Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BG1136

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-10-2008
Datum publicatie
22-10-2008
Zaaknummer
200709052/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 oktober 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een varkenshouderij met opslag en verwerking van bijproducten aan de [locatie 1] te [plaats]. Dit besluit is op 21 november 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 7.2
Wet milieubeheer 7.7
Wet milieubeheer 7.37
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2008/2396
Milieurecht Totaal 2008/2117
JOM 2008/878
JOM 2008/879
JOM 2008/865
OGR-Updates.nl K6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200709052/1.

Datum uitspraak: 22 oktober 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant ] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 oktober 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een varkenshouderij met opslag en verwerking van bijproducten aan de [locatie 1] te [plaats]. Dit besluit is op 21 november 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen [hierna: appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 december 2007, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend.

[appellanten] hebben een nader stuk ingediend. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 september 2008, waar [appellanten], in persoon en bijgestaan door mr. K.T.E. Huisman, advocaat te Den Bosch, P.J.M. van Leest en drs. ing. C. den Hertog, en het college, vertegenwoordigd door mr. G.M. van den Boom, werkzaam bij het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven, ing. W.A.J.M. Michels en ing. J.T.M. Ditters, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting vergunninghoudster, vertegenwoordigd door B. Rijnen en bijgestaan door mr. J.A.J.M. van Houtum, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Volgens het college is het beroep niet-ontvankelijk voor zover het de grond over gezondheidsgevaar voor omwonenden als gevolg van de MRSA-bacterie betreft. Het college stelt verder dat het beroep van [appellanten] niet-ontvankelijk is voor zover de deskundigenrapporten van 17 oktober 2007 en 20 december 2007 worden herhaald en ingelast en voor zover het beroep is aangevuld bij nader stuk van 26 maart 2008, aangezien zij deze rapporten en het nadere stuk niet in het kader van de zienswijzen naar voren hebben gebracht. Het beroep is volgens het college verder niet-ontvankelijk voor zover [appellanten] stellen dat in het bestreden besluit naar het gewenste doel is geredeneerd.

2.1.1. Uit artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht vloeit voort dat in beroep slechts categorieën milieugevolgen als besluitonderdelen aan de orde kunnen worden gesteld waarover een zienswijze naar voren is gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van een zienswijze redelijkerwijs niet kan worden verweten.

2.1.2. [appellanten] stellen dat als gevolg van de MRSA-bacterie gevaar dreigt voor de gezondheid van omwonenden. Hierover hebben zij geen zienswijzen naar voren gebracht. [appellanten] hebben in hun beroepschrift en door het inbrengen van de deskundigenrapporten van 17 oktober 2007 en 20 december 2007 gronden aangevoerd met betrekking tot de luchtkwaliteit. In het deskundigenrapport van 17 oktober 2007 wordt verder gesteld dat in het kader van externe veiligheid ten onrechte is getoetst aan de PGS 15. [appellanten] hebben geen zienswijzen naar voren gebracht over de luchtkwaliteit en externe veiligheid.

Er bestaat geen grond voor het oordeel dat [appellanten] redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij over de categorieën milieugevolgen gezondheid, luchtkwaliteit en externe veiligheid geen zienswijzen naar voren hebben gebracht. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

2.1.3. Voor het overige hebben [appellanten] door het inbrengen van de deskundigenrapporten, gronden aangevoerd die zien op categorieën milieugevolgen waarover [appellanten] zienswijzen naar voren hebben gebracht. In zoverre is het beroep ontvankelijk.

2.1.4. Voor zover het college stelt dat de beroepsgrond dat in het bestreden besluit is geredeneerd naar het gewenste doel niet-ontvankelijk is, overweegt de Afdeling dat dit betoog niet slaagt, omdat het geen aparte beroepsgrond betreft. [appellanten] hebben gesteld dat deze stelling is opgenomen ter onderbouwing van hun algemene betoog dat in het bestreden besluit onvoldoende rekening is gehouden met hun belangen. Die stelling kan daarom niet worden aangemerkt als een eerst in beroep aangevoerde grond. Anders dan het college stelt, bestaat reeds hierom geen reden het beroep in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren.

