Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BF8995

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-10-2008
Datum publicatie
15-10-2008
Zaaknummer
200800765/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wijk bij Duurstede (hierna: het college) [appellant] op straffe van een dwangsom gelast het innemen van een ligplaats met het [woonschip] nabij de oever van een perceel, kadastraal bekend onder nummer 622 en plaatselijk bekend als de Lunenburgerwaard in Wijk bij Duurstede, te beëindigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200800765/1.

Datum uitspraak: 15 oktober 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/2509 van de rechtbank Utrecht van 7 december 2007 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Wijk bij Duurstede.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wijk bij Duurstede (hierna: het college) [appellant] op straffe van een dwangsom gelast het innemen van een ligplaats met het [woonschip] nabij de oever van een perceel, kadastraal bekend onder nummer 622 en plaatselijk bekend als de Lunenburgerwaard in Wijk bij Duurstede, te beëindigen.

Bij besluit van 30 november 2005 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 december 2007, verzonden op 18 december 2007, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 januari 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 9 september 2008 heeft [appellant] nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 september 2008, waar [appellant] in persoon en bijgestaan door G. van Wirdum en B. Bastiaan, en het college, vertegenwoordigd door A. Kabaktepe en P. Oostveen, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen. De zaak is gelijktijdig behandeld met het hoger beroep in zaak nr. 200800760/1.

2. Overwegingen

2.1. Het college heeft aan het besluit van 18 april 2005 ten grondslag gelegd dat door [appellant] sinds januari 1997 op voormelde locatie met zijn woonschip een ligplaats wordt ingenomen in strijd met de geldende planvoorschriften van het bestemmingsplan "Landelijk gebied 1974, eerste herziening" (hierna: het bestemmingsplan Landelijk Gebied), vastgesteld door de raad van de gemeente Wijk bij Duurstede op 26 april 1983.

2.2. [appellant] betwist het oordeel van de rechtbank inhoudende dat het innemen van een vaste ligplaats met een woonboot ten behoeve van permanente bewoning, ondanks het ontbreken van een uitdrukkelijke uitsluiting ten aanzien van dit gebruiksdoel, strijdig was met het bestemmingsplan Landelijk Gebied. Volgens hem blijkt uit de tekst en systematiek van dit bestemmingsplan dat het ontbreken van een uitdrukkelijke uitsluiting berust op de afweging dat ligplaatsen ter plaatse wel aanvaardbaar zijn. Daarnaast heeft de rechtbank met haar oordeel miskend dat de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Wijk bij Duurstede (hierna: de APV) het innemen van een ligplaats toestond, de ligplaatsen volgens Rijkswaterstaat niet in strijd waren met de geldende wet- of regelgeving en de Staat aan hem een ligplaats verhuurde, aldus [appellant]. Hij beroept zich voorts op planologisch overgangsrecht.

2.2.1. Ingevolge het bestemmingsplan Landelijk Gebied rustte ten tijde van het besluit van 18 april 2005 op het perceel waar het woonschip ligt de bestemming "Water".

Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de voorschriften behorende bij dit bestemmingsplan, zijn de op de kaart voor "Water" aangewezen gronden bestemd voor water, met de voor de waterhuishouding en het verkeer te water noodzakelijke bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de planvoorschriften is het niet toegestaan de gronden en bouwwerken te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de bij het plan aan deze gronden en bouwwerken gegeven bestemming, nadat deze is verwezenlijkt.

Ingevolge artikel 47, derde lid, van de planvoorschriften mogen bouwwerken en gronden die op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan op andere wijze in gebruik zijn, dan in dit plan is bepaald, onverminderd het bepaalde in enig wettelijk voorschrift, als zodanig in gebruik blijven; de bestaande afwijking mag op generlei wijze, ook naar de aard worden vergroot, noch verzwaard.

