Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BF7217

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-10-2008
Datum publicatie
08-10-2008
Zaaknummer
200709175/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 november 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een hondentrainingscentrum en een hondenpension op het adres [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 19 november 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2008, 65K
Milieurecht Totaal 2008/3221
JOM 2008/779
OGR-Updates.nl 09-04
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200709175/1.

Datum uitspraak: 8 oktober 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 november 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een hondentrainingscentrum en een hondenpension op het adres [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 19 november 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 december 2007, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant] en vergunninghoudster hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 augustus 2008, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door L.J. van Wissen en J.W. Hol, werkzaam bij de gemeente, en [gemachtigde], zijn verschenen. Voorts is ter zitting vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. J.C. Blonk, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 januari 2008 zijn het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) en de daarmee samenhangende wijziging van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer in werking getreden. In bijlage I, onder s, van het Activiteitenbesluit worden inrichtingen voor het houden van honden in de buitenlucht als vergunningplichtig aangemerkt.

De inrichting betreft een kennel en trainingscentrum voor honden. De kennel biedt ruimte aan 15 honden. Deze honden worden met maximaal 10 honden tegelijkertijd twee keer in de dagperiode gedurende 1,5 uur uitgelaten. Hierbij bevinden deze honden zich gedurende 0,5 uur op een uitlaatplaats op het terrein van de inrichting en 1 uur op een trainingsveld op het terrein van de inrichting. Voorts vinden er vier keer per week trainingen plaats op drie trainingsvelden op het terrein van de inrichting. Hierbij worden honden van derden in twee groepen achter elkaar getraind waarbij elke groep uit 30 honden bestaat. Eén groep traint maximaal 1 uur. Verder worden in de opslagschuur achter het woonhuis privé 3 honden gehouden die zich gedurende de gehele dagperiode in de buitenrennen grenzend aan de opslagruimte bevinden.

Nu het in de buitenlucht op het terrein van de inrichting aanwezig zijn van honden een vast onderdeel van de activiteiten van de inrichting vormt, overweegt de Afdeling dat de inrichting moet worden aangemerkt als een inrichting voor het houden van honden in de buitenlucht als bedoeld in bijlage I, onder s, behorende bij het Activiteitenbesluit. Gelet daarop is de inrichting na 1 januari 2008 vergunningplichtig gebleven en is de bij besluit van 8 november 2007 verleende vergunning niet vervallen. Anders dan het college stelt heeft [appellant] thans nog wel belang bij de behandeling van het beroep.

2.2. [appellant] vreest geluidhinder vanwege de inrichting te ondervinden. Hij voert aan dat de door het college gestelde geluidgrenswaarden van 45 dB(A), 40 dB(A) en 35 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode in het aan de vergunning verbonden voorschrift 1.1.1 te hoog zijn. Volgens hem heeft het college ten onrechte aansluiting gezocht bij de in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Handreiking) opgenomen richtwaarden voor een rustige woonwijk met weinig verkeer en heeft het college het referentieniveau van het omgevingsgeluid onjuist bepaald.

2.2.1. Het college heeft voor de beoordeling van het aspect geluid hoofdstuk 4 van de Handreiking tot uitgangspunt genomen. In hoofdstuk 4 wordt, voor zover hier van belang, aanbevolen om de richtwaarden voor woonomgevingen te hanteren. Overschrijding van deze richtwaarden kan toelaatbaar worden geacht op grond van een bestuurlijk afwegingsproces, waarbij het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid een belangrijke rol speelt.

2.2.2. Het college heeft de omgeving gekwalificeerd als rustige woonwijk met weinig verkeer, waarvoor in de Handreiking richtwaarden van 45 dB(A), 40 dB(A) en 35 dB(A) worden aanbevolen voor onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. Daarnaast heeft het college zich in het bestreden besluit gebaseerd op in het verleden verrichte geluidmetingen ter bepaling van het referentieniveau van het omgevingsgeluid nabij de Pompstationweg te Tilburg. Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat uit deze metingen blijkt dat de gestelde geluidgrenswaarden overeen komen met het referentieniveau van het omgevingsgeluid ter plaatse van de inrichting.

