Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BG1156

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-10-2008
Datum publicatie
22-10-2008
Zaaknummer
200706663/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 april 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) een vergunning krachtens artikel 16 van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: de Nbw 1998) verleend aan [vergunninghouder] voor het exploiteren van een pluimveehouderij aan de [locatie] te [plaats] in de omgeving van het beschermd natuurmonument "Beuven en omgeving".

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Algemene wet bestuursrecht 7:1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2008, 350 met annotatie van F.C.M.A. Michiels
BR 2009/12
JOM 2008/899
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706663/1.

Datum uitspraak: 22 oktober 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting VMDLT, gevestigd te Enschede, en [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 april 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) een vergunning krachtens artikel 16 van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: de Nbw 1998) verleend aan [vergunninghouder] voor het exploiteren van een pluimveehouderij aan de [locatie] te [plaats] in de omgeving van het beschermd natuurmonument "Beuven en omgeving".

De stichting en [appellant sub 2] hebben bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 september 2007, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun bezwaar tegen het besluit van 3 april 2007.

Bij besluit van 27 september 2007, nummer 1297158/1333089, heeft het college het tegen het besluit van 3 april 2007 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard voor zover ingediend door [appellant sub 2] en ongegrond verklaard voor zover ingediend door de Vereniging Milieudefensie Landbouw Twente (lees: de stichting).

De stichting en [appellant sub 2] hebben bij brief, bij de raad van state ingekomen op 30 oktober 2007 laten weten dat hun beroep mede moet worden geacht te zijn gericht tegen het besluit van 27 september 2007. Zij hebben hun beroep bij deze brief aangevuld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [vergunninghouder] een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Deze is aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 april 2008, waar de stichting en [appellant sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door M. Uittenbosch, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. D. Pool, als belanghebbende gehoord.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend met het oog op het inwinnen van nadere schriftelijke inlichtingen bij de stichting. De stichting heeft naar aanleiding daarvan nadere stukken in het geding gebracht. De andere partijen hebben hierop gereageerd.

De Afdeling heeft de zaak op een tweede zitting behandeld op 5 augustus 2008, waar de stichting en [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, en vergezeld door [bestuurslid] van de stichting en het college, vertegenwoordigd door M. Uitenbosch, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschreven.

Voorts is daar [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. D. Pool, en vergezeld door [gemachtigde], als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ten aanzien van het beroep van de stichting en [appellant sub 2] tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op hun bezwaar, overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat de stichting en [appellant sub 2] nog belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van dit beroep, nu het college bij besluit van 27 september 2007, nummer 1297158/1333089, alsnog een beslissing op bezwaar heeft genomen. Het beroep van de stichting en [appellant sub 2] is in zoverre niet-ontvankelijk.

2.2. [appellant sub 2] betoogt dat het college zijn bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hij voert aan dat hij wel een persoonlijk belang heeft, nu hij stankhinder ondervindt van de pluimveehouderij. [vergunninghouder] voert aan dat het college het bezwaar van de stichting ten onrechte niet niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij voert aan dat de stichting niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden aangemerkt.

2.2.1. Ingevolge artikel 39, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, van de Awb kan uitsluitend een belanghebbende tegen een besluit op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 bezwaar maken.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge het derde lid van dit artikel worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.2.2. [appellant sub 2] woont op een afstand van ongeveer 1800 meter van de pluimveehouderij van [vergunninghouder]. Vanuit zijn woning heeft hij geen zicht op het bedrijf. Mede in ogenschouw genomen de aard en grootte van het bedrijf is niet aannemelijk dat nog milieugevolgen van het bedrijf kunnen worden ondervonden. De omstandigheid dat [appellant sub 2] als bewoner van de streek zich de natuurbelangen aantrekt, acht de Afdeling ontoereikend om te kunnen spreken van een bijzonder individueel belang dat [appellant sub 2] van anderen onderscheidt die zich ook in dit gebied begeven. In zoverre is geen sprake van een rechtstreeks bij het primair besluit betrokken belang van [appellant sub 2]. Ook anderszins is van een zodanig belang niet gebleken. De conclusie is dat [appellant sub 2] geen belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is bij de vergunning.

