Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BF8963

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-10-2008
Datum publicatie
15-10-2008
Zaaknummer
200707877/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 september 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Duiven (hierna: de raad) bij besluit van 29 januari 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied 2002, correctieve herziening 2004-2006" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707877/1.

Datum uitspraak: 15 oktober 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], gevestigd te [plaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 september 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Duiven (hierna: de raad) bij besluit van 29 januari 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied 2002, correctieve herziening 2004-2006" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 november 2007, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 november 2007, beroep ingesteld. [appellante sub 1] heeft haar beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 december 2007.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. [appellant sub 2] en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellant sub 2] heeft een nader stuk ingediend. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 augustus 2008, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. S.P.M. Schaap, advocaat te Enschede, [appellant sub 2], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. W.J. Bosma, advocaat te Breda, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de raad, vertegenwoordigd door ir. E.M. Haak, ambtenaar in dienst van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Het plan betreft gedeeltelijk een plan ingevolge artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en gedeeltelijk een ambtshalve herziening.

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Het beroep van [appellante sub 1]

2.3. [appellante sub 1] stelt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de begrenzing van het plan, omdat daarin haar perceel aan de [locatie 1] ten onrechte niet is opgenomen. Zij voert daartoe aan dat het college bij besluit van 23 september 2003 gedeeltelijk goedkeuring heeft onthouden aan de planologische regeling voor de kassen- en materialenhandel op dat perceel en de raad ingevolge artikel 30 van de WRO binnen een jaar een nieuw bestemmingsplan diende vast te stellen. Volgens [appellante sub 1] zijn er goede planologische argumenten alsmede nieuwe feiten en omstandigheden op grond waarvan het in de rede had gelegen om ook het desbetreffende perceel in het voorliggende plan te betrekken. In dat kader verwijst zij naar het nieuwe streekplan Gelderland 2005 (hierna: het streekplan) en het daarin opgenomen "clusterbeleid voor de glastuinbouw" alsmede naar de "regionale beleidsinvulling voor functieverandering" van de Stadsregio Arnhem Nijmegen. Volgens [appellante sub 1] geven deze beleidsstukken aanleiding om de bedrijfsbebouwing op haar perceel alsnog positief te bestemmen.

2.3.1. In het bestemmingsplan "Buitengebied 2002" was aan het perceel [locatie 1] de bestemming "Niet-agrarische bedrijven" met de lettercode "Ak" toegekend. Ingevolge artikel 17, eerste lid, onder 1, van de planvoorschriften zijn de gronden met deze bestemming en bestemmingscategorie bestemd voor de uitoefening van een aannemingsbedrijf kassenbouw, tevens (detail)handel kasmaterialen en tuinbouwartikelen. Ingevolge bijlage 1, volgnummer 9, van de voorschriften van dat plan bedragen de bestaande en de maximum oppervlakten van de bedrijfsbebouwing 1751 m2 onderscheidenlijk 1851 m2.

2.3.2. Het college heeft bij besluit van 23 september 2003 goedkeuring onthouden aan het woord "(detail)" in artikel 17, eerste lid, onder 1, onder de lettercode "Ak", van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied 2002" omdat niet is gebleken dat detailhandel onder het overgangsrecht van het vorige plan valt. Voorts stelde het college zich op het standpunt dat een dergelijk gebruik niet kan worden toegestaan omdat het streekplan vestiging van detailhandel buiten de bebouwde kom uitsluit. Bij eerdergenoemd besluit heeft het college verder goedkeuring onthouden aan de bestaande en de maximum oppervlakten van de bedrijfsbebouwing voor het perceel, zoals opgenomen in bijlage 1, volgnummer 9, van de voorschriften, omdat slechts vergunning is verleend voor een opslagplaats van 596 m2 en het toekennen van een maximum oppervlakte van 1851 m2 in strijd is met het streekplan.

Bij uitspraak van 19 januari 2005, zaak nr. 200308630/1, heeft de Afdeling het beroep van [appellante sub 1] tegen de onthouding van goedkeuring ongegrond verklaard.

2.3.3. In paragraaf 2.1.4. van het streekplan is vermeld dat voor uitbreiding van bestaande niet-agrarische bedrijvigheid in het buitengebied een maximum geldt van 20% van het bebouwd oppervlak per planperiode tot maximaal 375 m2. In het deskundigenbericht is aangegeven dat deze regeling voor meerdere uitleg vatbaar is. Wat hier ook van zij, volgens het deskundigenbericht voorziet deze regeling, hoe dan ook, niet in de mogelijkheid om de omvang van de bestaande bedrijfsbebouwing positief te bestemmen.