2.2.2. In haar uitspraak van 24 januari 2007 (zaak nr. 200505999/1) heeft de Afdeling ten aanzien van [appellant] overwogen dat zijn ligplaats in het bestemmingsplan Landelijk Gebied niet als zodanig was bestemd, omdat dit gebruik, blijkens de doeleindenomschrijving van de bestemming "Water", niet tot de bij die bestemming behorende functies behoorde. Ook heeft de Afdeling in die uitspraak overwogen dat de omstandigheid dat dit gebruik in de planvoorschriften niet expliciet is uitgesloten, niet leidt tot een ander oordeel. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen grond hier thans anders over te oordelen.

De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het innemen van een vaste ligplaats met een woonboot ten behoeve van permanente bewoning strijdig is met de bestemming "Water". Het betoog van [appellant] dat de APV het innemen van een ligplaats niet verbood, en de omstandigheid dat de ligplaatsen volgens Rijkswaterstaat niet in strijd waren met de geldende wet- of regelgeving en dat de Staat aan hem een ligplaats verhuurde, kunnen hier niet aan afdoen. Het betoog van [appellant] dat hem niet kan worden verweten dat hij willens en wetens een illegale situatie in het leven heeft geroepen, laat deze strijdigheid met de bestemming "Water" eveneens onverlet. [appellant] had, indien de planologische toelaatbaarheid van de ligplaats hem niet duidelijk was, daarnaar moeten informeren. Aldus had hij kunnen weten dat hij in strijd met deze bestemming een vaste ligplaats innam.

Voor zover [appellant] zich beroept op het overgangsrecht van artikel 47, derde lid, van de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan Landelijk Gebied, overweegt de Afdeling dat op hem de last rust aannemelijk te maken dat dit overgangsrecht in zijn situatie van toepassing is. Met hetgeen hij ter zake heeft aangevoerd is niet aannemelijk gemaakt dat op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan in 1984 een permanente ligplaats werd ingenomen door een woonboot op de betreffende ligplaats. De door [appellant] overgelegde foto's leiden niet tot een ander oordeel. Voor het college bestond dan ook geen aanleiding om bij het besluit van 30 november 2005 het besluit van 18 april 2005 om die reden te herroepen.

2.2.3. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college bevoegd was handhavend op te treden.

2.3. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4. Het college hanteert bij de handhaving ter zake van illegale woonboten beleid zoals neergelegd in de notitie "Handhavingsbeleid ligplaatsen Lunenburgerwaard" van 30 maart 2004 (hierna: het handhavingsbeleid). Volgens dit beleid treedt het college in beginsel handhavend op indien een ligplaats wordt ingenomen in strijd met een wettelijke regeling. Van handhavend optreden wordt afgezien bij woonschepen die meer dan vijftien jaar illegaal ligplaats hebben ingenomen zonder dat daartegen is opgetreden. Voorts wordt volgens dit beleid aan een persoon die langer dan drie jaar maar korter dan zeven jaar illegaal ligplaats heeft ingenomen, een begunstigingstermijn gesteld van twee jaren.

Dit handhavingsbeleid is naar het oordeel van de Afdeling niet onredelijk.

2.5. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet tot handhaving is kunnen overgaan op grond van het bij hem opgewekte vertrouwen dat van handhaving zou worden afgezien. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, kan dat vertrouwen niet worden ontleend aan de enkele omstandigheid dat in de jaren voorafgaand aan het besluit van 18 april 2005 het college jegens hem niet handhavend is opgetreden. Voorts heeft het college niet toegezegd dat van handhavend optreden zou worden afgezien. Evenmin kon [appellant] aan de omstandigheid dat de APV het innemen van een ligplaats niet verbood, dat Rijkswaterstaat hem een vergunning op grond van de Rivierenwet heeft verleend voor het innemen van een ligplaats en dat de Staat, als eigenaar, privaatrechtelijke toestemming heeft verleend, een gerechtvaardigd vertouwen ontlenen dat het college van handhaving van het bepaalde in het bestemmingsplan zou afzien.

2.6. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college van handhavend optreden had moeten afzien wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel. In dit verband voert hij aan dat niet is opgetreden tegen woonschepen in het Inundatiekanaal, tegen het [schip] en tegen schepen gelegen in jachthaven "De Lunenburg".