Het college heeft het bezwaar van [appellant sub 2] derhalve terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Het beroep van [appellant sub 2] voor zover gericht tegen het besluit van 27 september 2007, nummer 1297158/1333089, is ongegrond.

2.2.3. Blijkens artikel 2, eerste lid, van haar statuten stelt de stichting zich ten doel een bijdrage te leveren aan het verminderen van de milieuproblematiek in de meest uitgebreide zin - met inbegrip van de problemen inzake de natuur, het landschap en het welzijn van levende wezens - zowel in Nederland als daarbuiten.

2.2.3.1. Voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb, is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt.

Het statutaire doel van de stichting is zo veelomvattend dat het onvoldoende onderscheidend is om op grond daarvan te kunnen oordelen dat het belang van de stichting rechtstreeks is betrokken bij het bestreden besluit.

Blijkens haar brieven van 13 mei 2008 en 22 juli 2008, zoals ter zitting toegelicht, bestaan de werkzaamheden van de stichting in hoofdzaak uit het initiëren van en participeren in bestuursrechtelijke procedures door het indienen van verzoeken om handhavend op te treden, het naar voren brengen van zienswijzen over ontwerpbesluiten, het maken van bezwaar tegen besluiten en het instellen van beroep.

Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 1 oktober, nr. 200801150/1, kan het in rechte opkomen tegen besluiten als regel niet worden aangemerkt als feitelijke werkzaamheden in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb. Verder is daarin overwogen dat evenmin als feitelijke werkzaamheden als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Awb gelden het indienen van verzoeken om handhavend op te treden en het naar voren brengen van zienswijzen over ontwerpbesluiten, nu beide dienen ter voorbereiding van het in rechte opkomen tegen besluiten.

Voor zover de stichting in haar schrijven van 13 mei 2008 te kennen heeft gegeven onderzoek te hebben verricht naar de directe (fysiologische) gewasschade door ammoniak, overweegt de Afdeling dat ter zitting is gebleken dat dit een literatuurstudie is die is opgesteld ten behoeve van toekomstige bestuursrechtelijke procedures en derhalve niet los kan worden gezien van deze procedures.

Wat betreft de daarin genoemde informatieverstrekking via de website van de stichting is vast komen te staan dat deze website pas na de eerste zitting is opgericht. Ook uit de overige genoemde activiteiten, die incidenteel van aard zijn en betrekking hebben op aangelegenheden in het buitenland, blijkt niet dat de stichting belangen die rechtstreeks bij het bestreden besluit zijn betrokken in het bijzonder behartigt.

2.2.3.2. Gelet op het vorenstaande is niet gebleken dat de stichting krachtens haar statutaire doelstelling en blijkens haar feitelijke werkzaamheden rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belangen in het bijzonder behartigt in de zin van artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb.

De conclusie is dat de stichting niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb bij het primair besluit.

Hieruit volgt dat het college het bezwaar van de stichting ten onrechte niet niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep van de stichting is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover daarbij op het bezwaar van de stichting is beslist. De Afdeling zal het bezwaar van de stichting alsnog niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit.

2.3. Ten aanzien van [appellant sub 2] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Het college dient ten aanzien van de stichting op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van de stichting Stichting VMDLT en [appellant sub 2] niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit;

II. verklaart het beroep van de stichting Stichting VMDLT, voor zover het is gericht tegen het besluit van 27 september 2007, kenmerk 1297158/1333089, gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van 27 september 2007, kenmerk 1297158/1333089, voor zover daarbij op het bezwaar van de stichting Stichting VMDLT is beslist;

IV. verklaart het bezwaar van de stichting Stichting VMDLT niet-ontvankelijk;

V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het in zoverre vernietigde besluit;

VI. verklaart het beroep van [appellant sub 2], voor zover het is gericht tegen het besluit van 27 september 2007, kenmerk 1297158/1333089, ongegrond;

VII. veroordeelt het college tot vergoeding van bij de stichting Stichting VMDLT in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00 (zegge: negenhonderdzesenzestig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Brabant aan de stichting Stichting VMDLT onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VIII. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan de stichting Stichting VMDLT het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. J.H. van Kreveld, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.H. Nienhuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Nienhuis

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2008

466.