gecompenseerd, omdat de ontgronding uiterlijk op 1 januari 2013 moet zijn beëindigd, ongeacht hoeveel er op dat moment is ontgrond.

Het oordeel van de Afdeling

2.4.2. Volgens het POP II richt het beleid van de provincie Drenthe zich op een langdurige instandhouding en ontwikkeling van natuur, bos en landschap en op het behoud van archeologische waarden, waarop bepaalde ingrepen slechts onder strikte voorwaarden worden toegestaan indien er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang en onderzoek heeft aangetoond dat er geen alternatieve locaties voorhanden zijn. Het grondstoffenbeleid in het POP II steunt op een zo zuinig mogelijk gebruik van zand en ruimte, een concentratie van winplaatsen, zelfvoorziening en continuititeit. In het POP II staat dat uitbreiding van de bestaande winput te Gasselte noodzakelijk is om de continuïteit in de grondstoffenvoorziening voor de korte termijn veilig te stellen. De natuurwaarden zullen zoveel mogelijk worden gespaard, dan wel gecompenseerd en het ligt in de bedoeling om uiterlijk 1 januari 2013 in de EHS geen beton- en metselzand meer te winnen.

Vast staat dat het plangebied in de EHS ligt, zodat het genoemde beleid daarop van toepassing is. Gezien de beleidsuitgangspunten en gelet op hetgeen is aangevoerd staat ter beoordeling of het college in redelijkheid heeft kunnen aannemen dat er een zwaarwegend maatschappelijk belang is gemoeid met het winnen van beton- en metselzand in de provincie Drenthe, dat er geen reëel alternatief is voor de uitbreiding van de in de EHS gelegen winplaats in het Gasselterveld en dat de aantasting van de natuurwaarden als gevolg van die winning op toereikende wijze zal worden gecompenseerd.

2.4.3. Op grond van de stukken en de zitting moet het er voor worden gehouden dat de huidige winplaats in het Gasselterveld, die ongeveer de helft van de behoefte aan beton- en metselzand in de provincie Drenthe dekt, nagenoeg uitgeput is, zodat het noodzakelijk is om in afwachting van de zandwinning in Echten rond 2013 de continuïteit van de zandvoorziening op een andere wijze veilig te stellen. Het college heeft aannemelijk gemaakt dat de zandverwerkende industrie en de bouwnijverheid zeer gevoelig zijn voor schommelingen in de aanvoer van beton- en metselzand, waardoor het voor de toekomst van die sectoren van wezenlijk belang is dat ook tijdens de relatief korte overbruggingsperiode tot 2013 de continuïteit is veiliggesteld. Daarom is er een zwaarwegend maatschappelijk belang gemoeid met de instandhouding van de zandverwerkingsstructuur in de provincie gedurende die periode. De aanvoer van zand van buiten de provincie gaat ten koste van die structuur, nog daargelaten of dat aanbod toereikend en ook logistiek voldoende uitvoerbaar is. Gelet daarop biedt de omstandigheid dat de winplaats slechts gedurende een relatief korte overbruggingsperiode zal worden gebruikt onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat het college had moeten afwijken van zijn beleid om in de eigen grondstoffenbehoefte te voorzien. Daarbij neemt de Afdeling nog in aanmerking dat gedurende het verloop van deze procedure de omvang van de toegestane uitbreiding in het Gasselterveld is beperkt van aanvankelijk 30, naar 22, tot uiteindelijk 16 ha, om te voorkomen dat meer zand wordt gewonnen dan het genoemd maatschappelijk belang vereist.

2.4.4. Het college heeft zich ter beoordeling van de aanwezigheid van één of meer geschikte winlocaties binnen de provincie Drenthe gebaseerd op het MER. In het MER is onderbouwd waarom van de zeven potentiële locaties in de provincie alleen die in het Gasselterveld voldoet aan de voorwaarden die moeten worden gesteld aan kwaliteit, omvang en beschikbaarheid, zodat er geen alternatieven zijn om af te wegen. De juistheid van de gegevens die aan het MER ten grondslag liggen is als zodanig niet betwist, ook niet in het rapport van Arcadis. Dat rapport bevat weliswaar een inventarisatie van de aanwezige zandbronnen binnen en buiten Drenthe, maar daaruit vloeit geenszins voort dat het redelijkerwijs in aanmerking te nemen alternatieven betreft die bij de afweging betrokken hadden moeten worden. Evenmin kan op grond van dat rapport worden geconcludeerd dat het MER op onjuiste aannames of feiten steunt en ten onrechte alternatieven buiten beschouwing zijn gebleven.