2.1.5. De bij nader stuk van 26 maart 2008 ingebrachte aanvulling op het beroepschrift heeft betrekking op de intrekking van de vergunningen van de inrichtingen aan de [locatie 2] te [plaats] en de [locatie 3] te [plaats] ten behoeve van de bij het bestreden besluit vergunde inrichting. [appellanten] willen hiermee aanvoeren dat de uitgangspunten van het college bij de uitgevoerde saldering in het kader van ammoniak onjuist zijn. [appellanten] hebben zienswijzen naar voren gebracht met betrekking tot ammoniak. Gelet hierop is het beroep ook in zoverre ontvankelijk.

2.2. Het college stelt dat het door [appellanten] ingediende nader stuk van 26 maart 2008 wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moet worden gelaten. De Afdeling ziet daartoe geen reden, aangezien het college in een nader verweerschrift en ter zitting inhoudelijk op dit stuk heeft gereageerd. Dit in aanmerking genomen, alsmede gezien de aard en inhoud van de stukken, is de Afdeling van oordeel dat de goede procesorde zich er niet tegen verzet dat het nader stuk van 26 maart 2008 en het nadere verweerschrift bij de beoordeling van het beroep worden betrokken.

2.3. Het college stelt dat in het kader van de zienswijzen over het ontwerp-besluit op de onderhavige aanvraag geen gronden over het milieu-effectrapport naar voren konden worden gebracht, aangezien dit ten tijde van de terinzagelegging van het milieu-effectrapport had moeten gebeuren. Gelet hierop is het beroep volgens het college niet-ontvankelijk voor zover het de grond over het milieu-effectrapport betreft.

2.3.1. De Afdeling begrijpt deze stelling aldus dat het college van mening is dat in het onderhavige beroep geen gronden tegen de inhoud van het milieu-effectrapport naar voren gebracht kunnen worden.

2.3.2. Bij de voorbereiding van het bestreden besluit moest een milieu-effectrapport worden gemaakt. Het milieu-effectrapport dient tezamen met de aanvraag om vergunning te worden ingediend. Het college dient naar aanleiding van de ingediende aanvraag en het milieu-effectrapport een ontwerp-besluit op te stellen, waartegen op grond van artikel 3:15 van de Algemene wet bestuursrecht zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht. Uit artikel 7.32 van de Wet milieubeheer volgt dat indien over het ontwerp van het besluit zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht, zienswijzen over het milieu-effectrapport in ieder geval gelijktijdig naar voren kunnen worden gebracht met zienswijzen over het ontwerp-besluit. Tegen de inhoud van het milieu-effectrapport staat geen afzonderlijke beroepsprocedure open. Gelet hierop kunnen gronden over de inhoud van het milieu-effectrapport aan de orde komen in het kader van de procedure tegen het besluit waaraan dat milieu-effectrapport ten grondslag ligt. Er bestaat dan ook geen aanleiding het beroep in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren.

2.4. [appellanten] stellen dat het uitgangspunt van het milieu-effectrapport onjuist is. In het milieu-effectrapport is ten onrechte slechts uitgegaan van de bestaande mogelijkheden binnen de inrichting. Daardoor is het meest milieuvriendelijke alternatief onvoldoende onderzocht, aldus [appellanten].

2.4.1. Uit artikel 7.2 van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 2 van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (hierna: het Besluit) en categorie 14 van onderdeel C van de Bijlage bij het Besluit volgt dat voor de voorbereiding van het bestreden besluit het maken van een milieu-effectrapport is vereist.

Ingevolge artikel 7.10, eerste lid, aanhef en onder b, d, e en f, van de Wet milieubeheer dient in het kader van een milieu-effectrapport aandacht te worden besteed aan onder meer de voorgenomen activiteit en de wijze waarop zij zal worden uitgevoerd, en de alternatieven daarvoor, die redelijkerwijs in beschouwing dienen te worden genomen.

Ingevolge artikel 7.37, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wet milieubeheer vermeldt de motivering van een besluit in ieder geval de wijze waarop rekening is gehouden met de in het milieu-effectrapport beschreven gevolgen voor het milieu van de activiteit waarop het besluit betrekking heeft en hetgeen is overwogen omtrent de in het milieu-effectrapport beschreven alternatieven.

2.4.2. Volgens het gestelde in het milieu-effectrapport zijn de milieu-effecten van het gekozen alternatief niet onaanvaardbaar, hetgeen door [appellanten] niet wordt bestreden.

