Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BF7235

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-10-2008
Datum publicatie
08-10-2008
Zaaknummer
200709059/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 12 februari 2001 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) aanvragen van [appellante sub 1], [appellante sub 2] en [appellante sub 3] om hun een subsidie te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200709059/1.

Datum uitspraak: 8 oktober 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellante sub 1], waarvan thans de vennoten zijn Perction B.V. en Perctie B.V.,

2. [appellante sub 2], waarvan thans de vennoten zijn Perction B.V. en Perctie B.V.,

3. [appellante sub 3], waarvan thans de vennoten zijn Perction B.V. en Perctie B.V.,

allen gevestigd te De Kwakel, gemeente Uithoorn,

tegen de uitspraak in zaak nrs. 05/3135 en 06/1729 van de rechtbank Amsterdam van 8 november 2007 in het geding tussen voormelde vennootschappen

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

1. Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 12 februari 2001 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) aanvragen van [appellante sub 1], [appellante sub 2] en [appellante sub 3] om hun een subsidie te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 21 juni 2005 heeft de minister de door [appellante sub 1] en [appellante sub 2] daartegen gemaakte bezwaren opnieuw ongegrond verklaard.

Bij besluit van 20 maart 2006 heeft de minister het door [appellante sub 3] daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 november 2007, verzonden op 13 november 2007, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) de door [appellante sub 1], [appellante sub 2] en [appellante sub 3] (hierna tezamen te noemen: [appellanten] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 december 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 25 januari 2008.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 augustus 2008, waar [appellanten], vertegenwoordigd door mr. A.J.A. Overwater, en de minister, vertegenwoordigd door mr. P.M. Bakker Schut, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Regeling structuurverbetering glastuinbouw (hierna: de regeling) is een glastuinbouwbedrijf een inrichting waarbinnen in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf onder permanente glasopstanden het telen plaatsvindt van gewassen, niet zijnde eetbare paddestoelen of witlof.

Ingevolge artikel 2, onder b, voor zover hier van belang, kan de minister ter verbetering van de bedrijfsstructuur van de sector glastuinbouw op aanvraag subsidie verstrekken voor investeringen ten behoeve van de reconstructie van individuele glastuinbouwbedrijven.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a en b, voor zover hier van belang, kan een subsidie voor investeringen als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, slechts worden verstrekt aan een natuurlijke persoon indien hij als bedrijfshoofd het glastuinbouwbedrijf uitoefent waarvoor de aanvraag wordt ingediend en dat voldoet aan de in artikel 10, eerste lid, genoemde voorwaarde en hij de glastuinbouw als hoofdberoep uitoefent.

Ingevolge het tweede lid kan, indien meer dan één natuurlijke persoon gezamenlijk een glastuinbouwbedrijf exploiteert dat aan de in artikel 10, eerste lid, genoemde voorwaarde voldoet, een subsidie slechts worden verstrekt indien ten minste één van hen voldoet aan de in het eerste lid, onderdelen a, b en d, gestelde voorwaarden en indien zij gezamenlijk voldoen aan de in het eerste lid, onderdelen c en e gestelde voorwaarde.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder e, kan een subsidie slechts worden verstrekt aan een rechtspersoon indien de arbeidsduur van het door de rechtspersoon aangewezen bedrijfshoofd voor werkzaamheden ten behoeve van het glastuinbouwbedrijf ten minste de helft uitmaakt van zijn totale arbeidsduur.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a en b, oefent een natuurlijke persoon de glastuinbouw als hoofdberoep uit indien zijn arbeidsduur voor werkzaamheden binnen het glastuinbouwbedrijf ten minste de helft van zijn totale arbeidsduur uitmaakt en het in artikel 4 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 bedoelde onzuiver inkomen gemiddeld over de drie kalenderjaren voorafgaand aan het tijdstip van het indienen van de aanvraag tot subsidieverlening voor ten minste de helft afkomstig is uit het glastuinbouwbedrijf waarvoor de aanvraag wordt ingediend.

Ingevolge het tweede lid wordt, indien op het tijdstip van de aanvraag tot subsidieverlening van het laatste afgesloten boekjaar nog geen boekhoudverslag voorhanden is, het onzuivere inkomen berekend op basis van de boekhoudverslagen van de drie daaraan voorafgaande afgesloten boekjaren.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, kan een subsidie voor investeringen als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, slechts worden verstrekt aan een rechtspersoon indien de in artikel 7, derde lid, van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 bedoelde winst, vermeerderd met het bedrag dat voor de bedrijfsleiding van de rechtspersoon ten titel van beloning voor verrichte arbeid op deze winst in mindering is gebracht, gemiddeld over de drie kalenderjaren voorafgaand aan het tijdstip van het indienen van de aanvraag tot subsidieverlening voor ten minste de helft afkomstig is uit het glastuinbouwbedrijf waarvoor de aanvraag wordt ingediend.