2.4.5. De "Spelregels EHS" van 27 mei 2007 zijn opgesteld door de ministeries van LNV en VROM en de provinciebesturen in het kader van de uitvoering van de Nota Ruimte. Volgens de inleidende bewoordingen daarvan vormen die regels een uitwerking van het compensatiebeginsel in de EHS en dienen deze te worden "vertaald" in de provinciale kaders. Omdat die regels ten tijde van het nemen van het besluit niet in een provinciaal kader waren vastgelegd, was het college op dat moment rechtens niet gebonden aan die regels. Dat het college betrokken is geweest bij het opstellen van die regels betekent niet dat het om die reden niet mocht afwijken van de strekking van die regels en goedkeuring aan het plan had moeten onthouden omdat daarin nog geen percelen waren bestemd voor de compensatie van natuurwaarden. De compensatie die in het MER is voorgesteld heeft de raad aan het beleid dat aan de provinciale modelverordening ten grondslag ligt, getoetst. Daarin is het compensatiebeginsel uit het Structuurschema Groene Ruimte uitgewerkt. Volgens het POP II kan die modelverordening worden toegepast indien een gemeentelijke verordening ontbreekt. Die verordening dwingt er niet toe dat de compensatiegronden gelijktijdig met de winlocatie worden bestemd.

In de genoemde Compensatieovereenkomst is vastgelegd wat de compensatiefactor is, welke fasering moet worden aangehouden en waar de voorkeurs- en alternatieve locaties liggen. Verder voorziet die overeenkomst in een waarborgfonds. In artikel 3 van die overeenkomst is de realisatie van de natuurcompensatie gekoppeld aan de jaarlijks te kappen oppervlakte bos ten behoeve van de ontgronding, in die zin dat ten tijde van het kappen van een deel van het in het exploitatiegebied gelegen bos planologisch voldoende compensatiegrond beschikbaar moet zijn waarover de ontgronder feitelijk de beschikking moet hebben en waarbij de uitvoering van de compensatie uitvoerbaar moet zijn. De compensatie dient binnen twee jaar na aanvang van de kap gerealiseerd te zijn.

De Afdeling leidt uit de Compensatieovereenkomst af dat niet mag worden ontgrond zolang er nog geen compensatiegronden beschikbaar zijn en dat de compensatie op korte termijn na het ontgronden gerealiseerd moet zijn. Voor zover onder bepaalde omstandigheden al kan worden volstaan met financiële compensatie door de aanvrager, komt dit op grond van artikel 4.3 van die overeenkomst ook geheel ten goede aan natuurcompensatie, die in dit geval niet door de aanvrager zelf maar door de gemeente Aa en Hunze zal worden gerealiseerd. Ter zitting heeft Gasselte B.V. in dit verband nog meegedeeld dat, zolang de eigenaar van het Gasselterveld niet aan de ontgronding meewerkt, het aankopen van compensatiegronden risicovol is, maar dat zij inmiddels al wel percelen heeft geïnventariseerd die voor compensatie in aanmerking komen en dat er op grond van de onderhandelingen die daarover zijn gevoerd uitzicht op is dat zij die gronden kan verwerven kort nadat het plan onherroepelijk is.

Gezien de hier geschetste feiten en omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de door de Compensatieovereenkomst geboden compensatie toereikend is voor deze ingreep in de EHS en dat in dit geval, waarin vooraf niet vaststaat hoeveel compensatie dient te worden geboden, de nadere uitwerking en detaillering daarvan ook niet in dit plan is vastgelegd. Tot slot volgt uit voorschrift A.11 van de vergunning op grond van de Ontgrondingenwet dat de compensatie uitgevoerd dient te worden overeenkomstig de Compensatieovereenkomst van 28 augustus 2007, waardoor het in strijd met die vergunning is om de Compensatieovereenkomst nadien te wijzigen.

