Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BF7233

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-10-2008
Datum publicatie
08-10-2008
Zaaknummer
200802701/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 maart 2007 heeft het bestuur van het Faunafonds (hierna: het Faunafonds) het verzoek van [appellant] om een tegemoetkoming in de door hem geleden faunaschade afgewezen.

Wetsverwijzingen
Flora- en faunawet
Flora- en faunawet 68
Flora- en faunawet 83
Flora- en faunawet 84
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2009/19 met annotatie van Boerema.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200802701/1.

Datum uitspraak: 8 oktober 2008.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/3032 van de rechtbank Arnhem van 6 maart 2008 in het geding tussen:

[appellant]

en

het bestuur van het Faunafonds.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 maart 2007 heeft het bestuur van het Faunafonds (hierna: het Faunafonds) het verzoek van [appellant] om een tegemoetkoming in de door hem geleden faunaschade afgewezen.

Bij besluit van 20 juni 2007 heeft het Faunafonds het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 maart 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 april 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 mei 2008.

Het Faunafonds heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 september 2008, waar [appellant], bijgestaan door mr. G.H. Blom, en het Faunafonds, vertegenwoordigd door mr. A. Ghallit en H.G. Engberink, beiden werkzaam bij het Faunafonds, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 68, eerste lid, van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) kunnen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort, gedeputeerde staten, voor zover niet bij of krachtens enig ander artikel van deze wet vrijstelling is of kan worden verleend, ten aanzien van beschermde inheemse diersoorten, het Faunafonds gehoord, ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 9 tot en met 15, 15a, 15b, tweede lid in samenhang met het eerste lid, 16, 17, 18, 53, eerste lid, onderdelen c en d, 72, vijfde lid, en 74.

Ingevolge artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, is er een Faunafonds dat tot taak heeft het in de daarvoor in aanmerking komende gevallen verlenen van tegemoetkomingen in geleden schade, aangericht door dieren behorende tot beschermde inheemse diersoorten.

Ingevolge artikel 84, eerste lid, in samenhang met artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, wordt door het Faunafonds een tegemoetkoming slechts verleend voor zover een belanghebbende schade lijdt of zal lijden aangericht door dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, en die schade redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven. Een tegemoetkoming wordt naar billijkheid bepaald.

2.1.1. Volgens artikel 6, eerste lid, van de Regeling vaststelling beleidsregels schadevergoeding Faunafonds (zoals gepubliceerd in Stcrt. 2002, 69, laatstelijk gewijzigd op 1 december 2005, Stcrt. 2005, 100; hierna: de Regeling) kan het bestuur van het Faunafonds een tegemoetkoming verlenen uitsluitend voor schade veroorzaakt door diersoorten genoemd in artikel 4, eerste lid, onderdeel a en b van de Ffw, welke door vraat, betreden, verontreiniging, graven, wroeten en vegen aan bedrijfsmatige landbouw, bosbouw of visserij is veroorzaakt.

Volgens artikel 7, eerste lid, zal het bestuur een tegemoetkoming, als bedoeld in artikel 2, slechts verlenen, indien en voor zover naar zijn oordeel de grondgebruiker de schade niet had kunnen voorkomen en beperken door het treffen van maatregelen of inspanningen waartoe hij naar eisen van redelijkheid en billijkheid was gehouden.

Volgens het derde lid wordt een tegemoetkoming, als bedoeld in artikel 2, veroorzaakt door diersoorten genoemd in artikel 4, eerste lid, onderdeel a en b van de Ffw en waarvoor ingevolge artikel 68 van de Ffw een ontheffing kan worden verleend slechts toegekend indien:

a. de ontheffing op deugdelijke wijze is aangevraagd en op inhoudelijke gronden door de betreffende provincie is geweigerd;

b. de ontheffing is verleend en er ondanks dat daarvan naar het oordeel van het bestuur op adequate wijze gebruik is gemaakt, bedrijfsmatige schade aan gewassen, teelten of overige producten is opgetreden.

2.2. Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 20 maart 2007 heeft het Faunafonds ten grondslag gelegd dat [appellant] onvoldoende preventieve maatregelen heeft getroffen om de door grauwe ganzen veroorzaakte schade aan een perceel biologische sperziebonen te voorkomen dan wel te beperken. Hierbij heeft het Faunafonds met name van belang geacht dat van een grondgebruiker over het algemeen mag worden verwacht dat hij minimaal twee preventieve maatregelen toepast. Hiervan was, aldus het Faunafonds, geen sprake, nu [appellant] eerst na het ontstaan van de schade is overgegaan tot het plaatsen van een tweede preventief middel, alsmede een akoestisch middel.

Voorts heeft het Faunafonds zich op het standpunt gesteld dat geen adequaat gebruik is gemaakt van de ingevolge artikel 68 van de Ffw verleende afschotontheffing. In dit verband acht het Faunafonds van belang dat er geen dieren zijn gedood.