2.2.3. De inrichting is gelegen in een buitengebied met agrarische activiteiten. De Afdeling constateert op grond van de ter zitting vertoonde kaart dat de inrichting in een landelijke omgeving ligt, zodat het college is uitgegaan van een onjuiste gebiedstypering. Voor een landelijke omgeving worden in de Handreiking richtwaarden aanbevolen van 40 dB(A), 35 dB(A) en 30 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Volgens het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening zijn de geluidmetingen ter bepaling van het referentieniveau van het omgevingsgeluid die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen niet als representatief voor de situatie rondom de inrichting van vergunninghoudster te achten, nu de geluidmetingen op een afstand van meer dan 2 kilometer van de inrichting hebben plaatsgevonden. Het is daarom niet onwaarschijnlijk dat bij de meeting deels de invloed van het verkeer op de N282 dan wel de Gilzerbaan is gemeten. Derhalve is niet komen vast te staan hoe hoog het referentieniveau van het omgevingsgeluid ter plaatse van de inrichting is. Voor zover het college nog stelt dat uit geluidmetingen van Grontmij Nederland B.V., die in opdracht van het college op 29 april 2008 zijn uitgevoerd, wel is komen vast te staan hoe hoog het referentieniveau van het omgevingsgeluid ter plaatse van de inrichting is, overweegt de Afdeling dat aan deze geluidmetingen, bij de beoordeling van het bestreden besluit, geen betekenis toekomt nu deze dateren van na het nemen van het bestreden besluit. Gelet hierop is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht op grond waarvan het college bij de voorbereiding van een besluit onderzoek dient te doen naar de relevante feiten. De beroepsgrond slaagt.

2.3. Het beroep is gegrond. Aangezien het aspect geluidhinder bepalend is voor de beantwoording van de vraag of de vergunning, zoals aangevraagd, kan worden verleend, dient het bestreden besluit geheel te worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.

2.4. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van het verzoek van [appellant] om het college te veroordelen in de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, van het opmaken van een deskundigenrapport en de gemaakte reiskosten voor het bijwonen van de zitting, overweegt de Afdeling het volgende.

2.4.1. De kosten van een deskundige komen op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking als het inroepen van die deskundige redelijk was en de deskundigenkosten zelf redelijk zijn. Ter bepaling of het inroepen van een niet-juridisch deskundige, zoals hier aan de orde, redelijk was, kan in het algemeen als maatstaf worden gehanteerd of degene die deze deskundige heeft ingeroepen, gezien de feiten en omstandigheden zoals die bestonden ten tijde van inroeping, ervan mocht uitgaan dat de deskundige een relevante bijdrage zou leveren aan een voor hem gunstige beantwoording door de rechter van een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant] daar niet van uit kunnen gaan, nu het inschakelen van de deskundige niet heeft bijgedragen aan beantwoording van de voor dit geschil belangrijke vragen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het door de door [appellant] ingeroepen deskundige opgemaakte deskundigenrapport betrekking heeft op de geluidbelasting van de inrichting. Het verzoek om een proceskostenveroordeling wordt daarom in zoverre ook afgewezen. De kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en de gemaakte reiskosten voor het bijwonen van de zitting komen wel voor vergoeding in aanmerking.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Tilburg van 8 november 2007, kenmerk nr. 200702242;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Tilburg tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 672,78 (zegge: zeshonderdtweeënzeventig euro en achtenzeventig cent), waarvan € 644,00, is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Tilburg aan [appellant] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV. gelast dat de gemeente Tilburg aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.

Het lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

is verhinderd de uitspraak w.g. Van Leeuwen

te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2008

373-570.