2.6.1. Dit betoog faalt. Ten aanzien van de woonschepen in het Inundatiekanaal staat vast dat de ligplaatsen hiervan in het bestemmingsplan Buitengebied 2003, in werking getreden op 18 augustus 2005, zijn gelegaliseerd. Gelet hierop bestond, anders dan [appellant] betoogt, ten tijde van het besluit van 18 april 2005 voor deze woonschepen concreet uitzicht op legalisatie. Ten aanzien van het woonschip van [appellant] ontbrak dit uitzicht, zodat niet gesproken kan worden van gelijke gevallen.

Het college heeft met betrekking tot het [schip] gesteld dat dit schip sinds ongeveer 1987 ligplaats inneemt in de Lunenburgerwaard. [appellant] heeft zijn stelling dat dit schip pas sinds 1998 ter plaatse ligplaats inneemt, niet aannemelijk gemaakt. Volgens het handhavingsbeleid wordt van handhavend optreden afgezien bij woonschepen die meer dan vijftien jaar illegaal ligplaats hebben ingenomen zonder dat daartegen is opgetreden. Het afzien van handhavend optreden jegens [schip] is in overeenstemming met dit beleid. Bovendien kan [appellant], zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, aan een eventuele vergissing ten opzichte van [schip] geen rechten ontlenen. Gelet hierop kan [schip] evenmin worden aangemerkt als een gelijk geval op grond waarvan ook van handhaving jegens het woonschip van [appellant] had moeten worden afgezien.

Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat in jachthaven "De Lunenburg" recreatievaartuigen liggen. Ook die situatie is niet vergelijkbaar met het innemen van een ligplaats met een woonschip.

2.7. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij het vaststellen van de begunstigingstermijn onvoldoende rekening heeft gehouden met de moeilijkheid voor [appellant] om een andere, betaalbare en legale ligplaats te vinden. Volgens hem heeft het college nagelaten een alternatieve ligplaats te zoeken of hem financieel bij te staan bij het vinden van een ligplaats. Voorts is de rechtbank er volgens [appellant] aan voorbij gegaan dat voor het college een spoedeisend belang om zijn ligplaats op te heffen ontbrak.

2.7.1. Dit betoog faalt. Het college heeft aan [appellant] in overeenstemming met het handhavingsbeleid een begunstigingstermijn gesteld van twee jaar. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is deze termijn niet onredelijk. Hierbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat [appellant] er reeds bij brief van 24 oktober 2003 (lees: 8 augustus 2003) door het college van in kennis is gesteld dat hij in strijd met het bestemmingsplan Landelijk Gebied een ligplaats innam.

De door het college jegens [appellant] aangegane inspanningsverplichting om een alternatieve ligplaats te zoeken stond aan handhavend optreden niet in de weg. De door [appellant] gestelde verplichting tot het aanbieden van een financiële vergoeding, alvorens tot handhaving over te kunnen gaan, volgt niet uit enige rechtsregel.

Het betoog van [appellant] dat het college geen spoedeisend belang had om handhavend op te treden, miskent dat [appellant] met zijn woonschip illegaal een ligplaats innam. Hierin lag voor het college reeds voldoende belang om handhavend op te treden. Een dringende reden voor dit optreden is daartoe niet nodig.

2.8. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat het college van het opleggen van de last onder dwangsom had moeten afzien omdat het college van gedeputeerde staten van Utrecht hem bij besluit van 1 april 2005 eveneens onder oplegging van een dwangsom heeft gelast zijn woonschip te verwijderen wegens strijd met de Verordening bescherming natuur en landschap provincie Utrecht 1996, faalt. Reeds omdat het hier gaat om handhaving van verschillende wettelijke voorschriften door verschillende bestuursorganen, levert dit geen ongeoorloofde cumulatie van handhavingsbesluiten op.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. C.W. Mouton, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Den Broeder

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2008

350-512.