2.2. De rechtbank heeft bij uitspraak van 10 maart 2005 in zaak nrs. 04/1422 en 04/1423 de beroepen van [appellante sub 1] en [appellante sub 2] tegen de besluiten op hun bezwaar van 23 februari 2004 gegrond verklaard en deze besluiten vernietigd. Bij besluit van 21 juni 2005 heeft de minister het bezwaar van [appellante sub 1] en [appellante sub 2] tegen de afwijzing van hun verzoek van 9 december 1997 een investeringssubsidie als bedoeld in artikel 2, onder b, van de regeling te verlenen, opnieuw ongegrond verklaard. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de aanvraag niet gehonoreerd kan worden omdat het onzuivere negatieve inkomen van hun vennoten in 1998, het eerste volledige kalenderjaar dat [appellante sub 1] en [appellante sub 2] in bedrijf waren, niet voor tenminste de helft afkomstig was van het glastuinbouwbedrijf waarvoor de aanvraag werd ingediend.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 29 september 2005 in zaak nr. 04/2204 het beroep van [appellante sub 3] tegen het besluit op bezwaar van 14 april 2004 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Bij besluit van 20 maart 2006 heeft de minister het bezwaar van [appellante sub 3] tegen de afwijzing van haar verzoek van 12 januari 1998 een investeringssubsidie te verlenen, opnieuw ongegrond verklaard. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de aanvraag niet gehonoreerd kan worden omdat de negatieve winst van haar vennoten, in 1998, het eerste volledige kalenderjaar dat [appellante sub 3] in bedrijf was, niet voor ten minste de helft afkomstig was van het glastuinbouwbedrijf waarvoor de aanvraag werd ingediend.

2.3. Het betoog van [appellanten] dat een inkomens- dan wel winsttoets niet de grondslag kan zijn voor de afwijzing van een subsidieaanvraag door een vennootschap onder firma, nu in de regeling voor vennootschappen onder firma, anders dan voor natuurlijke en rechtspersonen, niet is voorzien in een dergelijke toets, kan thans niet meer aan de orde komen. De rechtbank heeft bij uitspraken van 10 maart 2005 en 29 september 2005 reeds geoordeeld dat een dergelijke toets ook voor vennootschappen onder firma geldt en [appellanten] hebben tegen dat oordeel geen hoger beroep ingesteld, zodat thans van dat oordeel moet worden uitgegaan.

2.4. [appellanten] voeren aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat indien het fiscaal onzuiver inkomen dan wel de fiscaal onzuivere winst van de vennoot negatief is, ten minste de helft van dat inkomen of die winst afkomstig moet zijn uit het glastuinbouwbedrijf waarvoor de aanvraag is ingediend.

2.4.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de regeling, noch de toelichting daarop noopt tot de uitleg dat bij de toepassing van deze bepalingen slechts in het geval sprake is van een positieve winst of positief inkomen geldt dat ten minste de helft daarvan afkomstig moet zijn van het glastuinbouwbedrijf waarvoor de aanvraag wordt gedaan. In artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de regeling is bepaald dat een natuurlijke persoon de glastuinbouw als hoofdberoep uitoefent indien het fiscaal onzuiver inkomen dan wel de fiscaal onzuivere winst ten minste de helft bedraagt van het totale inkomen of de totale winst. In artikel 9, eerste lid, is bepaald dat een subsidie voor investeringen slechts wordt verstrekt aan een rechtspersoon indien de winst voor ten minste de helft afkomstig is uit het glastuinbouwbedrijf waarvoor de aanvraag wordt ingediend. De regeling beoogt daarmee uit te sluiten dat subsidie wordt verstrekt aan natuurlijke of rechtspersonen voor wie de glastuinbouw niet de hoofdactiviteit is. De minister heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ook de omvang van negatieve winst of inkomen uit het glastuinbouwbedrijf in relatie tot het al dan niet negatieve inkomen of winst uit andere bedrijven betekenis heeft voor de vraag of het glastuinbouwbedrijf waarvoor de aanvraag wordt gedaan de hoofdactiviteit is van de desbetreffende natuurlijke of rechtspersoon. Gelet hierop is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vennoten van [appellanten] niet voldoen aan de inkomens- dan wel winsteisen als neergelegd in voormelde bepalingen. Het betoog faalt.

2.5. [appellanten] voeren ten slotte aan dat de rechtbank ten onrechte hun betoog dat niet slechts het inkomen van één van de vennoten, maar van alle vennoten van [appellanten] betrokken dient te worden bij de beoordeling van de aanvragen buiten beschouwing heeft gelaten.

2.5.1. Dit betoog kan niet leiden tot het oordeel dat de rechtbank het besluit van 21 juni 2005 en het besluit van 20 maart 2006 ten onrechte niet heeft vernietigd. Ten aanzien van vennootschappen onder firma waarvan de vennoten natuurlijke personen zijn geldt ingevolge artikel 7, tweede lid, van de regeling dat een subsidie slechts worden verstrekt indien ten minste één van hen als bedrijfshoofd het glastuinbouwbedrijf uitoefent waarvoor de aanvraag wordt ingediend en de glastuinbouw als hoofdberoep uitoefent. Voor vennootschappen waarvan een of meer van de vennoten rechtspersoon is, is in de regeling geen bepaling opgenomen. Tegen de achtergrond van hetgeen met de regeling is beoogd, leidt een redelijke uitleg van de regeling evenwel tot het oordeel dat de minister in het geval dat één of meer van de vennoten van een vennootschap onder firma rechtspersoon is, artikel 7, tweede lid, van de regeling op overeenkomstige wijze en in samenhang met artikel 9, eerste lid, van de regeling mag toepassen op die vennootschap onder firma, zodat ook in dat geval de minister zich op het standpunt mag stellen dat subsidie slechts wordt verstrekt indien van ten minste één van de vennoten het onzuiver inkomen gemiddeld over de drie kalenderjaren voorafgaand aan het tijdstip van het indienen van de aanvraag tot subsidieverlening, dan wel de winst, vermeerderd met het bedrag dat voor de bedrijfsleiding van de rechtspersoon ten titel van beloning voor verrichte arbeid op deze winst in mindering is gebracht, gemiddeld over de drie kalenderjaren voorafgaand aan het tijdstip van het indienen van de aanvraag tot subsidieverlening voor ten minste de helft afkomstig is uit het glastuinbouwbedrijf waarvoor de aanvraag is ingediend.

2.6. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Poot

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2008

362.