In paragraaf 2.3.6. van het streekplan is vermeld dat van de maatvoering zoals vermeld in paragraaf 2.1.4. kan worden afgeweken mits passend in een door het college geaccordeerde regionale beleidsinvulling voor functieverandering. In het deskundigenbericht is aangegeven dat in de Notitie functieverandering buitengebied die op 28 oktober 2007, derhalve eerst na het bestreden besluit, door de Stadsregioraad Arnhem Nijmegen is vastgesteld, in afwijking van paragraaf 2.1.4. van het streekplan, ruimere uitbreidingsmogelijkheden voor bestaande niet-agrarische bedrijven in het buitengebied zijn opgenomen. In zijn besluit van 18 maart 2008 heeft het college deze notitie evenwel niet vastgesteld als afwijking van het streekplan.

In het deskundigenbericht is voorts aangegeven dat de Stadsregioraad Arnhem Nijmegen in 2006 vier zoekzones voor regionale clusters van glastuinbouwbedrijven heeft vastgesteld en dat het perceel [locatie 1] binnen één van deze zoekzones ligt. Bij brief van 5 september 2006 heeft het college aangegeven dat in deze regionale clusters ook aanverwante bedrijven kunnen worden toegestaan mits een ruimtelijk-economische relatie tussen het bedrijf en de glastuinbedrijven in het cluster kan worden aangetoond. In de brief is aangegeven dat het college verwacht dat deze afhankelijkheid niet kan worden aangetoond omdat het cluster te beperkt in omvang is. Volgens het college zal een kassenbouw/materialenbedrijf voor voldoende omzet een groter marktgebied nodig hebben. In het deskundigenbericht wordt dit standpunt van het college onderschreven.

2.3.4. Gelet op hetgeen is overwogen onder 2.3.3., stelt de Afdeling vast dat ten tijde van het bestreden besluit het door [appellante sub 1] genoemde beleid ten aanzien van uitbreidingsmogelijkheden voor bestaande niet-agrarische bedrijven in het buitengebied nog in ontwikkeling was en geen grondslag bood voor (goedkeuring van) een positieve bestemming van het bedrijf. Nu, zoals overwogen onder 2.3.3., het college de Notitie functieverandering buitengebied niet heeft vastgesteld als afwijking van het streekplan, bestond er, anders dan [appellante sub 1] stelt, reeds daarom evenmin een mogelijkheid om in het voorliggende plan op deze notitie te anticiperen. Onder die omstandigheden heeft het college zich in redelijkheid met de raad op het standpunt kunnen stellen dat eventueel maatwerk in een separaat traject dient plaats te vinden en daarom het perceel van [appellante sub 1] niet is betrokken in het onderhavige plan. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat blijkens het verhandelde ter zitting de raad op korte termijn in overleg zal treden met [appellante sub 1].

2.4. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Evenmin wordt daarin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellante sub 1] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

2.5. [appellant sub 2] stelt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" en de aanduidingen "vrijstaande woning (k)" en "agrarisch medegebruik (a)" ter plaatse van het perceel [locatie 2] te [plaats]. Hij voert daartoe aan dat deze bestemming niet voorziet in de mogelijkheid om het onlangs, na daartoe te zijn aangeschreven, afgebroken deel van zijn schuur, ter grootte van 32 m2, op zijn perceel te kunnen herbouwen.

2.5.1. Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de ter plaatse van het perceel [locatie 2] uitgeoefende activiteiten geen aanleiding geven voor het opnemen van de door [appellant sub 2] gewenste ruimere bebouwingsmogelijkheden door middel van het toekennen van een agrarische bestemming aan het perceel. Het college heeft in dat kader overwogen dat het toekennen van een agrarisch bouwvlak in verband met de toenemende verstening van het gebied niet gewenst is. Daarbij heeft het college aangegeven dat ook geen sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf, dat het perceel niet in aanmerking komt voor de zogeheten "terugkomregeling" als bedoeld in het plan "Buitengebied 2002" omdat niet wordt voldaan aan de voorwaarde dat 500 m2 voormalige agrarische bedrijfsbebouwing aanwezig moet zijn en dat nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf slechts in het komgebied mogelijk is en de desbetreffende gronden niet in het komgebied zijn gesitueerd.