2.3. Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de schade voor hem niet voorzienbaar was, faalt dit. Als professioneel grondbewerker had [appellant] kunnen weten dat biologische sperziebonen een aantrekkelijk gewas vormen voor ganzen. Dat in zes voorgaande jaren door ganzen geen schade aan de sperziebonen is aangericht, kan aan het voorgaande, daargelaten de juistheid van deze stelling, niet afdoen. De rechtbank heeft derhalve terecht geen grond gezien voor het oordeel dat [appellant] de schade niet hoefde te voorzien.

2.4. Voorts betoogt [appellant] dat hij wel degelijk tijdig de vereiste preventieve maatregelen heeft getroffen. In dit verband wijst hij erop dat hij op het moment dat de bonen opkwamen op 3 juli 2006 40 palen met vlaggen heeft geplaatst. Nadat de ganzen op 8 juli 2006 waren neergestreken, heeft hij deze, naar gesteld, verjaagd door het perceel regelmatig te bezoeken. Op 9 juli 2006 zijn, aldus [appellant], twee knalapparaten geplaatst alsmede een aantal linten opgehangen. Voorts stelt hij dat hij vanaf die datum de ganzen vier maal per dag met behulp van een geweer heeft verjaagd.

2.4.1. Ook dit betoog faalt. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het Faunafonds van [appellant] mocht verwachten dat hij op 8 juli 2006, naast de reeds aanwezige palen met vlaggen, nadere preventieve maatregelen zou nemen. Nu [appellant] hiermee heeft gewacht tot de volgende dag heeft de rechtbank terecht grond gezien voor het oordeel dat het Faunafonds zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de door hem getroffen maatregelen niet voldoen aan hetgeen waartoe hij naar redelijkheid en billijkheid gehouden was. Dat [appellant], zoals hij stelt, op 8 juli 2006 de ganzen heeft verjaagd door het perceel te bezoeken kan, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 juli 2006 in zaak nr. 200600713/1) niet als een preventief middel worden aangemerkt. De stelling van [appellant] dat hij, gelet op de omstandigheid dat de APV strenge eisen stelt aan het gebruik van een knalapparaat en dit gebruik op bezwaren van omwonenden stuit, op 8 juli 2006 geen akoestisch middel heeft kunnen inzetten, kan niet leiden tot gegrondverklaring van het hoger beroep, nu hij hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijk niet in staat was een akoestisch middel op die dag in te zetten. In dit verband is van belang dat [appellant], zoals hijzelf heeft verklaard, op 9 juli 2006 alsnog twee knalapparaten heeft geplaatst.

De rechtbank heeft hieraan echter ten onrechte de conclusie verbonden dat [appellant] reeds op grond hiervan niet voor een tegemoetkoming in aanmerking komt. Nu [appellant] heeft betoogd dat hij desondanks in aanmerking komt voor een tegemoetkoming, omdat hij vanaf 9 juli 2006 de ganzen vier maal per dag met behulp van een geweer heeft verjaagd, had de rechtbank moeten beoordelen of deze omstandigheid kan worden aangemerkt als bijzondere omstandigheid, op grond waarvan het Faunafonds had moeten afwijken van de in de Regeling opgenomen beleidsregels. Het betoog van [appellant] leidt, gelet op het navolgende, evenwel niet tot gegrondverklaring van het hoger beroep.

2.5. Voor zover [appellant] betoogt dat het Faunafonds zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat slechts sprake is van adequaat gebruik van een afschotontheffing indien daadwerkelijk dieren worden gedood, slaagt dit niet. Niet in geschil is dat [appellant] na 9 juli 2006 met behulp van een geweer heeft verjaagd en dat hierbij geen ganzen zijn gedood. Evenmin is in geschil dat een aanzienlijke schade is opgetreden aan het perceel sperziebonen. Hieruit kan worden afgeleid dat de gebruikte verjagingstechnieken de schade niet hebben kunnen voorkomen. Nu geen daadwerkelijk afschot heeft plaatsgevonden is de meest vergaande verjagingstechniek niet ingezet, zodat het Faunafonds zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hierdoor geen extra verjagend effect is bewerkstelligd. Niet valt in te zien dat het Faunafonds niet in redelijkheid heeft kunnen verlangen dat de meest vergaande verjagingstechnieken worden ingezet alvorens over te gaan tot tegemoetkoming in de schade. De stelling dat het voor hem onmogelijk was dieren af te schieten is door [appellant] niet aannemelijk gemaakt, zodat dit evenmin kan leiden tot het oordeel dat het Faunafonds niet in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat niet op adequate wijze gebruik is gemaakt van de afschotontheffing.

2.6. Het betoog van [appellant] dat niet slechts op 8 juli 2006 schade is opgetreden, maar ook op de dagen die daarop volgden, slaagt evenmin. [appellant] heeft te kennen gegeven vanaf 9 juli 2006 gebruik te hebben gemaakt van de afschotontheffing, in dier voege dat de ganzen met een geweer zijn verjaagd. In dit verband is van belang dat, zoals in 2.5. is overwogen, het Faunafonds zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen adequaat gebruik is gemaakt van de afschotontheffing. Derhalve heeft het Faunafonds in redelijkheid de vanaf 9 juli 2006 ontstane schade evenzeer voor rekening van [appellant] kunnen laten komen.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2008.

176-538.