Naar het oordeel van de Afdeling kan gelet hierop uit de redactie noch uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 7.37 van de Wet milieubeheer worden afgeleid dat vergunning voor het gekozen alternatief had moeten worden geweigerd vanwege de omstandigheid dat mogelijk een milieuvriendelijker alternatief voorhanden is. Gelet hierop ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat er verdergaand onderzoek naar het meest milieuvriendelijk alternatief gedaan had moeten worden. Het beroep faalt in zoverre.

2.5. [appellanten] stellen dat zij in hun belangen zijn geschaad aangezien niet alle stukken bij het ontwerp-besluit ter inzage zijn gelegd. De berekening van de geluidbelasting vanwege de inrichting is eerst bij het bestreden besluit gedeeltelijk en na rectificatie in haar geheel ter inzage gelegd. Dit stuk had reeds bij het ontwerp-besluit ter inzage moeten worden gelegd, aldus [appellanten].

2.5.1. Ter zitting is gebleken dat de desbetreffende berekening van de geluidbelasting bij zowel de provincie Noord-Brabant als de gemeente Hilvarenbeek ter inzage heeft gelegen. De beroepsgrond mist feitelijke grondslag.

2.6. [appellanten] betogen dat het bestreden besluit in strijd is met de richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (hierna: de Habitatrichtlijn). Zij voeren in dit verband aan dat het college er ten onrechte van uit is gegaan dat het, gelet op het bij het bestreden besluit vergunde veebestand in combinatie met de (gedeeltelijke) intrekkingen van de vergunningen voor de inrichtingen aan de [locatie 2] te [plaats] en de [locatie 3] te [plaats], is uitgesloten dat de bij het bestreden besluit vergunde inrichting significante gevolgen heeft voor het nabijgelegen natuurgebied "Kempenland-West". Volgens [appellanten] beschikten de inrichtingen waarvan de vergunningen ten behoeve van de bij het bestreden besluit verleende vergunning geheel dan wel gedeeltelijk worden ingetrokken, ten tijde van het nemen van de besluiten tot intrekking van de vergunningen niet over rechten voor het houden van dieren. Binnen de inrichting aan de [locatie 3] worden volgens [appellanten] sinds tien jaar geen varkens meer gehouden en de bij besluit van 5 december 2000 voor de inrichting aan de [locatie 2] verleende vergunning is volgens hen nooit in werking getreden, omdat daarvoor de betrokken bouwvergunning niet is verleend. Verder is niet duidelijk of de vergunningen van de voornoemde inrichtingen ook daadwerkelijk zijn ingetrokken en heeft het college er ten onrechte geen rekening mee gehouden dat de inrichtingen aan de [locatie 3] en de [locatie 2] op grond van het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij (hierna: het Besluit huisvesting) per 1 januari 2010 niet meer voldoen aan de in aanmerking komende beste beschikbare technieken, aldus [appellanten].

2.6.1. Ten aanzien van de stelling van [appellanten] dat de vergunning van de inrichting aan de [locatie 3] is vervallen, omdat binnen de inrichting meer dan tien jaar geen dieren zijn gehouden, overweegt de Afdeling het volgende.

Uit artikel 8.18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer volgt dat een vergunning voor een inrichting vervalt indien de inrichting niet binnen drie jaar nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, is voltooid en in werking gebracht. Bij besluit van 8 augustus 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek vergunning verleend voor een varkenshouderij met jongvee aan de [locatie 3] te [plaats]. Bij besluit van 5 juni 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek deze vergunning gedeeltelijk ingetrokken ten behoeve van de bij het bestreden besluit vergunde inrichting. Nu ten tijde van het nemen van dit intrekkingsbesluit nog geen drie jaar waren verstreken nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, was de op 8 augustus 2006 verleende vergunning op 5 juni 2007 niet vervallen. Zij kon dan ook worden ingetrokken.