2.5.2. In het voorheen geldende plan "Buitengebied 2002" was aan het perceel [locatie 2] te [plaats] de bestemming "Woondoeleinden" en de aanduiding "vrijstaande woning (k)" toegekend.

In het voorliggende plan is aan het perceel de bestemming "Woondoeleinden" en de aanduidingen "vrijstaande woning (k)" en "agrarisch medegebruik (a)" toegekend.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan "Buitengebied 2002" zijn de desbetreffende gronden bestemd voor een woning kleiner dan of gelijk aan 600 m3 en tevens bestemd voor agrarisch medegebruik.

Ingevolge artikel 1, tweede lid, sub 6, van de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan "Buitengebied 2002" wordt onder "agrarisch medegebruik" verstaan: het uitoefenen van kleinschalige agrarische activiteiten, al dan niet met een recreatief karakter.

Ingevolge artikel 15, tweede lid, sub 1, onder d, van de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan "Buitengebied 2002" zijn ter plaatse, voor zover thans relevant, per woning bijgebouwen toegestaan met een gezamenlijke oppervlakte van 60 m2 dan wel maximaal de bestaande gezamenlijke oppervlakte indien deze groter is dan 60 m2.

Ingevolge artikel 15, tweede lid, sub 4, onder b, van de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan "Buitengebied 2002" is herbouw van één of meer bijgebouwen slechts toegestaan indien de gezamenlijke oppervlakte van de bijgebouwen niet meer bedraagt dan 200 m2.

2.5.3. In het deskundigenbericht is aangegeven dat bij besluit van 25 mei 2005 aan [appellant sub 2] een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer is verleend voor het houden van 6 stuks vee, 120 legkippen en 6 parelhoenders. In dit besluit is vermeld dat het houden van dieren en het stallen van antieke tractoren binnen de onderhavige inrichting in feite zijn aan te merken als hobbymatig, maar dat gelet op de hoeveelheid dieren, de opslag van hooi en de aanwezigheid van diverse landbouwmachines, de activiteiten als bedrijfsmatig worden beoordeeld.

In het deskundigenbericht is voorts vermeld dat [appellant sub 2] thans geen runderen meer houdt en dat van de 120 legkippen en de 6 parelhoenders nog slechts enkele exemplaren aanwezig zijn en dat de gronden rondom de woning van [appellant sub 2] thans in gebruik zijn als tuin en grasland.

2.5.4. Gelet op het in de milieuvergunning en het deskundigenbericht genoemde en niet weersproken geringe aantal dieren op het perceel heeft het college zich met juistheid op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf in de zin van het bestemmingsplan dat voor een agrarische bestemming in aanmerking komt. Naar [appellant sub 2] in reactie op het deskundigenbericht en ter zitting heeft aangegeven, is hij ook niet van plan een zodanig bedrijf te starten. Het stallen van antieke landbouwvoertuigen kan evenmin als een agrarische activiteit worden aangemerkt. Dat de activiteiten van [appellant sub 2] in de milieuvergunning, ondanks het hobbymatig karakter, als bedrijfsmatig worden beoordeeld, zoals hij stelt, is daarbij niet van belang, omdat de milieuvergunning een ander toetsingskader kent.

Het college heeft zich voorts met juistheid op het standpunt gesteld dat het perceel evenmin in aanmerking komt voor nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf, dan wel voor de zogeheten "terugkomregeling" in de planvoorschriften, waarbij percelen met een woonbestemming kunnen worden omgezet in een agrarisch bouwperceel, reeds omdat van een (voorgenomen) agrarisch bedrijf, geen sprake is.

Blijkens het bestreden besluit en het deskundigenbericht bevinden zich op het perceel twee met vergunning gebouwde schuren met een gezamenlijk oppervlak van circa 200 m2, hetgeen overeenkomt met de ingevolge artikel 15 van de planvoorschriften toegestane maximumoppervlakte aan bijgebouwen. Niet is gesteld of gebleken dat deze oppervlakte onvoldoende is voor de huidige hobbymatige activiteiten van [appellant sub 2]. Het college heeft derhalve in redelijkheid kunnen instemmen met de keuze van de raad voor een woonbestemming met agrarisch medegebruik overeenkomstig het huidige legale gebruik van het perceel.

2.5.5. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Evenmin wordt daarin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Boermans

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2008

429-525.