Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BF7247

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-10-2008
Datum publicatie
08-10-2008
Zaaknummer
200802060/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 juni 2006 heeft het bestuur van het Faunafonds (hierna: het Faunafonds) de aanvraag van [appellant] om een tegemoetkoming in de door hem geleden faunaschade aan een perceel plantuien afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200802060/1.

Datum uitspraak: 8 oktober 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/314 van de rechtbank Middelburg van 15 februari 2008 in het geding tussen:

[appellant]

en

het bestuur van het Faunafonds.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 juni 2006 heeft het bestuur van het Faunafonds (hierna: het Faunafonds) de aanvraag van [appellant] om een tegemoetkoming in de door hem geleden faunaschade aan een perceel plantuien afgewezen.

Bij besluit van 7 maart 2007 heeft het Faunafonds het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 februari 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Middelburg (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 maart 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 april 2008.

Het Faunafonds heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 september 2008, waar [appellant], bijgestaan door mr. G.H. Blom, en het Faunafonds, vertegenwoordigd door mr. drs. W. van Dijk en H.G. Engberink, beiden werkzaam bij het Faunafonds, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, van de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw) is er een Faunafonds dat tot taak heeft het in de daarvoor in aanmerking komende gevallen verlenen van tegemoetkomingen in geleden schade, aangericht door dieren behorende tot beschermde inheemse diersoorten.

Ingevolge artikel 84, eerste lid, in samenhang met artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, wordt door het Faunafonds een tegemoetkoming slechts verleend voor zover een belanghebbende schade lijdt of zal lijden aangericht door dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, en die schade redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven. Een tegemoetkoming wordt naar billijkheid bepaald.

2.1.1. Volgens artikel 6, eerste lid, van de Regeling vaststelling beleidsregels schadevergoeding Faunafonds (zoals gepubliceerd in Stcrt. 2002, 69, laatstelijk gewijzigd op 1 december 2005, Stcrt. 2005, 100; hierna: de Regeling) kan het bestuur van het Faunafonds een tegemoetkoming verlenen uitsluitend voor schade veroorzaakt door diersoorten genoemd in artikel 4, eerste lid, onderdeel a en b van de Ffw, welke door vraat, betreden, verontreiniging, graven, wroeten en vegen aan bedrijfsmatige landbouw, bosbouw of visserij is veroorzaakt.

Volgens artikel 7, eerste lid, zal het bestuur een tegemoetkoming, als bedoeld in artikel 2, slechts verlenen, indien en voor zover naar zijn oordeel de grondgebruiker de schade niet had kunnen voorkomen en beperken door het treffen van maatregelen of inspanningen waartoe hij naar eisen van redelijkheid en billijkheid was gehouden.

2.2. [appellant] heeft bij aanvraagformulier met dagtekening 12 februari 2005 een aanvraag gedaan om tegemoetkoming in de door grauwe ganzen en kolganzen aangerichte schade in een perceel plantuien. Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 15 juni 2006 heeft het Faunafonds ten grondslag gelegd dat de schade voor [appellant] voorzienbaar was. In dit verband acht het Faunafonds het van belang dat voorafgaand aan de plantuien winterwortelen op het perceel zijn verbouwd, die voor een deel niet geoogst, maar ondergeploegd zijn. Met het onderploegen van de winterwortelen heeft [appellant], aldus het Faunafonds, het risico genomen dat aan de plantuien schade zou ontstaan, nu voor hem bekend had kunnen zijn dat wortelen aantrekkelijk voedsel zijn voor ganzen.

2.3. Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat winterwortelen aantrekkelijk voedsel vormen voor ganzen en dat de schade aan de plantuien derhalve voorzienbaar was, slaagt dit.

2.3.1. Niet in geschil is dat plantuien op zichzelf geen aantrekkelijk voedsel vormen voor grauwe ganzen en kolganzen, zodat schade hieraan in beginsel niet voorzienbaar is.

De rechtbank heeft ten onrechte uit de zich in het dossier bevindende stukken, alsmede het verhandelde ter zitting afgeleid dat het Faunafonds aannemelijk heeft gemaakt dat [appellant], als professioneel grondgebruiker, ten tijde hier van belang, wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat winterwortelen aantrekkelijk voedsel vormden voor ganzen en het derhalve voorzienbaar was dat, na het onderploegen hiervan, schade aan de plantuien zou ontstaan. In het door het Faunafonds - ter voorlichting aan grondgebruikers - geschreven Handboek Faunaschade (hierna: het Handboek) staat de winterwortel niet vermeld en worden vollegrondsgroenten, waaronder de winterwortel is te begrijpen, niet als hoog risicovol gewas gekwalificeerd. Ook is in dit Handboek geen verbinding gelegd tussen grauwe ganzen en kolganzen, en winterwortelen. De enkele vermelding in het Handboek dat bij extreme weersomstandigheden in de herfst en de winter soms ook schade door ganzen en andere soorten eenden ontstaat aan vollegrondsgroenten, kan geen grond vormen voor het oordeel dat [appellant] wist of had moeten weten dat winterwortelen dan wel de oogstresten daarvan voor grauwe ganzen en kolganzen een aantrekkelijke voedselbron zijn. Het Faunafonds heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat het een feit van algemene bekendheid is dat ondergeploegde oogstresten van winterwortelen een aantrekkelijke voedselbron voor ganzen vormen. De overige door het Faunafonds overgelegde stukken bieden evenmin grond voor dat oordeel.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 7 maart 2007 van het Faunafonds alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt eveneens voor vernietiging in aanmerking.

2.5. Het Faunafonds dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 15 februari 2008 in zaak nr. 07/314;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het Faunafonds van 7 maart 2007, kenmerk DRR&R/2007/759;

V. veroordeelt het Faunafonds tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door het Faunafonds aan [appellant] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat het Faunafonds aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 359,00 (zegge: driehonderdnegenenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2008

176-538.