2.6.2. Ten aanzien van de stelling van [appellanten] dat de vergunning van de inrichting aan de [locatie 2] nooit in werking is getreden, overweegt de Afdeling als volgt. Bij besluit van 5 december 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oirschot vergunning verleend voor een varkenshouderij aan de [locatie 2] te [plaats]. Bij besluit van 1 mei 2007 is deze vergunning ten behoeve van de bij het bestreden besluit vergunde inrichting geheel ingetrokken. Vaststaat dat voor de binnen de vergunde inrichting aanwezige silo's niet de benodigde bouwvergunning is verleend. Uit artikel 20.8 van de Wet milieubeheer volgt dat een milieuvergunning eerst in werking treedt nadat de benodigde bouwvergunning is verleend. Echter, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 november 2003 in zaak nr. 200206624/1) is artikel 20.8 van de Wet milieubeheer niet van toepassing op besluiten, waarbij een milieuvergunning wordt verleend voor een inrichting, waarvoor in het verleden zonder bouwvergunning is gebouwd, terwijl de aangevraagde activiteiten op zichzelf geen bouwvergunningplichtige verandering of uitbreiding van dat gebouw met zich brengen. Ter zitting is gebleken dat de silo's ten tijde van het verlenen van de vergunning op 5 december 2000 reeds binnen de inrichting aanwezig waren, zodat artikel 20.8 van de Wet milieubeheer niet van toepassing is op het besluit van 5 december 2000. De bij besluit van 5 december 2000 verleende vergunning is derhalve in werking getreden en kon dan ook worden ingetrokken.

2.6.3. De omstandigheid dat de inrichtingen aan de [locatie 2] en de [locatie 3] op 1 januari 2010 niet meer voldoen aan de voor de inrichtingen in aanmerking komende beste beschikbare technieken, wat daar ook van zij, is geen omstandigheid waarmee het college bij de beoordeling van de ammoniakemissie in het bestreden besluit rekening behoefde te houden. Het college mocht ten tijde van het nemen van het bestreden besluit uitgaan van de afname van de ammoniakemissie als gevolg van de intrekkingen van de vergunningen van de inrichtingen aan de [locatie 2] en de [locatie 3].

2.6.4. In de omgeving van de inrichting is het gebied "Kempenland-West" gelegen. Dit is een gebied van communautair belang (hierna: habitatgebied) in de zin van de Habitatrichtlijn.

Ingevolge artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, voor zover hier van belang, wordt voor plannen of projecten die significante gevolgen kunnen hebben voor een speciale beschermingszone een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor dat gebied. De bevoegde instanties mogen slechts toestemming voor het plan of project geven nadat zij zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van dat gebied niet zal aantasten.

Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 7 september 2004, zaak C-127/02, JM 2004/112, volgt dat wanneer een nationale rechter moet nagaan of de toestemming voor een plan of project in de zin van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn rechtmatig is verleend, hij kan toetsen of de door deze bepaling aan de beoordelingsmarge van de bevoegde nationale autoriteiten gestelde grenzen in acht zijn genomen, ook als de bepaling niet in de rechtsorde van de betrokken lidstaat is omgezet ofschoon de daartoe gestelde termijn is verstreken.

Blijkens genoemd arrest dient te worden bezien of verweerder op grond van objectieve gegevens kon uitsluiten dat het plan of project, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen heeft voor het onderhavige natuurgebied, afgezet tegen de instandhoudingsdoelstellingen van dit gebied.

Uit de uitspraak van de Afdeling van 7 september 2005 in zaak nr. 200409681/1, volgt dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van significante gevolgen voor het natuurgebied, afgezet tegen de instandhoudingsdoelstellingen daarvan, dient te worden uitgegaan van de veranderingen ten opzichte van de onderliggende voor de inrichting geldende vergunningen.

2.6.5. Anders dan [appellanten] stellen, staat vast dat de vergunningen zijn ingetrokken. De ammoniakemissie als gevolg van de bij het bestreden besluit vergunde inrichting bedraagt 1.888,66 kg. Nu het een oprichtingsvergunning betreft, is de toename van de ammoniakemissie vanwege de inrichting 1.888,66 kg. De intrekking van de vergunning voor de inrichting aan de [locatie 2], die ten oosten van de inrichting is gelegen, heeft een afname van de ammoniakemissie van 3.120 kg tot gevolg. De afname van de ammoniakemissie als gevolg van de gedeeltelijke intrekking van de vergunning van de inrichting aan de [locatie 3] te [plaats], die ten westen van de inrichting is gelegen, bedraagt 875,2 kg.

2.6.6. Bij het bestreden besluit is een berekening gevoegd waaruit volgens het college blijkt dat de gemiddelde ammoniakdepositie op het habitatgebied "Kempenland-West" als gevolg van de bij het bestreden besluit vergunde inrichting in samenhang met de ingetrokken vergunningen van de inrichtingen aan de [locatie 2] en [locatie 3] afneemt.