2.4.6. Het vorenstaande leidt de Afdeling tot het oordeel dat het college er in redelijkheid van heeft kunnen uitgaan dat met de winning van zand in het Gasselterveld een zwaarwegend maatschappelijk belang wordt gediend, waarvoor binnen en buiten Drenthe geen reële alternatieven zijn, en waarbij voldoende is gegarandeerd dat de aantasting van de EHS als gevolg van die winning op toereikende wijze wordt gecompenseerd. De beroepen treffen in zoverre geen doel.

Overige beroepsgronden van Staatsbosbeheer

2.5. Staatsbosbeheer betoogt dat de artikelen 3 en 4 van de planvoorschriften verschrijvingen bevatten, waardoor het niet duidelijk is wat het plan toestaat. In artikel 3 betreft het de omvang van de ontbossing en de daarvoor benodigde compensatie. In artikel 4 gaat het om het tijdstip waarop de zandwinning dient te zijn beëindigd.

2.5.1. Het college stelt zich op het standpunt dat, ondanks de evidente slordigheden in de artikelen 3 en 4 van de planvoorschriften, het op grond van het plan zonder meer duidelijk is welke omvang in artikel 3 is beoogd en welk tijdstip in artikel 4 is beoogd.

2.5.2. Artikel 3 van de planvoorschriften, voor zover hier relevant, luidt: "De initiatiefnemer dient te zorgen voor een kwalitatieve natuurcompensatie van 4460 ha (2230 ha ontbossing maal compensatiefactor 2) in de nabijheid van het plangebied."

Artikel 4 van de planvoorschriften, voor zover hier relevant, luidt: "Deze voorlopige bestemming is van toepassing tot 01-01-2013. Vanaf 01-01-2013 isgeldt voor een periode van 8 jaren na inwerkingtreding van dit bestemmingsplan. Na deze periode verandert de bestemming in de bestemming "natuurontwikkeling", zoals geregeld in artikel 5 van deze voorschriften van toepassing."

2.5.3. De Afdeling stelt vast dat de in artikel 3 genoemde oppervlaktes 4460 en 2230 ha niet stroken met de oppervlakte die blijkens de plankaart en de overige stukken is beoogd en dat hetgeen is beoogd niet af te leiden is uit dat artikel. Verder stelt de Afdeling vast dat de laatste twee volzinnen van artikel 4 verschrijvingen bevatten die afbreuk doen aan de duidelijkheid die de overige stukken bieden over de datum waarop de zandwinning moet zijn beëindigd, te weten: 1 januari 2013. Die voorschriften zijn vastgesteld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De goedkeuring daarvan is in strijd met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, in samenhang bezien met artikel 3:2 van die wet.

2.6. Staatsbosbeheer betoogt ten slotte dat goedkeuring is verleend voor een geluidzone die ruimer is dan voor de ontgronding nodig is, omdat die zone nog is gebaseerd op een te ontgronden oppervlakte van 22 ha in plaats van de uiteindelijk toegestane 16 ha. Volgens hem voldoet dat niet aan de eisen van een goede ruimtelijke onderbouwing.

2.6.1. De Afdeling stelt vast dat op de plankaart een geluidcontour van 50 dB(A) is weergegeven, zonder dat in de planvoorschriften is bepaald wat die aanduiding inhoudt. Aan die aanduiding komt daarom geen bindende betekenis toe. Hetgeen hierover is aangevoerd treft om die reden geen doel.

2.7. De conclusie is dat het beroep van Staatsbosbeheer gegrond is wat de planvoorschriften 3 en 4 betreft. De Afdeling ziet aanleiding om in zoverre alsnog goedkeuring aan het plan te onthouden op de hieronder weergegeven wijze. Voor het overige geven de beroepen geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen zijn wat dit betreft ongegrond.

2.8. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten voor Staatsbosbeheer is niet gebleken. Er is geen aanleiding voor een veroordeling van het college in de proceskosten van de Federatie.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van Staatsbosbeheer gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Drenthe van 28 augustus 2007, kenmerk 5.3/2007010657, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de in planvoorschrift 3 opgenomen zinsnede "4460 ha (2230" en de in planvoorschrift 4 opgenomen zinsnede "Vanaf (…) toepassing";

III. onthoudt goedkeuring aan het plan, wat de onder II genoemde zinsneden betreft;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 28 augustus 2007, kenmerk 5.3/2007010657;

V. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

VI. gelast dat de provincie Drenthe aan Staatsbosbeheer het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J.C. van Geel, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Van Geel

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2008

157.