2.6.7. Daargelaten de vraag of de bij het bestreden besluit verleende vergunning en de intrekkingen van de vergunningen voor de inrichtingen aan de [locatie 2] en [locatie 3], als afzonderlijke plannen of projecten dienen te worden aangemerkt dan wel als één plan of project, overweegt de Afdeling het volgende. De enkele omstandigheid dat de bij het bestreden besluit vergunde inrichting en de (gedeeltelijke) intrekkingen van voornoemde vergunningen, in onderlinge samenhang bezien, leiden tot een afname van de gemiddelde ammoniakdepositie berekend op het habitatgebied "Kempenland-West", brengt naar het oordeel van de Afdeling in dit geval niet met zich dat kan worden uitgesloten dat er significante negatieve gevolgen zijn voor het habitatgebied zelf, afgezet tegen de voor het gebied geldende instandhoudingsdoelstellingen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de berekening van het college betrekking heeft op de gemiddelde ammoniakdepositie op het gehele gebied en dat daarmee, gezien de ligging van de inrichting ten opzichte van het habitatgebied, in dit geval niet uitgesloten is dat op bepaalde plaatsen in het habitatgebied de ammoniakdepositie toeneemt. Het college heeft niet onderzocht wat enerzijds de gevolgen zijn van de toename van de ammoniakdepositie afkomstig van de bij het bestreden besluit vergunde inrichting voor voornoemd habitatgebied, afgezet tegen de daarvoor geldende instandhoudingsdoelstellingen, en wat anderzijds de gevolgen zijn van de afname van de ammoniakdepositie afkomstig van de inrichtingen waarvan de vergunningen geheel dan wel gedeeltelijk zijn ingetrokken. In zoverre kan niet worden uitgesloten dat er significante negatieve gevolgen voor het habitatgebied "Kempenland-West" optreden.

2.6.8. Hieruit volgt dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, dat eist dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van het besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten.

2.7. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, gegrond. Het bestreden besluit dient in zijn geheel te worden vernietigd. Gelet hierop komt de Afdeling niet toe aan de bespreking van de overige beroepsgronden.

2.8. Ten aanzien van het verzoek van [appellanten] om het college te veroordelen in de kosten van de door hen ingeschakelde deskundige overweegt de Afdeling het volgende.

De kosten van een deskundige komen op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking als het inroepen van die deskundige redelijk was en de deskundigenkosten zelf redelijk zijn. Ter bepaling of het inroepen van een niet-juridisch deskundige, zoals hier aan de orde, redelijk was, kan in het algemeen als maatstaf worden gehanteerd of degene die deze deskundige heeft ingeroepen, gezien de feiten en omstandigheden zoals die bestonden ten tijde van inroeping, ervan mocht uitgaan dat de deskundige een relevante bijdrage zou leveren aan een voor hem gunstige beantwoording door de rechter van een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag. Naar het oordeel van de Afdeling hebben [appellanten] daarvan voor wat betreft de rapportage van de door hen ingeschakelde deskundige over de te verwachte ammoniakemissie mogen uitgaan. De voor die rapportage gemaakte kosten stelt de Afdeling op € 200,00 (4 uur tegen een uurtarief van € 50,00).

2.8.1. Ten aanzien van het verzoek van [appellanten] om het college te veroordelen in de door hen gemaakte reiskosten en in de verletkosten van [appellant] over 7 uur à € 135,00, overweegt de Afdeling als volgt.

De voor vergoeding in aanmerking komende reiskosten bedragen € 28,78. De opgegeven verletkosten zijn niet met stukken onderbouwd. Daarom komen de door [appellant] wegens een verlet van 6 uur tegen een uurtarief van € 4,54 gemaakte kosten voor vergoeding ten bedrage van € 27,24 in aanmerking.

2.8.2. Het college dient gelet hierop op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het de gronden over de luchtkwaliteit, externe veiligheid en gezondheidsgevaar voor omwonenden betreft;

II. verklaart het beroep voor het overige gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 17 oktober 2007, kenmerk 1338745;

IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 900,02 (zegge: negenhonderd euro en twee cent), waarvan € 644,00, is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Brabant aan [appellanten] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

V. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van Leeuwen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2008

373-492.